GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.368.975/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/374936/ KG ZA 26-80
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
1de vennootschap naar Italiaans rechtTECNIMONT S.P.A,
gevestigd in Milaan (Italië),
- de vennootschap naar Russisch recht MT RUSSIA LLC,
gevestigd in Moskou (Russische Federatie),
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,
tegen
1de vennootschap naar Zwitsers rechtEUROCHEM GROUP AG,
gevestigd in Zug (Zwitserland),
- EUROCHEM INTERNATIONAL HOLDING B.V.,
gevestigd in Hoofddorp,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam.
Partijen worden hierna enerzijds Tecnimont, MTR en (gezamenlijk) Tecnimont c.s. en anderzijds Eurochem AG, Eurochem International en (gezamenlijk) Eurochem c.s. genoemd.
1De zaak in het kort
Tussen Tecnimont c.s. en Eurochem AG lopen diverse procedures. Volgens Tecnimont c.s. hebben Eurochem c.s. hen benadeeld doordat Eurochem International haar aandelen in Eurochem Antwerpen heeft overgedragen aan Eurochem AG, waardoor het (mogelijke) verhaal van Tecnimont c.s. wordt gefrustreerd. Voor deze benadelingsvordering hebben Tecnimont c.s. beslag gelegd op bepaalde vermogensbestanddelen van Eurochem c.s. In het beslagrekest hebben Tecnimont c.s. onder andere geen melding gemaakt van een kort daarvoor afgeronde beslagprocedure in Zwitserland. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Tecnimont c.s. daarmee artikel 21 Rv hebben geschonden. Hij heeft daarom de gelegde beslagen opgeheven en Tecnimont c.s. veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, deels op andere gronden en behalve voor wat betreft de proceskosten.
2Het geding in hoger beroep
Tecnimont c.s. zijn bij dagvaarding van 7 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 april 2026 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Eurochem c.s. als eiseressen en Tecnimont c.s. als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding, met producties, bevat de grieven.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
-
memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;
-
memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 16 september 2026 hun zaak laten toelichten aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd: Tecnimont c.s. door hun advocaat en mr. N.H. Margetson, advocaat te Rotterdam, en Eurochem c.s. door hun advocaat en mr. J.J.H. Jung, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Daarbij heeft het hof bepaald dat producties 7HB en 8HB van Tecnimont c.s. niet tot de processtukken behoren omdat deze te laat zijn ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de bezwaren die Tecnimont c.s. naar voren hebben gebracht tegen de feitenopsomming in het bestreden vonnis, voor zover relevant voor de beslissing in deze zaak.
3.1.
In 2020 heeft de Russische vennootschap LLC Eurochem North-West-2 (hierna: Eurochem LLC) Tecnimont c.s. aangesteld voor de bouw van een installatie voor ammoniak- en ureumproductie in de Russische stad Kingisepp. Dit wordt ook wel het K2-project genoemd. In verband daarmee zijn tussen Eurochem LLC en Tecnimont c.s. een aantal overeenkomsten gesloten, waaronder arbitrageovereenkomsten waarin is bepaald dat geschillen worden beslecht door middel van arbitrage in Londen volgens de regels van het International Court of Arbitration (ICC).
3.2.
Eurochem AG was tot 12 december 2025 de (groot)moeder van Eurochem LLC. Daarnaast houdt zij alle aandelen in het kapitaal van de Nederlandse (tussen)holding Eurochem International. Eurochem AG hield tot 6 november 2025 50,01% van de aandelen in de Belgische naamloze vennootschap Eurochem Antwerpen N.V. (hierna: Eurochem Antwerpen), en Eurochem International 49,99%.
3.3.
In 2022 zijn Tecnimont c.s. tegen Eurochem LLC een arbitrageprocedure gestart in Londen. Kort gezegd, stellen Tecnimont c.s. in de arbitrage dat Eurochem LLC de overeenkomsten met betrekking tot het K2-project ten onrechte heeft opgezegd, nadat Tecnimont c.s. hun verplichtingen daaronder hadden opgeschort. Later hebben Tecnimont c.s. ook Eurochem AG betrokken in de arbitrage omdat zij menen dat Eurochem AG, samen met Eurochem LLC, hoofdelijk aansprakelijk is jegens Tecnimont c.s. en ook gebonden is aan de arbitrageovereenkomsten. In de arbitrage hebben Tecnimont c.s. vorderingen tegen Eurochem LLC en Eurochem AG ingesteld voor in totaal meer dan € 818 miljoen. De arbitrageprocedure is nog niet afgerond.
3.4.
Op 2 september 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam Tecnimont c.s. verlof gegeven beslag te leggen ten laste van Eurochem AG op onder andere de aandelen in Eurochem International ter verzekering van de vorderingen van Tecnimont c.s. in de arbitrage.
3.5.
Rond 2 september 2025 is Eurochem LLC een procedure gestart bij de rechtbank van Moskou. Zij heeft daarin schadevergoeding gevorderd van Tecnimont c.s. van ongeveer € 2,2 miljard op basis van rechtsgronden die in grote lijnen overeenkomen met haar tegenvorderingen in de arbitrage.
3.6.
Op 3 september 2025 hebben Tecnimont c.s. op basis van het hiervoor onder 3.4 genoemde verlof beslag gelegd op onder andere de aandelen van Eurochem AG in Eurochem International.
