Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1 (2017-05-02)
Sommaire (FR) : Il résulte de la combinaison de l'article 1.1 de la Directive 2006/126/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 décembre 2006 relative au permis de conduire, de l'article 26 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et de l'article 1er de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire qu'un permis de conduire européen est un permis de conduire national qui est délivré dans un État membre de l'Union européenne et émis selon le modèle prévu dans la Directive 2006/126/CE susmentionnée; le juge détermine en fait, dès lors souverainement, si le permis de conduire émis par un État membre de l'Union européenne correspond au modèle de permis de conduire de l'Union européenne et la Cour vérifie uniquement si le juge ne déduit pas de ses constatations des conséquences sans lien avec celles-ci ou qu'elles ne sauraient justifier.
Samenvatting (NL) : Uit de samenhang van de bepalingen van artikel 1.1 van de Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs, artikel 26 van de Wegverkeerswet en artikel 1 van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, volgt dat een Europees rijbewijs een nationaal rijbewijs is dat in een lidstaat van de Europese Unie werd uitgereikt en dat werd uitgegeven volgens het in de hogervermelde Richtlijn bepaalde model; de rechter bepaalt in feite, mitsdien onaantastbaar, of het rijbewijs uitgegeven door een lidstaat van de Europese Unie beantwoordt aan het modelrijbewijs van de Europese Unie en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT --- 2 MEI 2017
P.15.0485.N/1
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. P.15.0485.N D R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lili Bretin, advocaat bij de balie te Brussel.
I.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 8 januari 2015. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee grieven aan. Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.
2 MEI 2017 II.
P.15.0485.N/2
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling Eerste grief 1.
De grief voert aan dat de strafvordering verjaard is in zoverre ze gesteund is
op artikel 21 Wegverkeerswet, omdat de toepasselijke verjaringstermijn één jaar bedraagt. 2.
Onder de telastlegging wordt de eiser vervolgd om op 7 juni 2012 op de
openbare weg een voertuig te hebben bestuurd zonder houder te zijn van een in België regelmatig afgegeven rijbewijs of van het als dusdanig geldend bewijs, vereist voor het besturen van dit voertuig en geldig in de categorie waartoe het behoort, strafbaar gesteld door de artikelen 30, § 1, 1° en 38 Wegverkeerswet. Voor dat misdrijf beloopt de verjaringstermijn krachtens artikel 68 Wegverkeerswet drie jaar. De grief kan niet worden aangenomen. Tweede grief 3.
De grief voert aan dat blijkens het strafdossier de eiser beschikt over een
geldig Europees Roemeens rijbewijs voor het besturen van voertuigen van de categorie B en over een geldige elektronische vreemdelingenkaart; overeenkomstig artikel 3, § 1 en § 2, van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs), was de eiser in het bezit van een geldig Europees Roemeens rijbewijs; hij moest zijn rijbewijs niet inwisselen voor een Belgisch rijbewijs; de richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs voorziet in de mogelijkheid tot inwisseling; de omstandigheid dat deze richtlijn mogelijkerwijze nog niet is geïmplementeerd in de Belgische wetgeving, kan geen aanleiding ertoe zijn de eiser te veroordelen; het enkel niet omruilen naar een Belgisch rijbewijs is niet gelijk te stellen met niet-houder zijn van een rijbewijs; het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser niet beschikt over een Europees rijbewijs; dit oordeel is evenwel enkel gebaseerd op de vorm van het Roemeens rijbewijs, dat geen Europese vorm zou zijn; het bestreden vonnis spreekt zich niet uit over
2 MEI 2017
P.15.0485.N/3
de grond van de telastlegging; eisers rijbewijs is een Europees rijbewijs, zelfs indien de vorm ervan een oude vorm is die nog steeds geldig is in Roemenië. 4.
Krachtens artikel 1.1 van de Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006
van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs, stellen de lidstaten van de Europese Unie het nationale rijbewijs op volgens het in bijlage I aan deze richtlijn weergegeven Europees model en overeenkomstig deze richtlijn. Volgens deze bepaling staat het onderscheidingsteken van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft in het embleem op bladzijde 1 van het Europees model. Overeenkomstig artikel 2 van deze richtlijn worden de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen onderling erkend. Overeenkomstig artikel 26 Wegverkeerswet bepaalt de Koning het model van het Belgisch rijbewijs en van het als zodanig geldend bewijs. Artikel 1 KB Rijbewijs, zoals hier toepasselijk, bepaalt onder meer: “Voor de toepassing van dit besluit dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs wordt verstaan onder: 13° «Europees rijbewijs», elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.” Een rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1°, Wegverkeerswet is een geldig nationaal buitenlands rijbewijs dat is afgegeven overeenkomstig de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn of waarvan de geldigheid is erkend krachtens door de Koning afgesloten akkoorden. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een Europees rijbewijs een nationaal rijbewijs is dat in een lidstaat van de Europese Unie werd uitgereikt en dat werd uitgegeven volgens het in de Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs bepaalde model. In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht. 5.
De rechter bepaalt in feite, mitsdien onaantastbaar, of het rijbewijs uitgege-
ven door een lidstaat van de Europese Unie beantwoordt aan het modelrijbewijs van de Europese Unie. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
2 MEI 2017
P.15.0485.N/4
Het bestreden vonnis oordeelt, eensdeels, dat het stuk 15 dat een fotokopie
is van de voor- en achterzijde van het rijbewijs, niet beantwoordt aan het Europees model bepaald in de richtlijn 2006/126/EG van het Europees parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs en, anderdeels, dat de eiser enkel houder is van een Roemeens rijbewijs en niet van een Europees rijbewijs. Met deze redenen verantwoordt het bestreden vonnis naar recht de beslissing dat de eiser niet beschikt over een Europees rijbewijs. In zoverre kan de grief niet worden aangenomen. 7.
In zoverre de grief opkomt tegen dit feitelijk oordeel of verplicht tot een on-
derzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is hij niet ontvankelijk. 8.
Voor het overige is de grief afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwet-
tigheid en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering 9.
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen
zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 2 mei 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
2 MEI 2017
P.15.0485.N/5
V. Kosynsky
I. Couwenberg
E. Francis
A. Bloch
F. Van Volsem
P. Maffei