I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026 »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:GHAMS:2026:2968 Gerechtshof Amsterdam , 20-10-2026 / 200.366.524/01 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden beëindigd vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW). Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Omdat een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontbreekt, komt het hof niet toe aan de vraag of ISA aan het herplaatsingsvereiste heeft voldaan. Het hof wijst het verzoek van [geïntimeerde] tot wedertewerkstelling in haar eigen functie toe. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, H.T. van der Meer en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.366.524/01
zaaknummer rechtbank : 11820116 EA VERZ 25-874
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
inzake
STICHTING THE INTERNATIONAL SCHOOL OF AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.H. Castenmiller-van Hoorn te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D. Dekker te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna ISA en [geïntimeerde] genoemd.
1Zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden beëindigd vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW). Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Omdat een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontbreekt, komt het hof niet toe aan de vraag of ISA aan het herplaatsingsvereiste heeft voldaan. Het hof wijst het verzoek van [geïntimeerde] tot wedertewerkstelling in haar eigen functie toe.
2Geding in hoger beroep
In deze zaak is op 19 augustus 2026 een beschikking in het incident ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitgesproken (hierna: beschikking in het incident).
Daarin heeft het hof het verzoek van [geïntimeerde] tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin toegewezen dat ISA is veroordeeld om [geïntimeerde] uiterlijk per 24 augustus 2026 daadwerkelijk toe te laten tot het verrichten van werkzaamheden als docent (teacher) bij ISA, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De beslissing over de proceskosten is aangehouden tot de beschikking in de hoofdzaak.
Voor het verloop van het geding wordt verwezen naar de beschikking in het incident.
De beschikking in de hoofdzaak is aan het einde van de mondelinge behandeling op 19 augustus 2026 bepaald op heden.
3Feiten
De kantonrechter heeft onder 1.1 tot en met 1.15 van de bestreden beschikking feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Voor zover over de juistheid van deze feitenvaststelling geen geschil bestaat, zal ook het hof van die feiten uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.1. ISA is een particuliere internationale school in Amstelveen. ISA verzorgt onderwijs voor ongeveer 1100 leerlingen in de leeftijd van twee tot achttien jaar, verdeeld over drie categorieën:
Nursery en Kindergarten, Early Years / Pre-school (kleuterklassen);
Lower School, Grades 1 tot en met 5 (basisschool) en
Upper School, Grades 6 tot en met 12 (middelbare school).
3.2. ISA heeft ongeveer 315 werknemers in dienst. ISA valt niet onder de werkingssfeer van de Nederlandse onderwijswetgeving en ontvangt geen financiering van de overheid. ISA moet voldoen aan eisen van internationale accreditatieorganisaties en de kosten van het onderwijs worden betaald door de ouders van de leerlingen of hun werkgevers.
3.3. Naast de reguliere docentfuncties kent ISA aanvullende taken en rollen en zogenoemde ‘stipend roles’. De aanvullende taken en rollen worden tijdelijk door docenten vervuld indien hun werklast daarvoor ruimte biedt. Deze taken en rollen kunnen rouleren en worden per schooljaar toegewezen aan een docent die daarvoor binnen zijn of haar werklast ruimte heeft. Voorbeelden hiervan zijn rollen met betrekking tot leerlingondersteuningsprogramma’s, zoals Service Action coördinator en Tutored Language coördinator. Stipend roles betreffen meer structurele taken die docenten naast hun reguliere functie als docent vervullen en waarvoor zij een aanvullende vergoeding ontvangen. Een voorbeeld daarvan is de rol van head of department.
3.4. Het totale leerlingenaantal van ISA bedroeg in de afgelopen schooljaren:
2020/2021: 1331
2021/2022: 1285
2022/2023: 1277
2023/2024: 1271
2024/2025: 1230
2025/2026: 1127
In het huidige schooljaar (2026/2027) telt ISA in totaal 1075 leerlingen.
3.5.