3.7.
Op 2 en 6 oktober 2025 heeft Eurochem LLC de rechtbank van Sint Petersburg verzocht Tecnimont c.s. te verbieden de arbitrage in Londen voort te zetten en/of andere procedures te starten tegen Eurochem LLC, met veroordeling van Tecnimont c.s. tot boetes van ongeveer € 279 miljoen respectievelijk € 546 miljoen als zij daaraan niet zouden voldoen. Deze en de hiervoor in 3.5 beschreven procedure worden hierna ook wel de Russische procedures genoemd.
3.8.
Naar aanleiding van de beslagen en de Russische procedures hebben zowel Tecnimont c.s. als Eurochem c.s. in de arbitrage het scheidsgerecht verzocht om een antisuit injunction. Het scheidsgerecht heeft zijn beslissing neergelegd in Procedural Order No. 18 van 13 oktober 2025 (hierna: PO 18). Het scheidsgerecht heeft daarin – kort gezegd – Eurochem AG en Eurochem LLC bevolen de Russische procedures te staken en Tecnimont c.s. bevolen de gelegde beslagen op te heffen. In PO 18 staat het volgende:
"6. (…) On 2 and 6 October 2025, Eurochem LLC brought proceedings before the courts in St. Petersburg to enjoin the Contractors from participating in this Arbitration. These Russian actions were clearly aimed at disrupting this Arbitration and having the underlying dispute heard before the Russian courts. (…)
- (…) the Tribunal has determined that Eurochem AG has sufficient control over both MCC Eurochem and Eurochem LLC such as to justify the relief sought by the Contractors [Tecnimont c.s., hof] against Eurochem AG in the Contractors' Revised Interim Measures Application. The Tribunal has therefore dismissed Eurochem AG's defence based on lack of control of MCC Eurochem and Eurochem LLC. (…)"
3.9.
Op 17 oktober 2025 hebben Tecnimont c.s. het beslag op de aandelen van Eurochem AG in Eurochem International opgeheven, zoals bevolen door het scheidsgerecht in PO 18.
3.10.
Op 29 oktober 2025 heeft Eurochem LLC in Rusland verlof gevraagd beslag te mogen leggen ten laste van Tecnimont c.s. tot zekerheid van haar vorderingen uit hoofde van de Russische procedures (hierna: de Russische beslagprocedure). Dit verlof is op 30 oktober 2025 verleend.
3.11.
Op 5 november 2025 hebben Tecnimont c.s. bij het scheidsgerecht een verzoek ingediend om bewarende maatregelen te mogen vragen bij bevoegde rechtbanken omdat Eurochem AG en Eurochem LLC de Russische procedures niet hebben ingetrokken zoals bevolen in PO 18.
3.12.
Op 6 november 2025 heeft Eurochem International haar aandelen in Eurochem Antwerpen overgedragen aan Eurochem AG (hierna ook: de Transactie). Op 10 november 2025 heeft Eurochem AG hiervan in de arbitrage melding gemaakt:
"18. In the interests of transparency, and to ensure that its position is fully understood, EAG [Eurochem AG, hof] confirms that on 6th November 2025 it acquired a 49.99% interest in EuroChem Antwerpen NV (EC Antwerp) from Eurochem International Holding BV ("EuroChem NL").
- EAG already owns 50.01% of EC Antwerp and this is an intragroup transaction. It is not a disposal of assets, nor does it reduce the value of assets held by EAG. Rather, the transaction simply eliminates an intermediate holding company, which has been dormant for 3 years and no longer serves a commercial purpose."
3.13.
Op 11 november 2025 heeft het scheidsgerecht in Procedural Order No. 22 (hierna: PO 22) overwogen dat het instellen van de Russische beslagprocedure een schending oplevert van de arbitrageovereenkomsten. Het scheidsgerecht heeft daarop bepaald – kort gezegd – dat Tecnimont c.s. de bevoegde instanties mag verzoeken om beslag te leggen ten laste van Eurochem AG en Eurochem LLC tot zekerheid van vorderingen uit hoofde van schadevergoeding als gevolg van het schenden van de arbitrageovereenkomsten, met een maximum van ongeveer € 100 miljoen.
3.14.
Op 21 november 2025 hebben Tecnimont c.s. verlof gevraagd aan de Rotterdamse voorzieningenrechter voor beslagen ten laste van Eurochem AG, onder andere op de aandelen van Eurochem AG in Eurochem International tot verzekering van hun vorderingen op Eurochem AG uit hoofde van schending van de arbitrageovereenkomsten voor ten hoogste € 100 miljoen. Dit verlof is op 28 november 2025 verleend.
3.15.
Op 27 november 2025 heeft de rechtbank van Moskou de vordering van Eurochem LLC voor een bedrag van ongeveer € 2 miljard toegewezen. Dat vonnis is, naar Russisch recht, uitvoerbaar.
3.16.
