I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:CBB:2026:516 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-10-2026 / 24/758 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« Maatschap [naam] , te [vestigingsplaats] (de maatschap) (gemachtigde: mr. A.J. Roos) »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze beslissing is genomen op 13 oktober 2026 door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/758
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [vestigingsplaats] (de maatschap) (gemachtigde: mr. A.J. Roos)
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. R.C.M. Martens)
Procesverloop
De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 19 juli 2024. Het beroep heeft op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het kostenbesluit van 28 juli 2026.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft (delen van) de volgende stukken:
-
- Kostenoverzicht
Transportkosten
-
2. Factuur 24010072;
-
- Factuur 24010095;
-
- Factuur 24010157;
-
- Factuur 24010161;
Opvangkosten
-
6. Factuur 240354;
-
- Factuur 240420;
-
- Factuur 240437;
-
- Factuur 240457;
-
- Factuur 240535;
-
- Factuur 240566;
-
- Factuur 240667;
-
- Factuur 240669;
-
- Factuur 241285;
-
- Factuur 240664;
-
- Factuur 240670;
-
- Factuur 240761;
-
- Factuur 240787;
-
- Factuur 241085;
-
- Factuur 240862;
-
- Factuur 240957;
-
- Factuur 240980;
-
- Factuur 241064;
Taxateur
-
24. Factuur 2024011;
-
- Taxatierapport.
De maatschap heeft een reactie gegeven.
Overwegingen
- Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. H.O. Kerkmeester opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen. Volgens de staatssecretaris staan in de vertrouwelijke versie van de stukken persoons- en bedrijfsgegevens van de bij de inbeslagname betrokken opslaghouder, dierenarts, transporteur en taxateur. Zij zijn verder niet bij de procedure betrokken. Daarnaast betreft het contactgegevens van medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De staatssecretaris meent – kort gezegd – dat de vertrouwelijkheid van deze informatie moet worden geëerbiedigd, omdat openbaarmaking van deze informatie kan leiden tot een onevenredig nadeel voor deze derden en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van deze derden tot gevolg kan hebben, terwijl kennisneming van deze informatie door de maatschap niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten.
2 De maatschap heeft in haar reactie te kennen gegeven dat zij er alleen bezwaar tegen heeft dat zij geen kennis kan nemen van de gegevens van de opslaghouder. Volgens haar moeten die gegevens kenbaar gemaakt worden, omdat zij wil kunnen controleren onder welke omstandigheden, waaronder de grootte van de ligboxen, de opslaghouder haar dieren heeft gehouden.
3 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden, terwijl de staatssecretaris er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft.
4 In het geval van beroepshalve functioneren, kan slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet per geval worden afgewogen in het licht van de onder 3 genoemde belangen. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de onder het procesverloop genoemde stukken gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten persoons- en bedrijfsgegevens van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen en bedrijven en contactgegevens van medewerkers van RVO. Met de staatssecretaris stelt de rechter-commissaris vast dat de weggelakte gegevens steeds een klein deel betreffen van de stukken in hun geheel en geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van de facturen. Dat de maatschap wil kunnen controleren onder welke omstandigheden de opslaghouder de dieren heeft gehouden, is geen reden om te oordelen dat zij door de geheimhouding van de naam van de opslaghouder wordt benadeeld in haar verdediging. Als de maatschap in de bodemprocedure de hoogte van de bestuursdwangkosten betwist, ligt het gelet op het bepaalde in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb op de weg van de staatssecretaris om in de bodemprocedure zodanige informatie en gegevens over het opslaan van de dieren te verstrekken dat deze inzichtelijk zijn en kan worden beoordeeld of de door de staatssecretaris aan de maatschap in rekening gebrachte kosten redelijkerwijze voor haar rekening komen.
5 Het College kan alleen met toestemming van de andere partij mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. De maatschap wordt verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet op het beroep.
Beslissing
De rechter-commissaris:
-
beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken genoemd onder het procesverloop gerechtvaardigd is;
-
verzoekt de maatschap om binnen twee weken na de verzending van deze beslissing schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet op het beroep.
Deze beslissing is genomen op 13 oktober 2026 door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. M.C. Verviers