GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.373.517/01 (nevenvoorzieningen es) en 200.364.745/01 (verdeling)
zaaknummers rechtbank: C/13/753589 / FA RK 24-4548 en C/13/773981 / FA RK 25-6096
beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats A] , feitelijk verblijvende te Egypte,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Azauiyat te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. K.E. van Hoeve te Sneek.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] (5 jaar), de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
1.2
De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepaald en de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen gelast en in dat kader onder meer over een woning met garage in Egypte en de onderneming van de man beslist. De vrouw is het voor wat betreft die woning en de onderneming van de man niet eens met de wijze van verdeling en de man met de vastgestelde hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De vrouw is op 10 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De man heeft op 30 maart 2026 een verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep tevens wijzing verzoek, ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 27 mei 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft voorts een bericht van de vrouw van 28 augustus 2026 met bijlage ontvangen.
2.5
De zitting heeft op 3 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de vrouw (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat en (een deel van de zitting) door J. Alkinani, een tolk in de Egyptisch-Arabische taal;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Voorafgaand aan de zitting heeft het hof op verzoek van de vrouw, gehoord partijen, beslist dat de vrouw, vanwege het feit dat zij momenteel in Egypte verblijft, via een videoverbinding aan de zitting kan deelnemen.
3De feiten
3.1
Partijen zijn [in] 2016 te [plaats B] (Egypte) gehuwd in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 28 april 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats C] .
3.3
De vrouw heeft de Egyptische nationaliteit en inmiddels (ook) de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben en de man een kinderalimentatie van € 462,- per maand aan de vrouw dient te betalen met ingang van 17 november 2025. Daarnaast is met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap, voor zover hier van belang, overwogen dat de vrouw er niet in is geslaagd om te bewijzen dat per peildatum ontbinding huwelijksgemeenschap (11 juli 2024) de woning met garage in Egypte tot de huwelijksgemeenschap behoorde.
De rechtbank heeft ten aanzien van de waardering van de onderneming van de man overwogen dat het niet gaat om de activa van de onderneming maar enkel om de (belasting)schulden gerelateerd aan de onderneming. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden.
Principaal hoger beroep
4.2
De vrouw verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, primair te bepalen dat de woning met garage in Egypte volledig aan de vrouw toekomt, subsidiair dat aan haar de helft van de waarde van de woning met garage in Egypte toekomt.
Daarnaast verzoekt zij de man te gelasten volledige openheid van zaken te verschaffen door inzage te geven in de jaarcijfers van de onderneming, waaronder de verzonden aangiften inkomstenbelasting, de aanslagen en de jaarstukken van de onderneming. Voor wat betreft deze onderneming van de man ( [X] ) verzoekt de vrouw primair te bepalen dat de onderneming bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, met dien verstande dat het vermogen van de onderneming bij gelijke helften aan beide partijen toekomt en dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden van de onderneming. Subsidiair verzoekt zij te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de schulden van de onderneming.
4.3
De man verzoekt de door de vrouw tegen de bestreden beschikking aangevoerde grieven als ongegrond af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.
Incidenteel hoger beroep
4.4
De man verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en (voorwaardelijk) de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 55,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.
4.5
De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele vorderingen aangaande de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie, dan wel de vorderingen af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Hoofdverblijfplaats (incidentele grief 1)
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Op de bevoegdheid ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid is de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) van toepassing. Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
5.2
De vrouw heeft aangevoerd dat het hof onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem, omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het incidentele verzoek en bij aanvang van de procedure in hoger beroep zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland, maar in Egypte had.
5.3
De man is van mening dat het hof wel degelijk bevoegd is van dit verzoek kennis te nemen, gelet op artikel 7 Brussel II-ter. De gewone verblijfplaats van [minderjarige] was in Nederland. De vrouw heeft slechts toestemming gekregen van de man om op vakantie te gaan naar Egypte, maar zij is niet meer teruggekomen. Zij verblijft daar slechts tijdelijk en zij geeft steeds aan dat zij zo spoedig mogelijk naar Nederland wil terugkeren. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is volgens de man daarom niet gewijzigd, maar nog steeds in Nederland.
