Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260611.1N.3 (2026-06-11)
Sommaire (FR) : Nog niet beschikbaar
Samenvatting (NL) : Het antwoord op de vraag of de verjaring van de vordering van tenuitvoerlegging van een veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing behoort tot de “procedure tot tenuitvoerlegging” zoals bedoeld in artikel 41.1 Brussel Ibis Vo, en aldus wordt beoordeeld volgens het recht van de aangezochte lidstaat (lex fori), dan wel of de verjaring van deze zogenaamde actio judicati dient te worden beoordeeld volgens het recht van de lidstaat van herkomst (lex causae), noopt het Hof, overeenkomstig artikel 267 van het VWEU, tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet het begrip “procedure voor tenuitvoerlegging” van artikel 41.1 Brussel Ibis-Vo aldus worden uitgelegd dat het de verjaring van de vordering tot tenuitvoerlegging van een veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing (de zogenoemde actio judicati) omvat?” (1). (1) Zie concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT --- C.24.0153.N Conclusie advocaat generaal S. RAVYSE: Situering. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiseres aan de verweerster een machine verkocht voor een bedrag van 20.000 euro. Bij de levering zou de verweerster hebben vastgesteld dat de machine defect was, waardoor de verweerster het betaalde voorschot van 14.000 euro terugvroeg en niet overging tot betaling van het saldo. Met toepassing van het Hongaarse recht oordeelde de Arrondissementsrechtbank te Györ (Hongarije) op 27 januari 2016 dat de eiseres het voorschot van 14.000 euro diende terug te betalen en verweerster op haar beurt de geleverde machine diende te restitueren. Op 12 april 2016 oordeelde diezelfde rechtbank dat het vonnis van 27 januari 2016, op 1 april 2016 in kracht van gewijsde was getreden. Op 3 mei 2017 werd door de Arrondissementsrechtbank te Györ een eerste executoriale titel afgeleverd. Op 10 maart 2021 werd een certificaat afgeleverd overeenkomstig artikel 53 van de zogenaamde Brussel I-bis Verordening (hierna “Brussel I-bis Vo.”)1. Op 3 mei 2021 liet verweerster het vonnis en het certificaat in België aan de eiseres betekenen met een bevel tot betalen. Vervolgens werd op 26 oktober 2021 aan de eiseres een exploot inzake uitvoerend beslag op roerende goederen betekend. Bij dagvaarding van 8 november 2021 tekende de eiseres bij de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, verzet aan tegen het uitvoerend beslag, waarin ze de vaststelling van de verjaring vorderde van de actio iudicati. Op 3 november 2022 wees de eerste rechter de vordering af. Het bestreden arrest van 20 november 2023 verklaarde het hoger beroep ongegrond. De eiseres voert tegen dit arrest twee middelen aan. Bespreking. In het eerste middel voert de eiseres de schending aan van artikel 41, eerste lid van de zogenaamde Brussel I-bis verordening aan (hierna “Brussel I-bis Vo.”)2. Volgens de eiseres voorziet deze bepaling enkel dat het procesrecht toepasselijk is van de aangezochte staat, niet dat de regels van de aangezochte staat toepasselijk zijn die het procesrecht te buiten gaan, zoals de verjaring. Volgens eiseres geldt voor het bepalen van de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling het toegepaste recht van herkomst, zijnde hier het Hongaars recht. Volgens het Belgisch recht is de verjaringstermijn van 10 jaar toepasselijk op grond van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, oud BW, waardoor concreet de vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling in deze zaak nog niet is verjaard. Volgens de eiseres de Hongaarse
1
Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. 2 Verordening 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. 1/6 Hofvancassatie.be
Parket
verjaringstermijn van vijf jaar toepasselijk waardoor de tenuitvoerlegging wel is verjaard3. Dit is de kernvraag in deze zaak: welk recht is hier toepasselijk wat betreft de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Artikel 41, Brussel I-bis Vo. bepaalt het volgende: “Onder voorbehoud van het bepaalde in deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing”. De vraag stelt zich wat tot de “procedure voor tenuitvoerlegging en dezelfde voorwaarden” behoort zoals verwoord in artikel 41 Brussel I-bis Vo. Een eerste letterlijke lezing van deze bepaling doet aannemen dat, anders dan hetgeen de eiseres voorhoudt, niet enkel het procesrecht van de aangezochte staat toepasselijk is, maar ook de regels over de voorwaarden van de tenuitvoerlegging van de aangezochte staat. Op basis van die lezing kan worden aangenomen dat onder de voorwaarden van de uitvoering ook de regel behoort over de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Die redenering leidt tot de conclusie dat de appelrechter terecht oordeelde dat de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging naar Belgische recht moet worden beoordeeld, namelijk 10 jaar overeenkomstig