Op 5 december 2025 heeft Eurochem AG een zogenaamde grijsmakingsbrief (ook wel beschermingsbrief genoemd) ingediend bij het kantongerecht in Zug met het oog op een mogelijk verzoek van Tecnimont c.s. om beslag te mogen leggen onder Eurochem AG. In de Engelse vertaling hiervan staat het volgende:
"(b) No concealment of assets by the respondent [Eurochem AG, hof]
89 In view of the applicants’ [Tecnimont c.s., hof] arguments to date in the arbitration proceedings and in the context of the Dutch interim relief proceedings, it is to be expected that they will allege in an application for attachment that the respondent has taken steps or intends to take steps to transfer assets out of Switzerland and/or the EU – and thus beyond the reach of the Swiss and/or European courts.
90 Contrary to the claims the applicants are expected to make in the application for a freezing order, however, the respondent is not setting aside assets in a manner constituting an offence under Art. 271(1)(2) of the Swiss Debt Enforcement and Bankruptcy Act (SchKG):
91 As shown above (…), the respondent’s financial flows are subject to strict monitoring by SECO, based on independent half-yearly audits conducted by Advolis. The respondent fulfils this voluntary obligation in order to guarantee to SECO, the competent EU authorities and its contractual partners that it is not subject to the sanctions regime applicable in the EU and Switzerland. This is an essential prerequisite for the unimpeded business operations of the respondent and its EU subsidiaries within a complex sanctions environment. The processing of any suspicious transactions in favour of the respondent’s subsidiaries outside the EU could be regarded by Advolis and SECO as a breach of sanctions and thus lead to a reassessment of SECO’s decisions regarding the respondent. The same applies to decisions by the competent EU authorities, which are also based on Advolis’s reviews.
92 It is therefore currently, and for as long as the ring-fencing measures remain in place,
fundamentally impossible for the respondent and its affiliated companies based in the EU to
simply transfer assets – i.e. without legal grounds or for the sole purpose of transferring them
abroad – outside the EU or Switzerland (…)
94 Furthermore, the following applies: even if the applicants were to establish a credible case that the respondent had transferred assets, such transfers were not made with the intention of evading the fulfilment of the (disputed) liabilities towards the applicants. Rather, any restructuring would be attributable to the current significant operational and regulatory difficulties faced by the respondent as a result of the existing and continuously expanding sanctions measures. A current intention on the part of the respondent to frustrate the (disputed) claim of the applicants, as required by Art. 271(1)(2) SchKG, is therefore in any event not present (…)"
3.17.
Op 10 december 2025 heeft de rechtbank in Sint Petersburg (mondeling) uitspraak gedaan in de procedure genoemd in 3.7 en Tecnimont c.s. geboden de arbitrage te staken en hen veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen als zij daaraan geen gehoor geven.
3.18.
Op 12 december 2025 zijn de aandelen in Eurochem LLC overgedragen waardoor Eurochem AG niet langer (indirect) aandeelhouder is van Eurochem LLC. Eurochem AG heeft dit op 15 december 2025 laten weten aan Tecnimont c.s.
3.19.
Op 15 december 2025 heeft het scheidsgerecht – naar aanleiding van de in 3.17 genoemde veroordeling – in Procedural Order No. 26 het bedrag verhoogd waarvoor Tecnimont c.s. op grond van PO 22 beslag mogen leggen met – kort gezegd – de bedragen waartoe Tecnimont c.s. in die procedures zijn veroordeeld.
3.20.
Op 17 december 2025 hebben Tecnimont c.s. (opnieuw) verlof gevraagd aan de Rotterdamse voorzieningenrechter voor beslagen ten laste van Eurochem AG (waaronder op de aandelen van Eurochem AG in Eurochem International) tot verzekering van hun vorderingen uit hoofde van schending van de arbitrageovereenkomsten, voor ten hoogste ruim € 551 miljoen voor MTR en ruim € 320 miljoen voor Tecnimont. Dit verlof is op 19 december 2025 verleend.
3.21.
Bij brief van 23 december 2025 hebben Tecnimont c.s. de nietigheid van de Transactie ingeroepen, althans de Transactie vernietigd. Daarnaast hebben zij zich beroepen op onrechtmatigheid van de Transactie en Eurochem c.s. aansprakelijk gehouden voor de schade die zij daardoor lijden.
3.22.
Op 23 december 2025 hebben Tecnimont c.s. het kantongerecht in Zug verzocht beslag te mogen leggen onder Eurochem AG. Tecnimont c.s. hebben daarbij aangevoerd dat Eurochem AG transacties uitvoert met het enige doel activa te onttrekken aan lokale verhaalsmogelijkheden en tenuitvoerlegging van hun vorderingen te verijdelen. Tecnimont c.s. hebben in dat verband gewezen op de Transactie, die zou zijn uitgevoerd om te verhinderen dat op de aandelen in Eurochem Antwerpen in Nederland beslag zou worden gelegd, en op de verkoop van Eurochem LLC aan een Russische vennootschap. Op 29 december 2025 heeft het kantongerecht uitspraak gedaan. In de uitspraak (hierna: het Zwitserse vonnis) staat volgens de Engelse vertaling het volgende:
"The transfer of the shares held by the respondent's [Eurochem AG, hof] subsidiary (EuroChem International Holding B.V) in EuroChem Antwerpen N.V. to the respondent, as claimed by the applicants [Tecnimont c.s., hof], also does not indicate that the respondent is setting aside assets. With its substantiated statements in the protective letter, the respondent has made it more than credible that its restructuring does not serve to conceal or hide assets. Its actions do not conceal, give away, sell, encumber, destroy, damage, or otherwise conceal funds (see, for example, act. 1 Rz 87—95 and act. 1/15—1/22 in proceedings EA 2025 92). The situation would only be different if assets were transferred without any reason to a third party to whom no obligations exist. However, this is not apparent. Furthermore, the restructuring described by the applicants does not in itself, or without further evidence, constitute a preparatory act that would sufficiently indicate an intention to dispose of assets. Even without the information provided in the respondent's protective letter, the applicants' allegations would not be sufficient to establish a clear intention to remove asset[s]."