5.4
De vrouw heeft haar inleidende verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in juli 2024 bij de rechtbank ingediend, zodat de zaak op die datum aanhangig is gemaakt. De man heeft in eerste aanleg eveneens verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. In hoger beroep verzoekt hij voor het eerst op 30 maart 2026 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen. Gelet op het voorgaande ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de gewone verblijfplaats van [minderjarige] zich op 30 maart 2026 in Nederland bevond.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 17 november 2025 bij de rechtbank maakt het hof op dat de vrouw met [minderjarige] sinds de voorlopige voorziening procedure in augustus 2025 met toestemming van de vader naar Egypte is vertrokken. De moeder en [minderjarige] hebben eerst een periode in een appartement van de vader in Egypte verbleven en verblijven nu noodgedwongen en tijdelijk in afwachting van hun terugkeer naar Nederland bij de familie van de moeder. Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op 30 maart 2026 en ook op dit moment nog altijd in Nederland is gelegen, omdat de vrouw, zoals zij zelf ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, zo snel mogelijk weer terug wil naar Nederland en zij geen intentie heeft om in Egypte te blijven wonen met [minderjarige] . De Nederlandse rechter is dan ook bevoegd om van het verzoek van de man kennis te nemen.
5.5
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief opgeworpen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Standpunten partijen
5.6
De man verzoekt wijziging van de hoofdverblijfplaats, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. De man maakt zich ernstige zorgen over de leefsituatie van [minderjarige] in Egypte. De vrouw zou in juli 2025 tijdelijk naar haar ouders in Egypte gaan met [minderjarige] , maar tot op heden is zij niet teruggekeerd naar Nederland. In het begin is er drie maanden geen contact geweest tussen de man en [minderjarige] . Inmiddels is er wel regelmatig videobelcontact. Als de man in Egypte is, mag hij van de vrouw [minderjarige] alleen kort zien bij haar ouders thuis. De man acht een wijziging van zijn hoofdverblijfplaats niet zonder meer in het belang van [minderjarige] , maar tegelijkertijd kan de man wel stabiliteit bieden. [minderjarige] is net vijf jaar geworden en zal naar school moeten. De man werkt van 7.00 uur tot 15.00 uur en is daarna in staat om voor [minderjarige] te zorgen in de echtelijke woning. Voorafgaand aan school kan [minderjarige] naar de voorschoolse opvang. De man gunt [minderjarige] een jeugd in Nederland met zijn beide ouders. Hij erkent dat hij af en toe een joint rookt, maar zeker niet in het bijzijn van [minderjarige] . Hij betwist met klem dat [minderjarige] ooit in het ziekenhuis is opgenomen, omdat hij drugs zou hebben binnengekregen.
5.7
Volgens de vrouw is de man niet in staat de zorg voor [minderjarige] te dragen. Hij heeft in het verleden verdovende middelen gebruikt in het bijzijn van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfs in het ziekenhuis opgenomen geweest, doordat hij verdovende middelen had binnengekregen die de man onbeheerd in de woning had laten rondslingeren. Bovendien werkt de man fulltime en heeft hij niet de feitelijke beschikbaarheid voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vrouw is op uitdrukkelijk advies van betrokken instanties (OKT en Veilig Thuis) naar Egypte vertrokken. Omdat de man het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning heeft gekregen, is het voor de vrouw feitelijk onmogelijk geworden om naar Nederland terug te keren. De procedure van een urgentieverklaring staat stil, in afwachting van de verkoop van de echtelijke woning in Nederland.
Advies raad
5.8
De raad acht een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] van zijn moeder, waar hij zijn hele leven is opgegroeid, naar zijn vader, die nu (nog) niet voldoende vaardigheden heeft om [minderjarige] op te kunnen voeden, op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De raad adviseert daarom het verzoek van de vader af te wijzen. Wel vindt de raad het belangrijk dat het contact tussen de man en [minderjarige] zal worden uitgebreid.