art. 2262bis, § 1 eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek. Die interpretatie heeft tot gevolg dat hoewel de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling wel is verjaard volgens het toegepaste recht en het recht van het land van herkomst (Hongarije), de schuldeiser toch nog de uitvoering kan bekomen omwille van de (langer durende) verjaringsregel in het aangezochte land (België). De schuldeiser bevindt zich daardoor in een gunstigere positie dan indien hij de uitvoering zou nastreven in zijn eigen land. In een iets later arrest overweegt het (zelfde) hof van beroep Antwerpen dat de verjaring van de rechtsvordering tot uitvoering niet dient te worden bepaald door het land waar de veroordeling moet worden uitgevoerd omdat anders de schuldenaar zou kunnen verhuizen naar het land met de kortste verjaringstermijn, en dus bij voorkeur de regels over de verjaring toepasselijk zijn van het land waar de veroordeling is uitgesproken (of van het in de veroordeling toegepaste recht); om evenwel vervolgens toch te oordelen de verjaringstermijn toepasselijk is van het land waar de veroordeling moet worden uitgevoerd4. Het Hof van Justitie heeft zich nog niet specifiek uitgesproken over de toepasselijke verjaringsregel van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging, namelijk of die al dan niet behoort tot de procedure of de voorwaarden tot tenuitvoerlegging. De aangetroffen arresten van het Hof van Justitie betreffen de exequaturprocedure en hebben eerder betrekking op procedurele bepalingen. De met de Brussel I-bis Vo. voorziene automatische uitvoerbaarverklaring beoogt de effecten van een buitenlandse beslissing in de aangezochte lidstaat te erkennen 5. De idee en het opzet van deze verordening ligt in de verdere vereenvoudiging van de erkenning en uitvoering van
3
Het bestreden arrest vermeldt op pagina 5 dat krachtens artikel 6:22 lid 1 van het Hongaars burgerlijke wetboek de verjaringstermijn vijfjaren bedragen, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering opeisbaar wordt, dit is vanaf de datum waarop het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Györ in kracht van gewijsde is gegaan (01 april 2016). 4 Antw. 8 januari 2024, Limb.Rechtsl. 2024, 262. 5 HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 28. 2/6 Hofvancassatie.be
Parket
gerechtelijke beslissingen in andere lidstaten6. De verordeningen beogen dat de lidstaten op basis van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling ermee instemmen dat de beslissing die is gegeven door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, in de aangezochte lidstaat wordt uitgevoerd door deze in diens rechtsorde op te nemen7. Die doelstelling komt tot uiting in het opzet om aan buitenlandse beslissingen dezelfde werking en gevolgen te geven zoals een binnenlandse beslissing. De vraag is of dit zover gaat dat zelfs wanneer een buitenlandse beslissing die volgens het land en het recht van herkomst is verjaard (wat betreft de uitvoering), deze toch nog uitvoering kan krijgen in de aangezochte staat omdat dat daar een andere verjaringsregel geldt. Daar waar het procesrecht van de aangezocht staat toepasselijk is, moet worden opgemerkt dat de verjaring (in beginsel) niet behoort tot het procesrecht maar tot het materieel recht. Het is een middel om een vordering te ontlopen, niet een regel die gaat over de manier waarop een proces wordt gevoerd8. Verjaring is in de klassieke opvatting een regel van materieel recht omdat zij het subjectief recht of de afdwingbaarheid ervan aantast 9. Wanneer die civiele vordering (actio iudicati) verjaart, dooft de (afdwingbare) aanspraak tot uitvoering uit; het gaat dus niet om de niet‑ontvankelijkheid van een proceshandeling, maar om het tenietgaan van de afdwingbaarheid van een (subjectief) vermogensrecht. Deze hier toepasselijke verjaringstermijn onderscheidt zich dus van vervaltermijnen van procesrecht (bv. beroepstermijnen, termijnen in limine litis) die klassiek van openbare orde en procedureel zijn (niet te stuiten, vaak ambtshalve toe te passen). Dat is niet het geval voor de verjaring van de actio iudicati. Het Hof van Justitie oordeelt dat door de erkenning de buitenlandse beslissing “in de rechtsorde van [de aangezochte lidstaat wordt] (...) opgenomen. Dankzij [de exequaturprocedure onder de Brussel 1-Verordening] kan een beslissing die in een andere dan de aangezochte lidstaat is gegeven in deze laatste lidstaat de gevolgen sorteren die een binnenlandse executoriale titel heeft”10, en “de procedureregels van die staat van toepassing zijn”11. Wanneer die beslissing eenmaal in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat is opgenomen, gelden daarvoor volgens vaste rechtspraak de nationale bepalingen van die laatste staat betreffende de tenuitvoerlegging op gelijke wijze als voor beslissingen die door een nationale rechter zijn gegeven12. De erkende buitenlandse beslissing dient te worden aangemerkt zoals een Belgische beslissing. Wat betreft “de uitvoering zelf” oordeelt het Hof van Justitie dat dit zich buiten het Executieverdrag13 bevindt maar dit “blijft onderworpen aan het nationale recht van de aangezochte rechter”14. De erkenning betreft de specifieke kenmerken van die beslissing, waarbij de feitelijke en 6