3.23.
Op 13 januari 2026 heeft Eurochem AG het scheidsgerecht op de hoogte gebracht van de poging van Tecnimont c.s. om in Zwitserland beslag te leggen op vermogensbestanddelen van Eurochem AG. Daarbij heeft Eurochem AG onder meer aangeboden zich door middel van een undertaking ertoe te verbinden Tecnimont c.s. vooraf te informeren over transacties in het kader waarvan deelnemingen in dochterondernemingen van Eurochem AG buiten de EU of Zwitserland zouden worden overgedragen (hierna: de undertaking). Op 15 januari 2025 hebben Tecnimont c.s. daarover het volgende opgemerkt:
"According to Eurochem AG's Protective Writ [grijsmakingsbrief, hof], transactions with Eurochem entities outside of Switzerland and the EU are already subject to monitoring due to ring fencing measures linked to sanctions, with exceptional transactions requiring SECO [de Zwitserse toezichthouder, hof] approval. The proposed undertaking therefore adds little, if anything, to Eurochem AG's existing obligations to SECO".
3.24.
Op 20 januari 2026 hebben Tecnimont c.s. een verzoek tot het leggen van beslag ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. In het beslagrekest hebben Tecnimont c.s. gesteld – kort gezegd – dat de transactie is verricht met het doel Tecnimont c.s. te benadelen in hun verhaalsmogelijkheden jegens Eurochem AG, waardoor Tecnimont c.s. vorderingen hebben op zowel Eurochem AG als Eurochem International uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel paulianeus handelen.
3.25.
De Haarlemse voorzieningenrechter heeft Tecnimont c.s. om een nadere toelichting gevraagd ten aanzien van de bevoegdheid, de gestelde benadeling en de wijze van begroten van de vordering. Vervolgens hebben Tecnimont c.s. het verzoek ingetrokken.
3.26.
Op 29 januari 2026 hebben Tecnimont c.s. een aangevuld beslagrekest ingediend bij de rechtbank in Amsterdam. De rechtbank Amsterdam heeft de zaak gelet op de eerdere inhoudelijke betrokkenheid van de Haarlemse voorzieningenrechter verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. Op 2 februari 2026 hebben Tecnimont c.s. het aangevulde beslagrekest ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem.
3.27.
Op 30 januari 2026 heeft Eurochem AG in de arbitrage nogmaals gewezen op het feit dat zij onder Zwitsers staatstoezicht staat en nogmaals een undertaking aangeboden dat zij geen vermogen uit haar controle zou brengen.
3.28.
Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft de Haarlemse voorzieningenrechter verlof verleend tot conservatoir beslag onder derden ten laste van Eurochem AG en Eurochem International (hierna: het Haarlemse beslagverlof).
3.29.
Op 12 februari 2026 hebben Tecnimont c.s. op grond van het Haarlemse beslagverlof ten laste van Eurochem International beslag gelegd onder een aantal banken. Verder is in België onder andere beslag gelegd op 100% van de aandelen die Eurochem AG houdt in het kapitaal van Eurochem Antwerpen. Daarop hebben Tecnimont c.s. rechtsmaatregelen genomen in België.
3.30.
Op 20 februari 2026 heeft Eurochem AG het scheidsgerecht verzocht om een bevel aan Tecnimont c.s. om de gelegde beslagen op te heffen. Op 6 maart 2026 heeft het scheidsgerecht in Procedural Order No. 30 dit verzoek afgewezen. Volgens het scheidsgerecht had het Haarlemse beslagverlof niets van doen met de vordering in de aribtrageprocedure op grond van het K2-project, maar was het gebaseerd op de aansprakelijkheid van Eurochem AG voor de Russische procedures.
3.31.
Op 26 augustus 2026 heeft het scheidsgerecht een Partial Final Award gewezen, waarin het heeft geoordeeld – kort gezegd – dat het scheidsgerecht geen bevoegdheid heeft ten aanzien van de vorderingen van Tecnimont c.s. op Eurochem AG gebaseerd op het K2-project. Het scheidsgerecht heeft nog geen oordeel gegeven over (zijn bevoegdheid ten aanzien van) de vorderingen van Tecnimont c.s. op Eurochem AG wegens schending van de arbitrageovereenkomsten als gevolg van de Russische (beslag)procedures.
4De procedure bij de rechtbank
4.1.