Beoordeling door het hof
5.9
Uit hetgeen ter zitting en uit de stukken is gebleken maakt het hof op dat er geen aanwijzingen zijn dat het niet goed gaat met [minderjarige] bij zijn moeder. Het hof is, met de raad, dan ook van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is de hoofdverblijfplaats op dit moment te wijzigen. De vrouw verblijft noodgedwongen met [minderjarige] in Egypte bij haar ouders en is voornemens zo spoedig mogelijk naar Nederland terug te keren. Ook de man wenst eigenlijk vooral dat de vrouw met [minderjarige] terug naar Nederland komt, zodat zij beiden de zorg voor [minderjarige] op zich kunnen nemen. Het hof acht het daarom belangrijk dat partijen gaan samenwerken om het appartement in Egypte te verkopen en de echtelijke woning in [plaats A] volgens het ‘spoorboekje’ van de rechtbank te verdelen, zodat de schulden kunnen worden afgelost en de vrouw op zoek kan naar een eigen woning in Nederland. Wanneer de vrouw weer in Nederland woont met [minderjarige] kan worden gewerkt aan de opbouw van de zorgregeling.
De eerste incidentele grief faalt.
Kinderalimentatie (incidentele grief 2)
5.10
Omdat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet bij de man wordt bepaald, ligt het voorwaardelijke verzoek van de man tot wijziging van de door de man te betalen kinderalimentatie niet voor.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.11
Het hof stelt vast dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen kennis te nemen op grond van artikel 3 Brussel II-ter jo. artikel 5 van de Huwelijksvermogensrechtverordening 2016/1103.
5.12
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Woning in Egypte met garage (grief 1)
5.13
De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw er niet in is geslaagd te bewijzen dat per peildatum (11 juli 2024) het eigendom van de woning met garage in Egypte tot de huwelijksgemeenschap behoorde.
5.14
De vrouw stelt dat de woning met garage in Egypte wel eigendom is van de man en dat zij dit voldoende heeft bewezen door het voorlopige koopcontract te overleggen. De vrouw heeft bovendien geen bankafschriften gezien waarop te zien is dat de aanbetaling, zoals de man stelt, aan hem is teruggestort. De vrouw is in afwachting van officiële documenten van de bevoegde Egyptische instanties ter onderbouwing van haar standpunt dat de man eigenaar is van de woning. Zij is daartoe een procedure gestart in Egypte, maar die procedure is op dit moment gestagneerd omdat de documenten uit Nederland eerst moeten worden bekrachtigd door het consulaat in Nederland voordat ze in Egypte in behandeling kunnen worden genomen. Zij verzoekt het hof haar een nadere termijn te verlenen voor het overleggen van aanvullende bewijsstukken.
De vrouw verzoekt voorts te bepalen dat de woning volledig aan haar toekomt, nu de man zijn aandeel - op de voet van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - heeft verbeurd en subsidiair verzoekt zij te bepalen dat aan haar de helft van de waarde van de woning met garage in Egypte toekomt.
5.15
De man betwist dat hij een woning met garage in Egypte in eigendom heeft. Volgens de man heeft hij op enig moment slechts een aanbetaling gedaan van ongeveer 10.000 Egyptische pond (omgerekend € 300,-) om een recht tot koop te krijgen. Hij zou echter vervolgens gedurende drie jaar € 3.000,- tot € 4.500,- per maand moeten gaan betalen. Omdat hij dat niet kon betalen, is er geen definitieve overeenkomst tot stand gekomen en heeft hij de aanbetaling van omgerekend € 300,- teruggekregen. Volgens de man heeft hij op de zitting bij de rechtbank doorgestreepte cheques getoond ten aanzien van de betalingen die nog moesten worden verricht. De man meent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rust dat de man eigenaar is van een woning met garage in Egypte. De vrouw onderbouwt haar stellingen echter ook in hoger beroep niet. Uit de stukken ten aanzien van de door de vrouw gevoerde procedure in Egypte blijkt niet waar deze procedure over gaat. De man is bovendien niet op de hoogte van een procedure in Egypte. De man maakt tot slot bezwaar tegen het verzoek tot aanhouding teneinde stukken te overleggen.