I. COUWENBERG, Handboek Europees Procesrecht, Intersentia 2015, 140. HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 25. 8 Art. 2219 e.v. (oud) BW, nieuw art. 3.26 BW e.v.; zie ook Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0096.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2. 9 B. VANLERBERGHE, De taak van de rechter inzake de verjaring. 10 HvJ 13 oktober 2011, C-139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 31. 11 HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 51. 12 HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 35 ; HvJ 13 oktober 2011, C-139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak. 13 Met Executieverdrag wordt de Brussel I-Vo. bedoeld: Deze verordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 1215/2012 (de Brussel I-bis Vo.) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1). Volgens artikel 66, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 blijft verordening nr. 44/2001 echter van toepassing op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening vallen. 14 HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 28, ECLI:EU:C:1999:213. 7
3/6 Hofvancassatie.be
Parket
juridische elementen met betrekking tot de uitvoering van de eruit voortvloeiende verplichtingen buiten beschouwing blijven15. Recent stelt het Hof van Justitie het zo dat “de erkenning weliswaar in beginsel ten gevolge dient te hebben dat aan de buitenlandse beslissingen het gezag en het effect worden verleend dat zij genieten in de lidstaat waar zij zijn gegeven, maar dat dit bij de tenuitvoerlegging van een beslissing anders is omdat er dan geen reden is om aan die beslissing rechten toe te kennen die deze in de lidstaat van herkomst niet heeft, of gevolgen die een soortgelijke, in de aangezochte lidstaat rechtstreeks gegeven beslissing niet zou hebben”16. Met andere woorden, als executoriale titel moet de buitenlandse beslissing dezelfde effecten hebben als in het land van herkomst, doch voor wat de tenuitvoerlegging betreft, hoort die titel de regels te volgen van de voor de tenuitvoerlegging toepasselijke regels van de aangezochte lidstaat. Het zijn mijns inziens enigszins tegenstrijdige signalen, hetgeen ook blijkt uit de volgende rechtspraak. Hoewel de indruk wordt geven dat alle regels van de aangezochte staat gelden zoals een binnenlandse beslissing, bevatten de arresten van het Hof van Justitie ook overwegingen die tot een andere conclusie leiden. In meerdere arresten overweegt het Hof van Justitie dat:
- erkenningen “ten gevolge […] hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen”.
zij “dezelfde werking hebben als in de staat van herkomst17”.
- de buitenlandse beslissing “niet méér gezag en (…) geen sterkere werking [kan] worden toegekend dan het in de staat van herkomst reeds bezit18”.
- “voor het bepalen van de werking van die beslissing in de aangezochte lidstaat in beginsel uitsluitend moet worden gelet op de rechtsregels van de lidstaat van herkomst en aan die beslissing het gezag en het effect moeten worden verleend die zij geniet in de lidstaat van herkomst19”. Uit deze overwegingen volgt dat de regels van de staat van herkomst niet (volledig) terzijde kunnen worden geschoven. Ze laten toe aan te nemen dat een ingetreden verjaring van de uitvoering volgens het recht van de staat van herkomst geen aanleiding meer kan geven tot een uitvoering in een andere lidstaat. Enkele van deze arresten verwijzen naar het rapport Jenard20 van 1979 over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Dit rapport schetst de historische evolutie naar harmonisatie in de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse gerechtelijke beslissingen tussen de (toenmalige) lidstaten op grond van artikel 220 EEG-Verdrag. Het toenmalige artikel 26 van het voormelde Verdrag van 27 september 1968 voorzag (enkel) dat buitenlandse beslissen worden erkend zonder proces. Het rapport Jenard becommentarieert dit artikel zo dat de erkenning tot gevolg moet hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen. 15
HvJ 13 oktober 2011, C‑139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 39. HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 52. 17 HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 47; HvJ 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a., C‑456/11, ECLI:EU:C:2012:719, pt. 34. 18 HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 21, ECLI:EU:C:1999:213. 19 HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, pt. 48, ECLI:EU:C:2023:452. 20 PB, 5 maart 1979, C-59/1. 16
4/6 Hofvancassatie.be
Parket
In het arrest van 4 oktober 2018 oordeelde het Hof van Justitie dat wat betreft de tenuitvoerlegging, een welbepaalde termijn voor een hypothecaire inschrijving toepasselijk was zoals voorzien door het aangezochte land21. Zowel de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering als de termijn die voor deze inschrijving geldt, behoort tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, dat uitvoerbaar is als gevolg van de erkenning ervan in de aangezochte lidstaat. Zij vallen dus onder de procedurele regels die in het Duitse recht (de aangezochte lidstaat) zijn vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van bevelen die toestemming verlenen tot conservatoir beslag. Deze vervaltermijn voor een hypothecaire inschrijving is niet gelijk te stellen met een verjaringstermijn voor een rechtsvordering. De vraag of dit verschil hier van belang is, neigt mijns inziens tot een negatief besluit. Zelfs al is deze verjaringstermijn formeel geen procedureregel, is het wel een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging in de aangezocht lidstaat. Mijn conclusie is dat eerder aan de letterlijke bewoordingen van artikel 41.1 Brussel I-bis Vo. Brussel de voorkeur moet worden gegeven. Daar waar aanvankelijk het recht van de aangezochte staat enkel toepasselijk was wat betreft de formele uitvoerbaarheid22, blijkt uit de evolutie en wijzigingen aan de zogenaamde EEX-verdragen en in het bijzonder de hier toepasselijke Brussel I-bis Vo. uitdrukkelijk dat het recht van de aangezochte staat ook toepasselijk is wat betreft de voorwaarden van de tenuitvoerlegging. Door ook afzonderlijk te spreken van “dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing” in het toepasselijk artikel 41.1 Brussel I-bis Vo. blijkt dat niet louter het procesrecht of de procedureregels maar ook de voorwaarden van de tenuitvoerlegging volgens de regels van materieel recht toepasselijk zijn, waaronder de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging. De arresten waarnaar de eiseres verwijst in de voorziening dateren van voor de Brussel I-bis Vo. Overweging 26 voorafgaand aan de Brussel I-bis Vo. herhaalt uitdrukkelijk dat een buitenlandse beslissing “op dezelfde manier worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven”23. Overweging 30 voorafgaand aan de Brussel I-bis Vo. bepaalt dat de verweerder die zich verzet tegen de tenuitvoerlegging zich moet beroepen op het rechtsstelsel van de aangezochte lidstaat 24. Aangezien het Hof van Justitie zich evenwel nog niet specifiek en duidelijk hierover heeft uitgesproken, zou het Hof kunnen overwegen hierover rechtszekerheid te verkrijgen en er een prejudiciële vraag over te stellen aan het Hof van Justitie. Een belangrijk argument in de andere richting blijft immers dat de schuldeiser zich daardoor in een gunstigere positie bevindt dan indien hij de uitvoering zou nastreven in zijn eigen land. Anderzijds kan daartegen dan weer worden aangevoerd dat de uitvoering in eigen land aannemelijk niet zo formalistisch en tijdrovend zou zijn geweest waardoor aannemelijk wel binnen de kortere Hongaarde termijn kon worden uitgevoerd. De doelstelling van de vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen volgens de procedure en voorwaarden van het recht van de aangezochte lidstaat kan ook worden verantwoord door te vermijden situaties waarin de toepassing van vreemd 21
HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 31. HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 33, ECLI:EU:C:1999:213: “Op de gestelde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat het begrip „uitvoerbaar” in artikel 31, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van in het buitenland gegeven beslissingen en niet op de voorwaarden waaronder die beslissingen in de staat van herkomst ten uitvoer kunnen worden gelegd”. 23 Zie de volgende link voor de in de aanhef van de Verordening voorafgaande overwegingen: https://eurlex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/?uri=CELEX:32012R1215 24 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. 22
5/6 Hofvancassatie.be
Parket
recht, waarmee advocaten en rechters niet vertrouwd zijn, tot onjuiste resultaten zou leiden en een belemmering zou vormen in de aangezocht lidstaat. Het eerste middel dat stelt dat de verjaring van de vordering tot tenuitvoerlegging van een veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing, volgens het recht van de lidstaat van herkomst moet worden beoordeeld, faalt mijns inziens naar recht. In het tweede middel voert de eiseres de schending aan van artikel 2277 Oud Burgerlijk Wetboek, door te oordelen dat de intresten niet verjaren aangezien de daarvoor vereiste periodiciteit ontbreekt. De appelrechter steunde die beslissing onder meer op de overweging dat het een schuld betreft waarvan het bedrag is bepaald en die in eenmaal betaalbaar is. Het middel lijkt een onderzoek te vereisen van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is waardoor het middel niet ontvankelijk voorkomt. Conclusie: verwerping.
6/6 Hofvancassatie.be