[geïntimeerde] , geboren op [datum] , is op 4 maart 2019 in dienst getreden bij ISA als docent Mandarijn B / Chinees (hierna: Mandarijn). Haar salaris bedraagt € 6.008,87 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een werkweek van veertig uur. Als docent Mandarijn is [geïntimeerde] verantwoordelijk voor de planning, uitvoering en beoordeling van het Mandarijn B-curriculum binnen het zogenoemde Middle Years Programme (Grades 6 tot en met 10). Tot juli 2025 vervulde [geïntimeerde] ook de rol van Service Action coördinator.
3.6. ISA heeft twee docenten Mandarijn in dienst, [geïntimeerde] en [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is sinds 2012 werkzaam bij ISA. In 2020 heeft ISA de contractsomvang van [naam 1] uitgebreid van 83% naar 100%.
3.7. Het aantal leerlingen dat het vak Mandarijn volgde, bedroeg in de afgelopen schooljaren:
2020/2021: 55
2021/2022: 66
2022/2023: 72
2023/2024: 65
2024/2025: 53
2025/2026: 58
In het huidige schooljaar (2026/2027) zijn 55 leerlingen ingeschreven voor het vak Mandarijn.
3.8. In januari 2025 heeft ISA besloten om één van de twee functies van docent Mandarijn met ingang van het schooljaar 2025/2026 te laten vervallen, omdat volgens haar sprake is van een structurele overbezetting en één fulltime docent de werklast van alle leerlingen Mandarijn aankan. ISA hanteert daarbij als uitgangspunt een minimum van acht leerlingen per klas, omdat een klas met minder leerlingen financieel niet kostendekkend is. Op grond van het afspiegelingsbeginsel komt volgens ISA de functie van [geïntimeerde] voor verval in aanmerking, omdat [naam 1] langer bij ISA in dienst is.
3.9. In een gesprek op 9 januari 2025 heeft [naam 2] , Head of Upper School (hierna: [naam 2] ) [geïntimeerde] meegedeeld dat haar functie met ingang van het volgende schooljaar zou komen te vervallen.
3.10. In een gesprek op 15 januari 2025 hebben [naam 3] , directeur (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] , hoofd HR (hierna: [naam 4] ) [geïntimeerde] meegedeeld dat zij geen herplaatsingsmogelijkheden voor haar binnen de organisatie zagen. Op diezelfde dag is [geïntimeerde] een vaststellingsovereenkomst aangeboden ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dit gesprek heeft ISA te kennen gegeven dat zij zich gedurende het resterende schooljaar zou inspannen om [geïntimeerde] binnen ISA te herplaatsen.
3.11. Sinds de mededeling dat haar functie zou komen te vervallen, hebben diverse gesprekken over herplaatsing plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en met name [naam 4] . [geïntimeerde] heeft vanaf januari 2025 intern op enkele functies gesolliciteerd. Volgens ISA was bij die functies geen sprake van gelijke geschiktheid of van een situatie waarin [geïntimeerde] daarvoor geschikt kon worden gemaakt en op die grond voorrang bij plaatsing had kunnen krijgen.
3.12. Op 8 april 2025 heeft ISA het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) verzocht toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Bij beslissing van 26 juni 2025 heeft het UWV die toestemming geweigerd. Het UWV heeft daartoe – samengevat – overwogen dat ISA met de overgelegde financiële stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom juist nu sprake zou zijn van een bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsplaats van [geïntimeerde] structureel te laten vervallen, dat ISA in dit kader in het geheel niet heeft toegelicht welke feiten en/of omstandigheden juist nu anders zijn dan in afgelopen jaren en dat een dergelijke toelichting van haar had mogen worden verwacht.
3.13. ISA heeft [geïntimeerde] na de beslissing van het UWV niet meer toegelaten tot haar werkzaamheden als docent Mandarijn en evenmin tot haar werkzaamheden in de rol van Service Action coördinator. Vanaf augustus 2025 heeft [geïntimeerde] tijdelijk, op vervangingsbasis, lessen Engels verzorgd als alternatief voor de aangeboden vrijstelling van werkzaamheden.