Samengevat en voor zover in dit hoger beroep van belang, hebben Eurochem c.s. bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, alle op grond van het Haarlemse beslagverlof gelegde conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast hebben Eurochem c.s. gevorderd dat Tecnimont c.s. worden veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 150.000 op de vergoeding van de werkelijke proceskosten, waaronder de kosten van de Belgische procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, alle op grond van het Haarlemse beslagverlof gelegde beslagen opgeheven en Tecnimont c.s. veroordeeld in de (werkelijke) proceskosten van € 48.328,57. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter was van oordeel dat Tecnimont c.s. niet hebben voldaan aan de verplichting ex artikel 21 Rv door bij het beslagrekest van 2 februari 2026 niet alle relevante informatie – met name over de Zwitserse procedure – te verstrekken en de beslagverlofrechter hierover niet juist, althans onvolledig voor te lichten. Voor de voorzieningenrechter was dit voldoende reden de beslagen op te heffen en Tecnimont c.s. te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
5De vorderingen in hoger beroep
5.1.
In het principaal hoger beroep hebben Tecnimont c.s. gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van Eurochem c.s. afwijst, met veroordeling van Eurochem c.s. in de kosten van het geding in beide instanties. Daarnaast hebben Tecnimont c.s. in een incident op de voet van artikel 351 Rv gevorderd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – de tenuitvoerlegging schorst van het bestreden vonnis voor wat betreft de volledige proceskostenveroordeling.
5.2.
Eurochem c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering van Tecnimont c.s. afwijst en het bestreden vonnis bekrachtigt, met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van Tecnimont c.s. tot betaling van een voorschot op de werkelijke proceskosten in beide instanties van € 325.000, met wettelijke rente.
5.3.
In het incidenteel hoger beroep hebben Eurochem c.s. geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover daarbij de vordering tot betaling van een voorschot van € 150.000 aan werkelijke proceskosten is afgewezen. Tecnimont c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Eurochem c.s. in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.
6De beoordeling
6.1.
In deze zaak draait het om de beslagen die Tecnimont c.s. heeft gelegd als zekerheid voor een gestelde vordering op Eurochem c.s. Deze vordering is gegrond op de stelling dat Eurochem c.s. Tecnimont c.s. hebben benadeeld door de aandelen van Eurochem International in Eurochem Antwerpen over te dragen aan Eurochem AG. Daardoor is Eurochem International niet langer aandeelhouder van Eurochem Antwerpen. Een conservatoir beslag op de aandelen in Eurochem International brengt daarom niet langer mee dat Eurochem Antwerpen (indirect) onder het beslag valt van Tecnimont c.s. In België bestaat geen mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op de aandelen die Eurochem AG houdt in Eurochem Antwerpen. De benadeling bestaat er dus uit dat de aandelen in Eurochem Antwerpen niet langer (indirect) beschikbaar zijn voor conservatoir beslag en dus voor verhaal door Tecnimont c.s. Zowel Eurochem AG als Eurochem International had de intentie om dat verhaal van Tecnimont c.s. te frustreren. Om die reden is de transactie tussen Eurochem AG en Eurochem International nietig op grond van artikel 3:40 BW, vernietigbaar op grond van artikel 3:45 BW en onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, aldus steeds Tecnimont c.s. Omwille van de leesbaarheid zal het hof deze vordering van Tecnimont c.s. ook wel aanduiden als de benadelingsvordering.
De Nederlandse rechter is bevoegd
6.2.
Deze zaak heeft internationale aspecten, omdat Tecnimont c.s. en Eurochem AG niet in Nederland zijn gevestigd. Het hof stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Eurochem c.s. tot opheffing van de beslagen omdat de beslagen zijn gelegd op grond van het beslagverlof dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft gegeven.
Tecnimont c.s. hebben belang bij het hoger beroep
6.3.
Eurochem c.s. hebben aangevoerd dat Tecnimont c.s. geen belang hebben bij het hoger beroep omdat zij niet tijdig een eis in de hoofdzaak hebben ingesteld voor de vorderingen waarvoor het Haarlemse beslagverlof was verleend. Daarmee zijn de beslagen automatisch vervallen, ongeacht de uitkomst van het hoger beroep, aldus Eurochem c.s. Het hof verwerpt dit verweer. Als het hof het bestreden vonnis voor wat betreft het opheffen van de beslagen vernietigt, zullen de beslagen herleven. Het hof zal dan ambtshalve een nieuwe termijn bepalen voor het instellen van de eis in de hoofdzaak (HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2587). Tecnimont c.s. hebben dus nog steeds belang bij dit hoger beroep.
Schending van artikel 21 Rv, maar onvoldoende ernstig voor opheffing van beslagen
6.4.
Tecnimont c.s. zijn het niet eens met het oordeel van de voorzieningenrechter dat (i) zij artikel 21 Rv hebben geschonden door in het beslagrekest niet alle relevante informatie te verstrekken en daardoor de beslagverlofrechter onvolledig voor te lichten en (ii) die schending voldoende reden vormt om de gelegde beslagen op te heffen. Het hof volgt Tecnimont c.s. hierin gedeeltelijk en licht dit als volgt toe.
6.5.
Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De verplichting van artikel 21 Rv klemt te meer bij een beslagrekest, omdat toewijzing van een dergelijk verzoek tot zeer ingrijpende gevolgen voor de wederpartij kan leiden en de voorzieningenrechter na slechts summier onderzoek en in beginsel – en ook in dit geval – op het verzoekschrift beslist zonder de wederpartij te horen. In de Beslagsyllabus staat dat artikel 21 Rv meebrengt dat in een beslagrekest melding wordt gemaakt van alle procedures, in binnen- en buitenland, nog lopend of geëindigd, die relevant zijn voor een goede beoordeling van het verzoek. Het gaat daarbij ook om procedures die inzicht geven in de (andere) verhaalsmogelijkheden voor de vorderingen waarvoor verzoeker door middel van een conservatoir beslag zekerheid wenst te verkrijgen. Als wordt vastgesteld dat een partij haar verplichting uit artikel 21 Rv heeft geschonden, dan kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Een mogelijke sanctie van schending van artikel 21 Rv in een beslagrekest is opheffing van het gelegde beslag. Voor die sanctie is met name plaats als aannemelijk is dat de beslagverlofrechter is misleid en hij het verlof niet zou hebben verleend als hij wél juist en volledig was geïnformeerd.
6.6.
Tecnimont c.s. hebben in het beslagrekest geen melding gemaakt van de Zwitserse procedure, waaronder de verweren van Eurochem AG in de grijsmakingsbrief en het Zwitserse vonnis, en de undertaking die Eurochem AG naar aanleiding van het Zwitserse vonnis heeft aangeboden in de arbitrage. De Zwitserse procedure – die kort vóór het indienen van het beslagrekest speelde – betrof een verzoek tot het leggen van beslag door Tecnimont c.s. ten laste van Eurochem AG op onder andere 30 met naam genoemde deelnemingen, 13 merkenrechten en 74 handelsdebiteuren. Het was dus een procedure in het buitenland die inzicht gaf in (andere) verhaalsmogelijkheden voor de benadelingsvordering. Daarnaast gaf de daarmee samenhangende undertaking kleur aan de mogelijkheden tot verhaal. Daarmee is gegeven dat Tecnimont c.s. in het beslagrekest openheid hadden moeten betrachten over de Zwitserse procedure, waaronder de verweren van Eurochem AG in de grijsmakingsbrief en het Zwitserse vonnis, en de aangeboden undertaking. Dat het volgens Tecnimont c.s. in de Zwitserse procedure om een andere rechtsvraag ging, doet daaraan niet af. Bij artikel 21 Rv gaat het erom dat alle informatie die relevant is voor een goede beoordeling van het verzoek op tafel komt. In welk opzicht die informatie al dan niet moet worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek, kan worden toegelicht in het beslagrekest. Een andere opvatting zou te zeer afbreuk doen aan de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting. Verder is niet van belang dat de Nederlandse advocaten van Tecnimont c.s. ten tijde van het indienen van het beslagrekest niet op de hoogte waren van het Zwitserse vonnis. De verplichting van artikel 21 Rv rust op partijen. De conclusie luidt dan ook dat Tecnimont c.s. hun verplichting uit artikel 21 Rv hebben geschonden door in het beslagrekest geen informatie te geven over de Zwitserse procedure en de daarmee samenhangende undertaking.
6.7.
De vraag is vervolgens of alleen al deze schending van artikel 21 Rv rechtvaardigt dat de gelegde beslagen worden opgeheven. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. In de Zwitserse procedure stond de vraag centraal of een beslag (voor een eventuele schadevordering op EuroChem AG wegens schending van de arbitrageovereenkomsten) gerechtvaardigd was op de grond dat Eurochem AG activa hadden onttrokken of zouden onttrekken aan het verhaal door Tecnimont c.s. Daartoe heeft de Zwitserse rechter onderzocht of aan de kant van Eurochem AG sprake was van een duidelijke intentie tot de onttrekking van activa aan haar vermogen. De conclusie luidde dat niet kon worden aangenomen dat Eurochem AG de bedoeling had zich te onttrekken aan eventuele verplichtingen of Tecnimont c.s. te verhinderen hun rechten in Zwitserland via tenuitvoerlegging te gelde te maken. Hieruit volgt nog niet (summierlijk) dat de benadelingsvordering van Tecnimont c.s. ondeugdelijk is. Die vordering heeft de Zwitserse rechter namelijk niet beoordeeld. De vraag of de overdracht van de aandelen in Eurochem Antwerpen aan Eurochem AG – in Nederlandse termen – vrees voor verduistering oplevert voor andere vermogensbestanddelen, is een andere vraag dan de vraag of die overdracht Tecnimont c.s. heeft benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. De grondslag van de Nederlandse vordering is de stelling dat Eorochem c.s. benadelend hebben gehandeld door de aandelen uit de Nederlandse vennootschap Eurochem International te halen, ook al zijn de aandelen binnen het vermogen van Eurochem AG gebleven.
6.8.
Wel is die vrees voor verduistering, die ook wordt geadresseerd in de door Eurochem AG aangeboden undertaking, van belang voor (de toewijsbaarheid van) bepaalde vormen van conservatoir beslag. Daartoe behoren niet het conservatoir derdenbeslag en het paulianabeslag, omdat voor deze vormen van conservatoir beslag vrees voor verduistering niet is vereist. Het hof stelt vast dat het overgrote deel van de verzochte beslagobjecten in deze categorieën valt. Uitsluitend voor het ten laste van Eurochem AG verzochte beslag onder Eurochem Antwerpen op 50,01% van de aandelen die Eurochem AG oorspronkelijk in haar kapitaal hield, is vrees voor verduistering vereist. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat de beslagverlofrechter het verlof voor alle andere verzochte beslagen zonder meer zou hebben geweigerd als Tecnimont c.s. in het beslagrekest wél openheid van zaken hadden gegeven over de Zwitserse procedure en zij hadden uitgelegd dat en waarom de Zwitserse procedure niet van (doorslaggevend) belang was voor de benadelingsvordering van Tecnimont c.s., zoals in hoger beroep (alsnog) is gebeurd.
6.9.
De conclusie luidt dan ook dat hoewel Tecnimont c.s. in strijd hebben gehandeld met de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 Rv door de beslagverlofrechter niet te informeren over de Zwitserse procedure en de daarmee samenhangende undertaking, deze schending niet van zodanig gewicht is dat zij zonder verdere beoordeling opheffing van de gelegde conservatoire derdenbeslagen en het (pauliana)beslag op 49,99% van de (oorspronkelijk door Eurochem International gehouden) aandelen in Eurochem Antwerpen rechtvaardigt. In zoverre slagen de grieven van Tecnimont c.s.
6.10.
Eurochem c.s. hebben nog andere argumenten aangedragen waarom Tecnimont c.s. in strijd met artikel 21 Rv zouden hebben gehandeld en de beslagen daarom zouden moeten worden opgeheven. Deze argumenten kunnen hier onbesproken blijven omdat het hof op andere gronden tot het oordeel komt dat de gelegde beslagen terecht zijn opgeheven. Het hof licht dat hierna toe.
De vordering waarvoor beslag is gelegd is ondeugdelijk – geen benadeling
6.11.
Op grond van artikel 705 Rv kan een beslag onder meer worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dat is hier het geval: van de benadelingsvordering van Tecnimont c.s. is naar het oordeel van het hof de ondeugdelijkheid summierlijk gebleken. Hiervoor is het volgende redengevend.
6.12.
De benadelingsvordering van Tecnimont c.s. is erop gegrond dat Eurochem c.s. het verhaal van Tecnimont c.s. op vermogensbestanddelen van Eurochem AG hebben gefrustreerd. Daartoe stellen Tecnimont c.s. in de kern dat zij zijn benadeeld omdat zij als gevolg van de overdracht van de aandelen in Eurochem Antwerpen aan Eurochem AG op dit moment niet in Nederland indirect (via Eurochem International) conservatoir beslag kan leggen op die aandelen. Dat laatste is op zichzelf juist, maar een conservatoir beslag is een bewarende maatregel en geen maatregel waarmee verhaal kan worden bewerkstelligd. Dat een conservatoir beslag op de aandelen in Eurochem Antwerpen nu niet langer mogelijk is, raakt Tecnimont c.s. niet in haar verhaalsmogelijkheden. De aandelen van Eurochem AG in Eurochem Antwerpen zijn niet aan verhaal onttrokken en blijven beschikbaar voor (executoriaal) verhaal voor het geval in de arbitrage komt vast te staan dat Tecnimont c.s. een vordering hebben op Eurochem AG op grond van schending van de arbitrageovereenkomsten. Daarbij is van belang dat Eurochem AG haar aandelen in Eurochem Antwerpen niet kan overdragen aan een (rechts)persoon buiten de EU of Zwitserland, omdat zij onder Zwitsers staatstoezicht staat en onderworpen is aan sanctieregelgeving. Van benadeling in de verhaalsmogelijkheden of van frustratie van verhaal door Eurochem c.s. als gevolg van de Transactie is dus geen sprake. De enkele omstandigheid dat in Nederland, anders dan in België en Zwitserland, op eenvoudige wijze conservatoir beslag kan worden gelegd, en dat die mogelijkheid door de Transactie is gefrustreerd, maakt dat in de gegeven omstandigheden niet anders. Dit brengt mee dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de Transactie nietig, vernietigbaar of onrechtmatig is. Daarmee ontvalt de basis aan de vorderingen van Tecnimont c.s. jegens Eurochem c.s. op grond van artikelen 3:40, 3:45 en 6:162 BW.
Belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel
6.13.
Naast het feit dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat Tecnimont c.s. een benadelingsvordering hebben op Eurochem c.s., biedt Eurochem AG ook na opheffing van de beslagen voldoende verhaal voor de gestelde vorderingen van Tecnimont c.s. op grond van schending van de arbitrageovereenkomsten, mocht die schending komen vast te staan. Zoals gezegd, blijven de aandelen in Eurochem Antwerpen – die volgens Tecnimont c.s. honderden miljoenen waard zijn – beschikbaar voor verhaal. Daar komt bij dat de aandelen in Eurochem Antwerpen nu volledig in handen zijn van Eurochem AG, zodat Tecnimont c.s. in het geval van verhaal onder slechts één schuldenaar hoeven te executeren. Daarnaast zijn in de Zwitserse procedure nog vele andere vermogensbestanddelen van Eurochem AG genoemd waarop verhaal door Tecnimont c.s. mogelijk is. Eurochem c.s. hebben toegelicht dat ook de andere deelnemingen van Eurochem AG beschikbaar blijven voor verhaal omdat Eurochem AG onder Zwitsers staatstoezicht staat en zij deze vermogensbestanddelen niet mag verplaatsen naar buiten de EU of Zwitserland. Tegen deze achtergrond weegt het belang van Tecnimont c.s. bij handhaving van de beslagen niet op tegen het belang van Eurochem c.s. bij opheffing daarvan.
Geen aanleiding voor volledige proceskostenveroordeling
6.14.
De voorzieningenrechter heeft Tecnimont c.s. veroordeeld in de volledige proceskosten omdat zij in het beslagrekest geen informatie hebben gegeven over de Zwitserse procedure, terwijl daarin volgens de voorzieningenrechter een voor Tecnimont c.s. ongunstige beoordeling is gegeven over de rechtsvraag die voorlag in het kader van het ingediende Haarlemse beslagrekest. De rechtbank heeft de advocaatkosten aan de zijde van Eurochem c.s. begroot op € 47.279. Hiertegen komen zowel Tecnimont c.s. als Eurochem c.s. op.
6.15.
Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934). Met inachtneming van deze terughoudendheid ziet het hof onvoldoende grond voor een veroordeling in de volledige proceskosten van de procedure bij de voorzieningenrechter. Weliswaar hadden Tecnimont c.s. openheid van zaken moeten geven over de Zwitserse procedure, maar, mede in het licht van wat hiervoor is overwogen over de betekenis van de Zwitserse procedure, is de conclusie te verstrekkend dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen sprake is. Hetzelfde geldt voor het door Eurochem c.s. genoemde (i) niet (geheel) overleggen van bepaalde procedural orders en correspondentie rondom het beslagrekest, waarbij het hof in het midden laat of daarvan daadwerkelijk sprake is, en (ii) niet informeren over de zekerheid die zou voortvloeien uit het Zwitsers staatstoezicht op Eurochem AG en de undertaking die Eurochem AG heeft aangeboden in de arbitrage. Ook kan niet worden gezegd dat de benadelingsvordering een evident kansloze vordering is. Dit brengt mee dat de grieven van Tecnimont c.s. tegen de proceskostenveroordeling slagen en het incidenteel hoger beroep – waarmee Eurochem c.s. een hoger bedrag bepleiten – in dit opzicht faalt.
Geen vergoeding van de kosten voor de Belgische procedure
6.16.
Eurochem c.s. hebben in deze procedure vergoeding gevorderd van de kosten die zij hebben gemaakt als gevolg van – kort gezegd – de beslagen die Tecnimont c.s. in België hebben gelegd. Deze vordering heeft de voorzieningenrechter afgewezen. Volgens Eurochem c.s. zijn deze kosten rechtstreeks en uitsluitend veroorzaakt door de op grond van het onrechtmatig verkregen Haarlemse beslagverlof gelegde beslagen. Deze vordering van Eurochem c.s. is een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen. Voor een dergelijke vordering geldt in kort geding de eis dat daarbij een spoedeisend belang bestaat. Eurochem c.s. hebben niet gesteld dat zij bij deze vordering een spoedeisend belang hebben. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling hebben Eurochem c.s. aangevoerd dat zowel Eurochem c.s. als Tecnimont c.s. financieel "wel tegen een stootje kunnen". Bij gebreke van een spoedeisend belang is de vordering van Eurochem c.s. in dit kort geding niet toewijsbaar. Ook in dit opzicht faalt het incidenteel hoger beroep.
Slotsom en kosten
6.17.
Het principaal hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, maar met uitzondering van de proceskostenveroordeling. Bij een afzonderlijke bespreking van de grieven en wat partijen verder hebben aangevoerd bestaat geen belang, omdat dat niet kan leiden tot een andere uitkomst van de zaak. Bij deze stand van zaken bestaat ook geen belang bij de incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv van Eurochem c.s. en het hof zal die vordering dan ook afwijzen.
6.18.
Het principaal hoger beroep slaagt voor zover het de omvang van de proceskostenveroordeling betreft. Tecnimont c.s. zijn in eerste aanleg de overwegend in het ongelijk gestelde partij zodat zij in de proceskosten moeten worden veroordeeld, echter conform het gebruikelijke liquidatietarief. De proceskosten van de eerste aanleg stelt het hof als volgt vast:
-
explootkosten € 125,57
-
griffierecht € 735,00
-
salaris advocaat € 1.766,00 (tarief Handel-KG, complex)
-
nakosten € 189,00 +
Totaal € 2.815,57
6.19.
Tecnimont c.s. en Eurochem c.s. zijn in het principaal hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld en het hof zal de proceskosten daarom compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het incidenteel hoger beroep heeft geen succes en daarom zullen Eurochem c.s. worden veroordeeld in de kosten daarvan. Het hof stelt de proceskosten van het incidenteel hoger beroep vast op € 1.290 (tarief II, 2 punten x 0,5). Voor een proceskostenveroordeling in het incident op grond van artikel 351 Rv ziet het hof geen aanleiding omdat de kosten daarvan nihil bedragen.
7De beslissing
Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling en vernietigt het bestreden vonnis in zoverre;
en doet opnieuw recht:
7.2.
veroordeelt Tecnimont c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg, vastgesteld op € 2.815,57;
7.3.
wijst de incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv van Tecnimont c.s. af;
7.4.
compenseert de proceskosten in het principaal hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.5.
veroordeelt Eurochem c.s. in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.290;
7.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.7.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, M.M.M. Tillema en Y. Steeg-Tijms en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.