5.16
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de man in Egypte blijkens de overgelegde vertaling een ‘voorlopige koopovereenkomst’ met betrekking tot een aldaar gelegen woning met garage is aangegaan op 9 januari 2022. Dat deze woning voor of op de peildatum van 11 juli 2024 ook aan de man is geleverd, is echter gesteld noch gebleken. In de koopovereenkomst staat (onder 4.7) dat de overdracht wordt uitgesteld totdat de gehele koopsom is voldaan en zowel de man als de vrouw hebben ter zitting verklaard dat een “tijdelijke” koopovereenkomst is getekend en dat pas nadat alle afbetalingstermijnen gedurende drie jaren zijn voldaan, de overeenkomst “zal worden omgezet in een definitieve koopovereenkomst”. Aanknopingspunten dat de gehele koopsom op de peildatum was betaald, zijn niet gesteld of gebleken. Voor het oordeel dat de man op de peildatum eigenaar was van de woning met garage en dat deze woning daarom tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, is dan ook onvoldoende gesteld. Dit betekent dat eerste grief van de vrouw bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld, komt het hof er niet toe aan om de vrouw in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen.
Eenmanszaak [X] (grief 2)
5.17
De man dreef tijdens het huwelijk van partijen een eenmanszaak genaamd [X] . De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw heeft beaamd dat geen sprake is van belichaamde goodwill en dat de man onweersproken heeft gesteld dat hij kok is en dat er geen sprake is van goederen of een werkplaats die iets van waarde hebben. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het voor wat betreft die onderneming enkel gaat om de (belasting)schulden gerelateerd aan de onderneming van de man, waarmee partijen eveneens bedoelen de door de man verschuldigde inkomstenbelasting over de jaren 2022 en 2024. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor eventuele op de peildatum bestaande (belasting)schulden in het kader van de werkzaamheden van de man in, dan wel van zijn onderneming.
5.18
Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte uitsluitend de schulden van de onderneming van de man bij de verdeling betrokken en geen rekening gehouden met het eventuele vermogen van de onderneming. De man heeft nagelaten enig stuk in het geding te brengen waaruit blijkt of zijn onderneming al dan niet over vermogen beschikt. De vrouw wijst erop dat de man gedurende de huwelijkse periode met zijn onderneming aanzienlijke omzetten heeft behaald en dat de onderneming van de man geen, althans onvoldoende belastingen heeft afgedragen aan de belastingdienst, zodat het niet anders kan dan dat de onderneming wel degelijk over vermogen beschikt. De gelden die aan de belastingdienst hadden moeten worden afgedragen, moeten volgens de vrouw toch ergens zijn gebleven. De vrouw verzoekt de man te gelasten volledige openheid van zaken te verschaffen door inzage te geven in de jaarcijfers van de onderneming, waaronder de verzonden aangiften inkomstenbelasting (IB), de aanslagen en de jaarstukken van de onderneming. De vrouw is primair van mening dat het vermogen van de onderneming bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden van de onderneming. Mocht komen vast te staan dat de onderneming van de man niet over enig vermogen beschikt, dan verzoekt de vrouw (subsidiair) te bepalen dat de man volledig verantwoordelijk en draagplichtig is voor deze schulden. Zij acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat zij is gehouden bij te dragen aan de schulden van de onderneming, nu zij op geen enkele wijze verantwoordelijk is voor het ontstaan daarvan. Er was tijdens het huwelijk sprake van een traditionele rolverdeling. De vrouw was de Nederlandse taal onvoldoende machtig om enig inzicht te kunnen hebben in de financiële gang van zaken, aldus nog steeds de vrouw.
5.19
De man stelt dat hij wel degelijk zijn jaarstukken over de jaren 2022, 2023 en 2024 heeft overgelegd. Daaruit blijkt volgens de man dat sprake is van schulden en geen vermogen in de onderneming. De gelden zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding en partijen zijn op vakantie geweest naar Egypte en Griekenland en van onverantwoorde uitgaven is geen sprake. De vrouw had wel degelijk toegang tot het financiële overzicht van de gezamenlijke rekening en de brieven van de belastingdienst heeft de man op tafel gelegd, zodat de vrouw deze heeft kunnen inzien. De man stelt zich op het standpunt dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schulden. Volgens de man bedragen de (belasting)schulden ongeveer € 30.000,-.
5.20
Het hof overweegt als volgt. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen, bestaande uit activa (bezittingen) en passiva (schulden), valt daarom in de ontbonden gemeenschap. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van goodwill en voor het oordeel dat sprake was van activa anders dan liquide middelen, is onvoldoende gesteld.