4Procedure in eerste aanleg
4.1. ISA heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op grond van bedrijfseconomische redenen per de eerst mogelijke datum te ontbinden.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en primair verzocht het ontbindingsverzoek van ISA af te wijzen. [geïntimeerde] heeft daarbij verzocht ISA te veroordelen om haar, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen twee weken na de datum van de beschikking toe te laten tot haar werkzaamheden als docent Mandarijn, dan wel tot een andere passende functie. Hierbij heeft [geïntimeerde] verzocht ISA te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.3. De kantonrechter heeft bij beschikking van 19 december 2025 het ontbindingsverzoek van ISA afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter – samengevat – het volgende overwogen. Voldoende is gebleken dat het handhaven van twee functies docent Mandarijn onder de gegeven omstandigheden in strijd is met een doelmatige bedrijfsvoering. Daarmee is sprake van bedrijfseconomische reden om één van de twee functies van docent Mandarijn te laten vervallen. Omdat [geïntimeerde] korter in dienst is dan haar collega, komt haar functie op grond van het afspiegelingsbeginsel te vervallen. De kantonrechter heeft verder overwogen dat, hoewel partijen met elkaar in gesprek waren, niet geheel duidelijk is geworden welke concrete inspanningen ISA heeft verricht om [geïntimeerde] te herplaatsen, anders dan haar te wijzen op vacatures. De functie van Wellness Teacher was ten tijde van de (mondelinge) behandeling bij de kantonrechter nog beschikbaar en zou per augustus 2026 van start gaan. Hoewel ISA zich op het standpunt heeft gesteld dat [geïntimeerde] niet beschikt over de kwalificaties voor deze functie, heeft ISA volgens de kantonrechter onvoldoende aangetoond dat [geïntimeerde] voor die functie niet geschikt zou zijn of binnen afzienbare tijd geschikt zou kunnen worden gemaakt. De kantonrechter heeft daarom het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen en ISA veroordeeld [geïntimeerde] per augustus 2026 toe te laten tot de passende functie van Wellness Teacher. De kantonrechter heeft daarbij overwogen ervan uit te gaan dat partijen hierover passende afspraken zullen maken en dat daarbij geen veroordeling op straffe van een dwangsom past. De verzochte dwangsom is daarom afgewezen. De kantonrechter heeft ISA veroordeeld in de proceskosten.
4.4. In de beschikking van 19 december 2025 had de kantonrechter aanvankelijk alleen de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op verzoek van [geïntimeerde] en nadat ISA daarover was gehoord, heeft de kantonrechter op 24 april 2026 de beschikking verbeterd, in die zin dat alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.
5Procedure in hoger beroep
5.1. ISA is van de bestreden beschikking in principaal hoger beroep gekomen en heeft vijf beroepsgronden aangevoerd. ISA verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] alsnog te ontbinden per de eerst mogelijke datum, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure van beide instanties. Het hof begrijpt dit verzoek zo dat ISA het hof verzoekt op grond van artikel 7:683 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] eindigt.
5.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, voor zover het ontbindingsverzoek is afgewezen, is geoordeeld dat ISA het herplaatsingsvereiste heeft geschonden en [geïntimeerde] per augustus 2026 tot de functie van Wellness Teacher moet worden toegelaten. Voor het geval het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden (het hof begrijpt: voor het geval het hof bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt), verzoekt [geïntimeerde] subsidiair ISA te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 40.000,- bruto.
5.3.
[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat het handhaven van twee functies van docent Mandarijn in strijd is met een doelmatige bedrijfsvoering en haar verzoek tot toelating tot haar eigen functie is afgewezen. [geïntimeerde] verzoekt het hof in dat verband:
te bepalen dat ISA onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een redelijke bedrijfseconomische grond voor het structureel vervallen van de arbeidsplaats van [geïntimeerde] , en
ISA op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen [geïntimeerde] toe te laten tot haar werkzaamheden als docent Mandarijn.
Hierin ligt naar het oordeel van het hof besloten dat [geïntimeerde] verzoekt de veroordeling van ISA om [geïntimeerde] per augustus 2026 toe te laten tot de passende functie van Wellness Teacher te vernietigen, voor het geval het hof de primaire verzoeken van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep zal toewijzen. In zowel principaal als incidenteel hoger beroep verzoekt [geïntimeerde] ISA te veroordelen in de kosten van de procedure en de beschikking van het hof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
5.4. ISA heeft in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van dat beroep, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
5.5. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
6Beoordeling
6.1. Het principaal en incidenteel hoger beroep hebben betrekking op de vraag of de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] dient te eindigen wegens het vervallen van haar arbeidsplaats (de a-grond). De gronden en verzoeken zullen hierna per onderwerp gezamenlijk worden behandeld.
6.2.
Het hof stelt voorop dat het UWV ISA geen toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op te zeggen en dat de kantonrechter daarna het verzoek van ISA tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft afgewezen. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen ISA en [geïntimeerde] nog steeds voortduurt. Het hof dient op grond van artikel 7:683 lid 5 BW aan de hand van de hem ten tijde van zijn beslissing bekende feiten en omstandigheden (‘ex nunc’) te beoordelen of de kantonrechter het ontbindingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen.
Geen sprake van het noodzakelijkerwijs vervallen van de arbeidsplaats als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden
6.3. Een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd als daarvoor een redelijke grond bestaat én herplaatsing van de werknemer binnen redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). In artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW is als een redelijke grond onder meer aangemerkt het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Het is aan ISA om voldoende aannemelijk te maken dat de door haar gestelde bedrijfseconomische omstandigheden het treffen van de gekozen maatregel noodzakelijk maken, en dat als gevolg daarvan de arbeidsplaats van [geïntimeerde] , over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs komt te vervallen. Daarbij komt ISA als werkgever ruimte toe bij de inrichting van haar onderneming en de keuze van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Dat neemt niet weg dat het voor het hof voldoende inzichtelijk moet zijn welke bedrijfseconomische omstandigheden tot de gekozen maatregel hebben geleid en waarom een doelmatige bedrijfsvoering noodzaakt tot het structureel vervallen van de arbeidsplaats van [geïntimeerde] .
6.4. Ter onderbouwing van haar stelling dat de arbeidsplaats van [geïntimeerde] wegens bedrijfseconomische omstandigheden dient te vervallen, heeft ISA – samengevat – het volgende aangevoerd. Er volgen structureel te weinig leerlingen het vak Mandarijn om in voldoende werkzaamheden voor twee fulltime docenten te voorzien. ISA hanteert een minimale omvang van acht leerlingen per klas en bij een lager aantal leerlingen is het aanbieden van het vak verliesgevend. Dat betekent dat er voor twee fulltime docenten minimaal tachtig leerlingen het vak moeten volgen om het onderwijs in ieder geval kostenneutraal te kunnen geven. De afgelopen zes schooljaren lag het leerlingenaantal voor het vak Mandarijn structureel lager dan tachtig en in het huidige schooljaar (2026/2027) volgen slechts 55 leerlingen het vak Mandarijn. ISA heeft met cijfers en concrete lesroosters onderbouwd dat sprake is van halfvolle klassen en invulling van slechts zes dan wel acht van de twaalf voor een fulltime docent beschikbare lesblokken (productie 9 bij verzoekschrift in eerste aanleg). ISA heeft in de afgelopen jaren opengebleven lesblokken ingevuld met tijdelijke werkzaamheden voor [geïntimeerde] en haar collega, maar dit zijn geen structurele taken die bij haar functie horen. Deze werkzaamheden bestaan uit rollen en tijdelijke taken die jaarlijks rouleren onder docenten zo lang deze nodig zijn. Er is sprake van een jarenlange feitelijke overbezetting die in strijd is met een doelmatige bedrijfsvoering, aldus nog steeds ISA.
6.5.
[geïntimeerde] bestrijdt dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak om één van de twee arbeidsplaatsen van docent Mandarijn te laten vervallen. Daartoe heeft zij – samengevat – aangevoerd dat het aantal leerlingen Mandarijn niet is gedaald maar juist is gestegen en dat beide docenten Mandarijn in de afgelopen jaren een volledige werkbelasting hebben gehad. Voor zover sprake is van te kleine klassen heeft ISA dat zelf gecreëerd door, nadat [geïntimeerde] was aangenomen, de arbeidsomvang van de andere docent Mandarijn te verhogen van 83% naar 100%. Daarnaast bestaan de werkzaamheden van [geïntimeerde] niet uitsluitend uit het verzorgen van lessen Mandarijn, maar ook uit het begeleiden van mentorklassen en het uitvoeren van de rol van Service Action coördinator. Deze taken werden zonder enige toelichting na de beslissing van het UWV van haar afgenomen en aan andere collega’s toebedeeld, waardoor ISA moedwillig een boventallige situatie heeft gecreëerd. Daarbij laten de jaarcijfers van ISA over de afgelopen jaren zien dat ISA een financieel gezonde organisatie is. Voornoemde omstandigheden en deze cijfers vormen geen aanleiding voor een bedrijfseconomisch ontslag, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
6.6. Het hof stelt allereerst vast dat ISA het dossier dat zij bij het UWV heeft ingediend voor haar verzoek om toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wegens bedrijfseconomische redenen, niet heeft ingebracht in deze procedure. Het hof baseert zijn oordeel daarom op hetgeen ISA in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gesteld en de stukken die zij daarbij heeft overgelegd.
6.7. Partijen zijn het erover eens dat het totale leerlingenaantal van ISA in de afgelopen schooljaren is gedaald (in zes jaar met bijna twintig procent, zie onder 3.4). Met ISA is het hof van oordeel dat dit een aanleiding kan zijn om op enig moment te moeten ingrijpen in de organisatie om de omvang van de totale formatie aan te passen aan een afgenomen leerlingenaantal. Wel dient daarbij tenminste enig inzicht te worden gegeven in (de gevolgen van de gemaakte keuzes voor) de financiën en – belangijker – in de gemaakte keuzes ten aanzien van de formatie. In dit geval is gekozen voor verval van de functie van docent Mandarijn, terwijl het aantal leerlingen dat het vak Mandarijn volgt sinds de indiensttreding van [geïntimeerde] , anders dan het totale leerlingenaantal van ISA, min of meer stabiel is gebleven (zie de hiervoor onder 3.7 weergegeven leerlingenaantallen voor het vak Mandarijn). In het huidige schooljaar zijn 55 leerlingen voor het vak Mandarijn aangemeld. Van een relevante, recente daling van het aantal leerlingen dat in de afgelopen schooljaren het vak Mandarijn volgt, is dus niet gebleken. In relatie tot het totale leerlingenaantal van ISA is het aandeel leerlingen dat Mandarijn volgt zelfs licht gestegen.
6.8. ISA heeft haar onderbouwing (nagenoeg) uitsluitend toegespitst op de situatie binnen het vak Mandarijn, maar heeft niet toegelicht hoe zij de personeelsformatie schoolbreed heeft beoordeeld. Zo heeft zij niet inzichtelijk gemaakt hoe de verhouding is tussen leerlingenaantallen en docenten bij andere vakken binnen de Upper School. Evenmin is duidelijk geworden of het door ISA gestelde minimumaantal van acht leerlingen per klas bij andere vakken wordt gehaald en hoe de beschikbare lesblokken van docenten bij die vakken worden ingevuld. Het hof kan daarom niet beoordelen hoe het aantal leerlingen, de groepsgrootte en de docentencapaciteit binnen het vak Mandarijn zich verhoudt tot de personeelsbezetting binnen de Upper School als geheel. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is voor het hof niet duidelijk waarom juist binnen het vak Mandarijn, waarin het leerlingenaantal min of meer stabiel is gebleven terwijl het totale leerlingenaantal is gedaald, structureel een arbeidsplaats dient te vervallen.
6.9. Het hof overweegt verder dat ISA onvoldoende inzicht heeft gegeven in de toekomstige ontwikkeling van het aantal leerlingen dat – naar verwachting – het vak Mandarijn zal volgen. Op de zitting in hoger beroep heeft ISA gewezen op het aantal leerlingen in de lagere klassen en de doorstroom naar de Upper School, maar zij heeft de door haar gestelde prognoses niet met concrete gegevens of stukken onderbouwd en [geïntimeerde] heeft op haar beurt gewezen op de effecten van zij-instroom en op de grotere instroom in de lagere klassen. Ook in dit opzicht ontbreekt een voldoende concrete toelichting en onderbouwing.
6.10. Het hof acht verder van belang dat ISA in 2020 de arbeidsomvang van [naam 1] heeft uitgebreid van 83% naar 100%. Uit de stukken en de toelichting op de zitting in hoger beroep volgt dat deze uitbreiding was ingegeven door de wens om [naam 1] haar aanspraak te laten behouden op de fiscale vrijstelling voor expatwerknemers. Door ISA is niet toegelicht waarom deze uitbreiding (zeker in het licht van de gestelde ‘overbezetting’ waar toen al sprake van zou zijn) niet een tijdelijk karakter heeft gekregen. Als gevolg van deze keuze van ISA is [geïntimeerde] structureel één klas minder gaan lesgeven. Daarmee is de door ISA gestelde overbezetting binnen het vak Mandarijn mede het gevolg van een eerdere keuze van ISA zelf.
6.11. Hetgeen ISA heeft aangevoerd over de verhouding tussen de werkzaamheden van [geïntimeerde] als docent Mandarijn en haar andere (aanvullende) werkzaamheden, maakt het voorgaande niet anders. ISA heeft haar beroep op de a-grond immers uitsluitend gebaseerd op het verzorgen van lessen Mandarijn. Bovendien staat tussen partijen vast dat aanvullende taken onder docenten (kunnen) rouleren. Niet is gesteld of gebleken dat en waarom de bestaande verhouding tussen lesgevende en overige taken niet langer houdbaar was.
6.12. Verder heeft ISA de door haar gestelde overige personele maatregelen onvoldoende geconcretiseerd. ISA heeft bijvoorbeeld toegelicht dat zij in de afgelopen jaren arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet heeft verlengd, maar deze stelling is niet nader onderbouwd. Zo is niet duidelijk om hoeveel arbeidsovereenkomsten het gaat, op welke functies deze betrekking hadden en in hoeverre het niet-verlengen daarvan verband hield met de door haar gestelde bedrijfseconomische omstandigheden. De enkele stelling dat ook tijdelijke arbeidsovereenkomsten niet zijn verlengd, is daartoe onvoldoende. Daarnaast is op de zitting in hoger beroep gebleken dat [geïntimeerde] de enige docent is met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van wie de arbeidsplaats als gevolg van de door ISA gekozen maatregel structureel zou komen te vervallen. Dit gegeven sluit op zichzelf niet uit dat het vervallen van een arbeidsplaats noodzakelijk is, maar het onderstreept wel dat van ISA een betere en voldoende concrete toelichting mag worden verlangd waarom zij binnen de schoolbrede personeelsformatie juist voor deze maatregel heeft gekozen.
6.13. Tot slot heeft ISA onvoldoende inzicht gegeven in de financiële noodzaak van de gekozen maatregel. ISA heeft weliswaar toegelicht dat zij uitgaat van minimaal acht leerlingen per klas om kostendekkend onderwijs te kunnen aanbieden, maar dat zij dat beginsel daadwerkelijk schoolbreed toepast heeft zij niet gesteld of nader met stukken onderbouwd. Dat het minimumaantal van tachtig leerlingen voor twee fulltime docenten niet wordt gehaald, zoals ISA heeft gesteld, mag zo zijn, maar het hof stelt vast dat dit aantal in de afgelopen zes jaren in geen enkel schooljaar is gehaald. Dit minimumaantal werd ook al bij de indiensttreding van [geïntimeerde] in 2019 niet gehaald. De situatie waarvan ISA thans stelt dat deze noopt tot het vervallen van de arbeidsplaats van [geïntimeerde] , bestaat dus al vanaf de indiensttreding van [geïntimeerde] . Dat hoeft er op zichzelf genomen ook niet aan in de weg te staan dat ISA alsnog besluit haar personeelsformatie aan te passen, maar dan ligt het wel op haar weg om inzicht te geven in de financiële gevolgen van de gekozen maatregel binnen het geheel van de financiën, mede in relatie tot de financiële gevolgen van de overige reeds genomen maatregelen. Dat heeft ISA niet gedaan, terwijl anderzijds niet in geschil is dat ISA jaarlijks aanzienlijk positieve resultaten behaalt. Van een financiële noodzaak is dus niet gebleken.
Tussenconclusie – een redelijke grond ontbreekt
6.14. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de arbeidsplaats van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs komt te vervallen, als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Daarmee ontbreekt een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] , voor zover dat is gericht tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter, slaagt in zoverre.
Principaal hoger beroep
6.15. Omdat hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst, komt het hof niet toe aan de vraag of herplaatsing van [geïntimeerde] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie, mogelijk was of in de rede lag. De eerste drie beroepsgronden van ISA in het principaal hoger beroep hebben betrekking op de herplaatsing van [geïntimeerde] en behoeven daarom geen inhoudelijke bespreking.
6.16. Wat hiervoor is overwogen, brengt mee dat de vierde beroepsgrond, waarmee ISA opkomt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt, omdat ISA in eerste aanleg terecht als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld. De vijfde beroepsgrond van ISA betreft een zogenoemde ‘veeggrond’ zonder zelfstandige betekenis en behoeft daarom evenmin afzonderlijke bespreking.
Verzochte wedertewerkstelling wordt toegewezen
6.17. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt en het verzoek van ISA tot beëindiging daarvan zal worden afgewezen. Bij het daarmee voortduren van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst past, desgevraagd, in beginsel de toelating van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid. Er zijn geen gronden gesteld of gebleken om in dit geval van toepassing van dit beginsel af te wijken. Het hof zal de door [geïntimeerde] verzochte veroordeling van ISA om haar binnen 48 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot haar werkzaamheden als docent Mandarijn, met alle daarbij behorende werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden, toewijzen, zoals hierna vermeld. Het hof ziet aanleiding om hieraan, als verzocht, een dwangsom verbinden, omdat ISA aan een eerdere veroordeling om [geïntimeerde] toe te laten tot werkzaamheden geen gevolg heeft gegeven. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] , voor zover dat is gericht tegen afwijzing van dit verzoek door de kantonrechter, slaagt.
Slotsom
6.18. Het hof passeert het bewijsaanbod van ISA om [naam 3] , [naam 2] , [naam 4] en andere werknemers van ISA te horen over onder meer de bedrijfseconomische omstandigheden omdat hetgeen daaromtrent is gesteld onvoldoende is.
6.19. De slotsom is dat het incidenteel hoger beroep slaagt en dat het principaal hoger beroep niet slaagt. ISA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van het incident.
7Beslissing
Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst is afgewezen en voor zover ISA in de kosten van de procedure (in eerste aanleg) is veroordeeld;
vernietigt de bestreden beschikking voor het overige;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
-
veroordeelt ISA om [geïntimeerde] binnen 48 uur na deze beschikking toe te laten tot haar werkzaamheden als docent Mandarijn B, met alle daarbij behorende werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden;
-
veroordeelt ISA om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 750,- bruto per dag dat ISA na de betekening van deze beschikking niet voldoet aan bovenstaande veroordeling, tot een maximum van € 50.000,- bruto is bereikt;
-
veroordeelt ISA in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep waaronder het incident, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.953,- in principaal hoger beroep (€ 373,- griffierecht plus € 2.580,- voor salaris advocaat (tweemaal tarief II), op € 1.290,- in incidenteel hoger beroep (tweemaal de helft van tarief II), en op € 645,- voor het incident (eenmaal de helft van tarief II).
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, H.T. van der Meer en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.