Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260922.2N.6 (2026-09-22)
Samenvatting (NL) : Onder het beroepsgeheim van een advocaat valt op grond van die bepaling alle informatie waarvan de kennisname is gebeurd tijdens de uitoefening van de functie van advocaat, terwijl hij wegens die hoedanigheid werd aangesproken, voor zover deze informatie in een redelijk verband staat met de uitoefening van de functie en de informatie inherent vertrouwelijk is of expliciet of impliciet onder de voorwaarde van geheimhouding is toevertrouwd aan de advocaat; indien de benadeelden van een misdrijf zich door een advocaat laten bijstaan en in het kader van die bijstand aan die advocaat informatie verstrekken betreffende de omstandigheden waarin het misdrijf zou zijn gepleegd en die advocaat vervolgens op instructie van die benadeelden die informatie meedeelt aan de politionele of gerechtelijke overheden met het oog op opsporing en strafvervolging, schendt hij niet het beroepsgeheim; die informatie wordt de advocaat immers meegedeeld teneinde ze aan te wenden in het kader van de behartiging van de belangen van de benadeelden (1). (1) Zie gelijkluidende concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT --- P.26.0590.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:
- Eiser wordt vervolgd wegens onder meer verkrachting van de minderjarige K.B., als gezaghebbend persoon, namelijk als turnleraar. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen legt hem een gevangenisstraf op van zes jaar en een ontzetting uit burgerlijke en politieke rechten voor 10 jaar. Hij voerde in hoger beroep als verweer dat de strafvordering niet-ontvankelijk is, wegens schending van het beroepsgeheim, wat strafbaar is volgens artikel 458 oud Strafwetboek (thans art. 352 Sw.). De feiten werden bekend gemaakt door de advocaat van de burgerlijke partijen, als ouders van het minderjarig slachtoffer, naar aanleiding van een vertrouwelijk gesprek in haar kantoor. Hierdoor is zijn recht op een eerlijk proces geschonden. Verweerders stelden in hoger beroep dat zij aan hun advocaat toestemming gaven om de feiten aan te geven bij het parket.
- Het bestreden arrest verwerpt eisers verweer om volgende redenen:
- de geheimhoudingsplicht van de advocaat is niet absoluut en kan wijken wanneer zij botst met hogere belangen;
- een cliënt heeft het recht zijn advocaat te ontslaan van zijn beroepsgeheim, omdat dit geheim onlosmakelijk is verbonden met het recht van verdediging van de cliënt;
- het vertrouwen beschermd door het beroepsgeheim moet vermijden dat vertrouwelijke communicatie ongewenst wordt meegedeeld aan derden;
- de advocaat van de ouders van een slachtoffer van seksueel misbruik kan op basis van artikel 458bis oud Strafwetboek strafbare feiten bekend maken aan het parket, om de belangen van zijn cliënten te dienen;
- de advocaat van verweerders kreeg een uitdrukkelijke instructie mee van zijn cliënten en mocht in de plaats van zijn cliënten de feiten bekend maken en de vrijgave van informatie was in het belang van zijn cliënten. Er is dus geen inbreuk op artikel 458 oud Strafwetboek en geen enkele reden om de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren.
- Het beroepsgeheim van de arts en advocaat dient het belang van de patiënt of cliënt en het maatschappelijk belang van het beroep van de geheimhouder en is van openbare orde. Patiënten of rechtszoekenden moeten erop kunnen rekenen dat als zij vertrouwelijke informatie toevertrouwen aan hun arts of advocaat, deze informatie geheim blijft1. Het beroepsgeheim steunt eveneens op het recht op privacy (art. 8 EVRM) van de persoon die iemand in vertrouwen neemt over erg gevoelige, persoonlijke informatie2. Het beroepsgeheim van de advocaat is ook ingesteld voor de uitoefening van de rechten van verdediging van de cliënt en de goede werking van justitie in een democratische samenleving3.
1
Zie o.a. Cass. 18 juni 1992, AR 9289, AC 1992, nr. 549, 993. GwH, 26 september 2013, 127/2013, r.o.B. 3.1; concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER in de zaak Cass. 26 maart 2021, AR D.18.0015.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5, p. 2; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr. 2022, 3; F. KUTY, Précis de droit pénal spécial, Larcier, 2026, 716. 3 EHRM 6 december 2012, Michaud t/Frankrijk, a. 18, www.echr.coe.int; GwH 26 september 2013, arrest 127/2013, B.29.2; GwH 23 januari 2008, arrest 10/2008, B.9.6, www. const-court.be; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr. 2022, 16; F. KUTY, Précis de droit pénal spécial, Larcier, 2026, 717. 2
1/5 Hofvancassatie.be
Parket
- Artikel 458 oud Strafwetboek (thans art. 352 Sw.) bepaalt dat de houder van een beroepsgeheim die vertrouwelijke informatie aan derden meedeelt strafbaar is, behalve als hij daartoe wettelijk verplicht is of een verklaring onder eed aflegt voor een rechter of voor een parlementaire onderzoekscommissie. In de rechtspraak is het doorbreken van het beroepsgeheim niet beperkt tot de aangifteplicht en de getuigenis in rechte.
- Vooreerst wordt aanvaard dat de geheimhouder vertrouwelijke informatie mag meedelen aan de politie en derden als hij zich kan beroepen op een noodtoestand (thans art. 13 Sw.). Daarvan is er sprake als het prijsgeven van vertrouwelijke informatie noodzakelijk is om een hoger belang te dienen, zoals de integriteit van slachtoffers van ernstige misdrijven, en er geen ander alternatief bestaat om dat hoger doel te bereiken4.
- Die noodtoestand als rechtvaardigingsgrond is verder uitgewerkt in artikel 458bis oud Strafwetboek (thans art. 353, § 1 Sw.), dat een spreekrecht inhoudt voor geheimhouders voor ernstige misdrijven, zoals verkrachting, waarbij zwijgen aanleiding kan geven tot een bestraffing wegens schuldig verzuim (art. 422bis oud Strafwetboek, thans art. 299 Sw.). Deze bepaling is gericht op eenieder die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en hiervoor kennis heeft van een specifiek misdrijf, vermeld in art. 458bis oud Sw. De advocaat of hulpverlener die op deze grond vertrouwelijke informatie bekend maakt is dan niet meer strafbaar wegens schending van het beroepsgeheim5. Voorwaarde is wel dat het voor een advocaat niet gaat om informatie die voor zijn cliënt belastend is, hem blootstelt aan strafvervolging (thans art. 353, § 3 Sw.)6. Het is niet de bedoeling dat de advocaat zijn eigen cliënt gaat aangeven als verdachte van een misdrijf.
- Verder wordt aangenomen dat de geheimhouder strafbare feiten aan de politie, het openbaar ministerie of het gerecht mag meedelen waarvan zijn cliënt of patiënt zelf het slachtoffer is7. 4
Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N, AC 2012, nr. 323 met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 13 mei 1987, AR 5728, AC 1986-87, nr. 55; GwH 5 december 2013, nr. 163/13, B.3.2; concl. van eerste advocaatgeneraal R. MORTIER in de zaak Cass. 26 maart 2021, AR D.18.0015.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5, p. 3; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr. 2022, 20-21; C. VAN DEN WYNGAERT en C. VAN DE HEYNING, Strafrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2026, 251-258. 5 GwH 26 september 2013, arrest 127/2013, B.4, RW 2013-14, 1255, noot D. VAN GERVEN; V. DE SOUTER, “Het beroepsgeheim en de invoering van een spreekrecht door de Wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen. Een nadere analyse van het artikel 458bis Strafwetboek”, TJK 2001, 184-192; F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Intersentia, 2013, 137 en 366-386; A. DIERCKX, “Misdrijven gepleegd ten aanzien van een minderjarig of kwetsbaar persoon. Een commentaar bij de wet van 30 november 2011”, NC 2013, 33-38; I. DE JONGHE en L. UYTTENHOVE, Hulpverlening en recht, Intersentia, 2020, 368-374; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Die Keure, 2021, 243-244 en 258-260; P. BRULEZ, “Het beroepsgeheim van de hulpverlener in verband met feiten van seksueel misbruik waarvan een minderjarige patiënt vermoedelijk het slachtoffer is”, in Jaarverslag 2021 van het Hof van Cassatie van België, Larcier, 2022, 275296; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr. 2022, 15-16; F. KUTY, Précis de droit pénal spécial, Larcier, 2026, 716, 742-747. 6 GwH 26 september 2013, arrest 127/2013, 127/2013, B.31.1, RW 2013-14, 1255, noot D. VAN GERVEN; GwH 5 december 2013, nr. 163/2013, B.21.1, www.const-court.be. Een advocaat is immers geen medewerker van het gerecht, maar een partijdig raadgever, strevend naar de maximale verdediging van de belangen van zijn cliënt (J. STEVENS, “Strafverdediging. Wettelijk en deontologisch statuut van de strafpleiter”, in Geboeid door het strafrecht, Larcier, 2011, 194). 7 Cass. 26 maart 2021, AR D.18.0015.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER; Cass. 31 oktober 2012, AR P.12.0882.F, AC 2012, nr. 582; Cass. 18 juni 2010, AR D.09.0015.F, AC 2010, nr. 439; Cass. 16 december 1992, AC 1991-92, nr. 801; Cass. 9 februari 1988, AR 1121, AC 1987-88, nr. 346; K.I. Antwerpen 26 maart 2012, NC 2012, 487 noot L. HUYBRECHTS; J. STEVENS, “Deontologie en beroepsgeheim van advocaat en arts”, in Jongeren & Drugs, Antwerpen, Intersentia, 2004, 82;
2/5 Hofvancassatie.be
Parket
Enige voorzichtigheid is geboden, omdat het slachtoffer dat zijn arts of advocaat in vertrouwen neemt, en hem tijdens een vertrouwelijk overleg de omstandigheden van het misdrijf meedeelt, er toch prijs op kan stellen dat deze informatie geheim blijft. De geheimhouder die buiten de situatie van noodtoestand en zonder duidelijke instructie vertrouwelijke gegevens bekend maakt aan de politie of de procureur des Konings, louter omdat zijn cliënt of patiënt het slachtoffer is van een misdrijf, kan de vertrouwensband met zijn cliënt of patiënt schaden. Ook kan dit eigengereid optreden het vertrouwen aantasten van anderen in de functie van de arts of advocaat als discrete hulpverlener of raadsman. Precies deze belangen van de geheimgerechtigde en van derden die medische hulp of juridische bijstand zoeken worden beschermd door het beroepsgeheim. 8. Het is dan ook essentieel dat de geheimhouder die buiten de situatie van noodtoestand de politie of het openbaar ministerie op de hoogte brengt van een misdrijf waarvan zijn cliënt het slachtoffer is, kan rekenen op de uitdrukkelijke toestemming van zijn patiënt of cliënt om die informatie mee te delen8. De toestemming van de cliënt om het beroepsgeheim op te heffen moet wel steunen op een vrije en bewuste keuze, die duidelijk en zonder voorbehoud wordt geformuleerd aan de houder van het beroepsgeheim9. 9. Als de cliënt aandringt op bekendmaking aan de politie van informatie besproken tijdens een vertrouwelijk gesprek, kan die informatie moeilijk nog als een geheim worden beschouwd, in de zin van oud art. 458 oud Sw.10. Dit betekent nog niet dat de advocaat verplicht zou zijn om met toestemming van zijn cliënt informatie uit een vertrouwelijk gesprek bekend te maken aan de politie of het gerecht11. Het is niet omdat de cliënt toestemming geeft om het beroepsgeheim op te heffen, dat bekendmaking in het belang van deze cliënt zou zijn. Dit belangenconflict is vooral aan de orde als de cliënt een misdrijf opbiecht en van zijn advocaat verwacht dat hij dit op een gepast moment aan het gerecht bekend maakt. Deze openheid kan het belang van de beklaagde ten goede komen, maar ook schaden. Het is aan de advocaat als specialist en vertrouwenspersoon van zijn cliënt om deze afweging van belangen te maken, rekening houdend met de wettelijke verplichtingen. Voor de aangifte van een misdrijf door de benadeelde zelf, in overleg met zijn de advocaat, lijkt mij er minder ruimte voor discussie. 10. Als de benadeelde die aangifte toevertrouwt aan zijn advocaat, als vertrouwenspersoon, mag van de advocaat worden verwacht dat hij in het belang van zijn cliënt die feiten bekend maakt aan de politie of het gerecht. In geval van een ernstig misdrijf bepaald in art. 458bis oud Sw. (nu art. 353, § 1 Sw.), zoals verkrachting, is de beoordelingsmarge voor de advocaat kleiner. Het geheim houden van een misdrijf begaan ten nadele van zijn cliënt en dit tegen de H. NYS, Geneeskunde. Recht en medisch handelen, APR 2005, 552-553; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier, 2006, 125; A. DIERCKX en J. BUELENS, “Over het beroepsgeheim van het ziekenhuispersoneel”, NC 2012, 491-493; F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Intersentia, 2013, 135; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 881 en 917; S. VANASSCHE en T. OPGENHAFFEN, “Het beroepsgeheim wanneer de patiënt slachtoffer is. Het doolhof van Cassatie”, T. Strafr. 2022, 42-49; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr., Kluwer, 2022, 21. 8 Cass. 26 maart 2021, AR D.18.0015.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER. Zie ook Cass. 12 maart 1980, RW 1980-81, 847 over een advocaat die met instemming van zijn cliënt vertrouwelijke stukken overmaakte aan de onderzoeksrechter, en daardoor zijn beroepsgeheim niet schond. 9 Over deze voorwaarden van ‘informed consent’ zie J. PUT en T. OPGENHAFFEN, Beroepsgeheim en hulpverlening, die Keure, 2018, 239-242. 10 In die zin D. VAN GERVEN, “Het beroepsgeheim van de advocaat”, TPR 2012, 1446-1448; F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Intersentia, 2014, 178. 11 Op dit punt zie Cass. 30 oktober 1978, AC 1978, 235 over het medisch beroepsgeheim; F. KUTY, Précis de droit pénal spécial, Larcier, 2026, 750. 3/5 Hofvancassatie.be
Parket
wil van zijn cliënt kan aanleiding geven tot een vervolging van de advocaat wegens schuldig verzuim12. Wanneer zowel de verdachte als het slachtoffer cliënten zijn van de geheimhouder, kan de geheimhouder alleen in geval van noodtoestand strafbare feiten bekend maken die hij alleen van het slachtoffer vernam13. 11. De jurisprudentiële voorwaarden over het doorbreken van het beroepsgeheim sluiten aan op artikel 19 Codex Deontologie van de Orde van Vlaamse Balies, dat stelt: “De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover: - de vrijgave van die informatie relevant is, en - de vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is, en - de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van die informatie, en de vrijgave van die informatie niet wettelijk verboden”14. 12. Het Hof oordeelde op 19 oktober 2021 dat het beroepsgeheim van een advocaat betrekking heeft op “alle informatie waarvan de kennisname is gebeurd tijdens de uitoefening van de functie van advocaat, terwijl hij wegens die hoedanigheid werd aangesproken, voor zover deze informatie in een redelijk verband staat met de uitoefening van de functie en de informatie inherent vertrouwelijk is of expliciet of impliciet onder de voorwaarde van geheimhouding is toevertrouwd aan de advocaat”15. De vraag of informatie gedekt is door het beroepsgeheim hangt dus af van de wil van de cliënt om die informatie geheim te houden dan wel aan derden bekend te maken. 13. Wanneer benadeelden van een misdrijf een beroep doen op een advocaat en hem tijdens een consultatie de opdracht geven om gegevens over het misdrijf bekend te maken aan de politie of het gerecht, handelt de advocaat die de instructie van zijn cliënt opvolgt niet met schending van zijn beroepsgeheim. De advocaat brengt dan informatie aan om het belang van zijn cliënt te verdedigen, wat juist zijn opdracht is. 14. Eiser bracht in een eerste middel volgende argumenten aan, op basis van de artikelen 458 en 458bis oud Strafwetboek en artikel 6 EVRM:
- de advocaat kan niet worden ontslagen van zijn beroepsgeheim door zijn cliënt. Daarbij komt dat de appelrechters niet nagaan of aan alle voorwaarden is voldaan van het spreekrecht van artikel 458bis Strafwetboek (1e onderdeel):
- de appelrechters nemen ten onrechte de noodtoestand aan als uitzondering op het beroepsgeheim, omdat de bekendmaking van de strafbare feiten door de advocaat niet de enige mogelijkheid was om het gevaar van seksueel misbruik af te wenden. Verweerders hadden immers zelf aangifte kunnen doen. Ook wordt niet nagegaan of het na te streven belang zwaarder doorweegt dan het belang beschermd door het beroepsgeheim (2e onderdeel); en
12
A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr., Kluwer, 2022, 21. Concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER in de zaak Cass. 26 maart 2021, D.18.0015.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5, pp. 4-6. 14 Codex Deontologie voor Advocaten, Orde van Vlaamse Balies, BS 8 juli 2026, www.ordevanvlaamsebalies.be. 15 Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.0553.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.19, JLMB 2021, 1769 noot P. HENRY, NC 2022, 287, RDPC 2022, 148 en RW 2021-22, 1360; D. VAN GERVEN en J.- P. BUYLLE, “Grondslag en draagwijdte van het beroepsgeheim van de advocaat in het belang van de cliënt”, RW 2011-12, 162-168; R. VERSTRAETEN, “Beroepsgeheim en verdediging”, in Liber Amicorum Jean-Pierre Debandt, Brussel, Bruylant, 2004, 265-280. 13
4/5 Hofvancassatie.be
Parket
- het gerechtelijk onderzoek werd opgestart op basis van informatie bekomen door een misdrijf, namelijk schending van het beroepsgeheim, zodat de strafvordering niet-ontvankelijk is. Door deze sanctie niet toe te passen, is het recht op een eerlijk proces van eiser geschonden (3e onderdeel).
- Naar mijn mening faalt het middel naar recht, omdat een advocaat op uitdrukkelijke en duidelijke opdracht van zijn cliënt wel informatie meegedeeld tijdens een consultatie mag bekend maken aan de politie of het gerecht, met als doel de belangen van zijn cliënt te verdedigen.
- Voor zover eiser aanvoert dat er geen bewijs voorligt van een voorafgaande opdracht van verweerders aan hun advocaat om gegevens mee te delen, verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten, en is het niet-ontvankelijk.
- Voorts lijkt mij het arrest met vermelde redenen wettig te oordelen dat de advocaat van verweerders zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden en de strafvordering gesteund op informatie aangebracht door deze advocaat ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Tenslotte werpt eiser in zijn eerste en tweede middel op dat het arrest niet alle voorwaarden heeft beoordeeld van het spreekrecht voor hulpverleners (art. 458bis Oud Strafwetboek) en de noodtoestand. Daardoor konden de appelrechters niet wettig oordelen dat de advocaat van verweerders vertrouwelijke informatie mocht bekend maken, zonder zijn beroepsgeheim te schenden, en dat de strafvordering gesteund op die informatie ontvankelijk is. Meer specifiek uit eiser kritiek op de reden dat eiser geen klacht had ingediend tegen de advocaat van verweerders, wegens schending van het beroepsgeheim, wat neerkomt op het toevoegen van een voorwaarde aan artikel 458bis oud Strafwetboek.
- Ik ben van mening dat het arrest correct aangeeft dat het beroepsgeheim van een advocaat geen betrekking heeft op informatie meegedeeld tijdens een consultatie waarvan de cliënten uitdrukkelijk vragen dat de advocaat die informatie meedeelt aan het gerecht, om hun belangen te beschermen. De redenen over de draagwijdte van het beroepsgeheim, beschermd door artikel 458 oud Strafwetboek (thans art. 352 Sw., zijn doorslaggevend voor het bestreden arrest. Voor zover eiser opkomt tegen alleen de redenen over het spreekrecht en de noodtoestand, lijken mij de middelen niet-ontvankelijk, omdat zij gericht zijn op overtollige redenen, en niet tot cassatie kunnen leiden. Er is m.i. geen reden tot het opwerpen van een ambtshalve middel tot cassatie. Conclusie: verwerping.
5/5 Hofvancassatie.be