Nu de man echter enkel de aanslagen IB over de jaren 2020 tot en met 2022 en 2024 heeft overgelegd en geen andere bescheiden (zoals de belastingaangiftes), heeft hij onvoldoende openheid van zaken gegeven over de financiële toestand van zijn onderneming. Of, en zo ja, hoeveel liquide middelen (banksaldi) op de peildatum aanwezig waren is niet duidelijk geworden. Het hof zal daarom bepalen dat de man is gehouden de aangiften IB 2023 en 2024 en de aanslagen over deze jaren voor zover deze nog niet zijn overgelegd, aan de vrouw te verstrekken. Tevens dient de man (een) bankafschrift(en) van de bankrekening(en) van de onderneming van het saldo op deze zakelijke bankrekening(en) op de peildatum 11 juli 2024 aan de vrouw te doen toekomen. Indien en voorzover uit deze stukken volgt dat sprake is van activa (een positief saldo op de zakelijke bankrekening(en) van de man) op de peildatum, dan dient de man de helft van dat saldo aan de vrouw te vergoeden. Het hof vernietigt op dit punt de bestreden beschikking.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dienen partijen beiden, ieder voor de helft, de op de peildatum bestaande (belasting)schulden gerelateerd aan de onderneming van de man, te dragen.
5.21
Voorzover uit de door de man aan de vrouw te overleggen stukken zou volgen dat er op de peildatum geen activa (een positief saldo op de zakelijke bankrekening(en)) in de onderneming aanwezig was, dan geldt ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vrouw als volgt.
De (belasting)schulden gerelateerd aan de onderneming van de man, voor zover deze betrekking hebben op de periode vóór de peildatum (11 juli 2024), behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap. Bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben partijen op grond van het bepaalde in artikel 1:100 lid 1 BW in beginsel een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap. Dit betekent dat de eventuele schulden door partijen gezamenlijk, voor gelijke delen, dienen te worden gedragen. Van deze hoofdregel kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken, wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op verdeling bij helfte. Voorts is in artikel 1:100 lid 2 BW bepaald dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze worden gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Dit betreft derhalve een ruimere uitzonderingsmogelijkheid op het uitgangspunt van gelijke draagplicht voor gemeenschapsschulden bij ontbinding van het huwelijk.
Daargelaten het antwoord op de vraag of de goederen van de gemeenschap bij de ontbinding ontoereikend zijn om de schulden te voldoen, is het hof van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zijn om af te wijken van de hoofdregel dat in beginsel alle gemeenschapsschulden van de echtgenoten door beide ex-echtgenoten voor de helft moeten worden gedragen. Dat de vrouw niet bekend was met eventuele schulden is hiertoe onvoldoende, nog afgezien van het feit dat voor het oordeel dat de man de schulden is aangegaan buiten medeweten van de vrouw om, onvoldoende is gesteld. Verder heeft de man onvoldoende weersproken gesteld dat de uit de onderneming genoten gelden (en daarmee ook de eigenlijk voor de schulden aan te wenden gelden) steeds zijn aangewend ten behoeve van het gezin, zodat deze ook de vrouw ten goede zijn gekomen. Om dezelfde redenen vloeit evenmin uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voort. Beide echtgenoten dienen dan ook ieder voor een gelijk deel de schulden te dragen. De grief van de vrouw kan niet slagen en het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
5.22
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
In principaal hoger beroep
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de wijze van verdeling van de activa van de eenmanszaak en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man de aangifte IB 2023, de aanslag IB 2023, de aangifte IB 2024, alsmede het saldo van de zakelijke bankrekening op de peildatum (zijnde 11 juli 2024) aan de vrouw dient te verstrekken;
gelast de wijze van verdeling van de activa van de eenmanszaak van de man in die zin dat aan de man wordt toebedeeld:
het saldo van de op naam van de man staande (zakelijke) bankrekening(en) van de eenmanszaak indien en voor zover aanwezig, onder de verplichting van de man om de helft van het op 11 juli 2024 op deze rekening staande saldo aan de vrouw te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
In incidenteel hoger beroep
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. T.A.M. Tijhuis en mr. R.M. Troost, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 27 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar.