GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.371.080/01 en 200.371.080/02
zaaknummer rechtbank: C/15/370333 / FA RK 25-5060
beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van
[de vader]
,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
verzoeker in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.J. Butter te Hoorn ,
[jongmeerderjarige 1]
,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: [jongmeerderjarige 1] ,
advocaat: mr. A.J. Butter te Hoorn,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. P.G.M. Vlaar te Hoorn.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren te [plaats C] [in] 2010.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige] (16 jaar) en voor [jongmeerderjarige 1] (tot aan zijn meerderjarigheid [in] 2026). Voorts is aan de orde een door de vader gevraagde verklaring voor recht ten aanzien van de kosten van een rijbewijs voor de kinderen en het (incidentele) verzoek van de vader om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking in eerste aanleg te schorsen.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De vader is op 2 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 april 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank). Dit betreft zaaknummer 200.371.080/01. Deze beschikking is verbeterd bij herstelbeschikking van 3 juni 2026 (hierna: de herstelbeschikking). De vader heeft daarnaast om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad verzocht. Dit betreft zaaknummer 200.371.080/02.
2.2
De moeder heeft op 18 augustus 2026 een verweerschrift ingediend dat tevens ziet op het incident.
2.3
Het hof heeft verder de volgende stukken ontvangen:
-
een bericht van de zijde van de vader van 11 augustus 2026 met bijlagen;
-
een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2026 met bijlagen.
2.4
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. [minderjarige] heeft het hof bij e-mail van 16 september 2026 laten weten geen behoefte te hebben aan de mogelijkheid haar mening kenbaar te maken.
2.5
De zitting heeft op 10 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Mr. Butter was tevens aanwezig namens [jongmeerderjarige 1] .
[jongmeerderjarige 1] is zelf niet verschenen.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3De feiten
3.1
De ouders hebben gedurende 28 jaar een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond tot augustus 2023.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
-
de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige 1] , geboren [in] 2008 te [plaats C] (hierna: [jongmeerderjarige 1] );
-
de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2010 te [plaats C] (hierna: [minderjarige] ).
Daarnaast zijn zij de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige 2] (hierna: [jongmeerderjarige 2] .), geboren [in] 2006 te [plaats C] , die in deze zaak geen partij, noch belanghebbende is.
3.3
[jongmeerderjarige 2] . en [jongmeerderjarige 1] wonen bij de vader. [minderjarige] verbleef tot 1 mei 2025 om en om bij de beide ouders en woont sindsdien (nagenoeg) volledig bij de moeder.
3.4
De ouders hebben geen schriftelijke afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van hun kinderen.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn en dat, voor zover vereist, aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] op haar woonadres te doen inschrijven. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie voor [minderjarige] moet voldoen van € 750,- per maand, met ingang van 1 mei 2025.
4.2
De rechtbank heeft de zelfstandige verzoeken van de vader afgewezen. Dit betrof:
het verzoek om de behoefte van [minderjarige] en [jongmeerderjarige 1] vast te stellen op € 533,- per kind per maand in 2023;
het verzoek om een door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige 1] vast te stellen van € 278,- per maand, met ingang van de datum van indiening door de moeder van het verzoekschrift in eerste aanleg (6 oktober 2025);
het verzoek om een eenmalige bijdrage vast te stellen in de kosten van de rijbewijzen van [jongmeerderjarige 2] . en [jongmeerderjarige 1] ter grootte van € 2.783,75.
4.3
In hoger beroep verzoekt de vader, met vernietiging van de bestreden beschikking, om de ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [minderjarige] en voor [jongmeerderjarige 1] te bepalen op 1 juni 2025, althans op een in goede justitie te bepalen datum. Voorts verzoekt hij om de behoefte van [minderjarige] en [jongmeerderjarige 1] te bepalen op € 533,- per kind per maand in 2023, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag. Verder verzoekt de vader om de kinderalimentatie voor [minderjarige] te bepalen op € 254,- per maand en om de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige 1] tot 13 april 2026 te bepalen op € 278,- per maand, althans om de beide bedragen in goede justitie opnieuw te bepalen. Daarnaast verzoekt de vader om voor recht te verklaren, dat vaststaat dat de ouders aan de kinderen een rijbewijs in het vooruitzicht hebben gesteld. Tot slot verzoekt de vader om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking (deels) te schorsen.
4.4
De moeder stelt dat de verzoeken van de vader moeten worden afgewezen, zowel in de hoofdzaak als in het incident en verzoekt het hof om de bestreden beschikking en de herstelbeschikking te bekrachtigen.
4.5
Het hof zal de grieven van de vader hieronder bespreken.
5De motivering van de beslissing
De ontvankelijkheid van [jongmeerderjarige 1] in het hoger beroep
5.1
Bij bericht van 11 augustus 2026 van de zijde van de vader is een nieuw voorblad van het hoger beroepschrift ingediend, waarbij [jongmeerderjarige 1] zich als appellant in de procedure heeft gevoegd.
Bij bericht van 7 september 2026 van de zijde van de vader is aangegeven dat het verzoek om een bijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige 1] vast te stellen, betrekking heeft op de periode tot 13 april 2026, zijnde de datum waarop [jongmeerderjarige 1] 18 jaar is geworden en in dienst is getreden bij de onderneming van zijn vader. Het voorliggende verzoek tot het alsnog vaststellen van kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige 1] ziet dus uitsluitend op de periode van minderjarigheid van [jongmeerderjarige 1] . In die periode zijn de ouders de wettelijk vertegenwoordigers van [jongmeerderjarige 1] , zodat [jongmeerderjarige 1] ten aanzien van het kinderalimentatieverzoek niet zelf als procespartij kan optreden. Het hof zal [jongmeerderjarige 1] om die reden niet-ontvankelijk verklaren.
In de hoofdzaak
5.2
De vader heeft twee grieven aangevoerd. Grief 1 ziet op de behoefte van de kinderen en op de ingangsdatum en de hoogte van de kinderalimentatie. Voorts heeft de rechtbank, volgens de vader, voor [jongmeerderjarige 1] ten onrechte geen kinderalimentatie ten laste van de moeder vastgesteld. Grief 2 richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de vader om 50% van de kosten van het behalen van de rijbewijzen aan hem te vergoeden.
De moeder heeft hiertegen inhoudelijk verweer gevoerd. Het hof zal hierna bij het bespreken van de verschillende onderwerpen op de beide grieven en het verweer van de moeder ingaan.
Ingangsdatum
5.3
De vader verzoekt allereerst om de kinderalimentatie voor zowel [minderjarige] als voor [jongmeerderjarige 1] vast te stellen met ingang van 1 juni 2025, omdat de moeder (pas) vanaf 1 juni 2025 de financiële zorg voor [minderjarige] draagt. De vader meent dat de ingangsdatum van de door de moeder aan hem te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige 1] daar dan aan gelijk moet worden gesteld en dus ook op 1 juni 2025 moet worden bepaald.
5.4
De moeder stelt dat de rechtbank de ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [minderjarige] terecht op 1 mei 2025 heeft bepaald, omdat de feitelijke situatie is dat [minderjarige] per die datum volledig bij de moeder woont. De vader heeft sindsdien voor [minderjarige] geen verblijfskosten meer gemaakt, alhoewel hij nog wel de kinderbijslag heeft ontvangen en behouden.
5.5
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [minderjarige] op juiste gronden bepaald op 1 mei 2025. Niet in geschil is immers dat [minderjarige] met ingang van 1 mei 2025 (nagenoeg) volledig bij de moeder verbleef. Dat de moeder in eerste aanleg heeft gesteld dat zij pas met ingang van 1 juni 2025 de financiële zorg voor [minderjarige] draagt, zoals de vader naar voren brengt, ziet het hof met de moeder als een verschrijving, nu de moeder in haar verzoekschrift tevens heeft gesteld dat [minderjarige] vanaf 1 mei 2025 (nagenoeg) alleen bij haar verblijft, wat de vader ook niet betwist.
Nu het hof, zoals hierna zal blijken, niet overgaat tot de vaststelling van een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige 1] , komt het hof voor wat betreft die onderhoudsverplichting niet toe aan de vaststelling van een ingangsdatum.
Behoefte van [minderjarige] en [jongmeerderjarige 1]
5.6
De vader voert aan dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de kinderen niet heeft vastgesteld. De vader stelt dat voor de bepaling van de behoefte aan zijn zijde uitsluitend zijn in 2023 genoten salaris in aanmerking moet worden genomen en dat zijn eventuele andere inkomsten hierin niet moeten worden betrokken, omdat hier niet van werd geleefd.
De vader gaat voor de berekening van de behoefte aan zijn zijde uit van een bruto jaarsalaris van € 68.549,- en een op basis daarvan berekend netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) in 2023 van € 3.576,- per maand.
Het NBI in 2023 van de moeder berekent hij op € 2.128,- per maand, aan de hand van een loon volgens jaaropgaaf aan haar zijde van € 28.626,-.
Dit leidt volgens de vader tot een behoefte in 2023 van € 1.598,- voor 3 kinderen, zodat de behoefte per kind per maand (afgerond) € 533,- bedraagt.
5.7
De moeder voert aan dat alle inkomsten van de vader dienen te worden betrokken in de berekening van de behoefte van de kinderen en dus niet alleen zijn salaris. De vader is directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap (hierna: BV). De vader dient de jaarcijfers van zijn BV te overleggen. Daarnaast heeft de vader (samen met zijn broer) aanzienlijke huurinkomsten uit diverse panden, ten aanzien waarvan de vader ook de stukken moet overleggen. De moeder is het er niet mee eens dat het verloop van de en/of-rekening bepalend zou zijn voor de hoogte van de behoefte. Zij stelt dat de behoefte van de kinderen dient te worden vastgesteld aan de hand van het NBI van partijen. Daarbij betwist de moeder dat het gezin uitsluitend uitgaven deed van de en/of-rekening en dat uitsluitend het nettosalaris van de ouders is gebruikt voor de kosten van de huishouding. De vader regelde de financiën en deed ook veel contante uitgaven.
5.8
Niet in geschil is dat de relatie van partijen is geëindigd in 2023, zodat voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige kinderen gekeken moet worden naar het jaar 2023.
5.9
Het hof overweegt dat het uitgangspunt is dat de behoefte van kinderen wordt berekend op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit, omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden, gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders in beginsel niet slechter af zouden moeten zijn.
De vader stelt, dat tijdens de relatie - overeenkomstig de afspraken in de samenlevingsovereenkomst - alle gezinsuitgaven zijn gedaan van de en/of-rekening van partijen, die uitsluitend werd gevoed door het nettosalaris van de vader en de bijdrage van de moeder van € 350,- per maand. Volgens de vader heeft dit tot gevolg - althans zo begrijpt het hof het standpunt van de vader - dat, voor het bepalen van de welstand waaraan de kinderen gewend zijn geraakt, aan zijn zijde uitsluitend zijn salaris zoals dat is gestort op de en/of rekening relevant is. Eventuele overige inkomsten zijn volgens de vader immers niet in het gezin gevloeid.
De moeder heeft de stelling van de vader, dat uitsluitend werd geleefd van de en/of-rekening, gemotiveerd betwist. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat de vader ook op andere wijze uitgaven deed ten behoeve van het gezin, zoals door het aanwenden van contanten of via betalingen vanaf een privérekening of een zakelijke rekening van de man.
Gebleken is dat de vader in 2023 (en ook nu) meer inkomstenbronnen heeft dan uitsluitend zijn in loondienst van zijn eigen vennootschap gegenereerde salaris. Ter zitting heeft de vader toegelicht dat hij directeur-grootaandeelhouder is van een holding, waaronder meerdere werkmaatschappijen hangen. Ten aanzien van zijn onderneming heeft de vader geen stukken overgelegd. Voorts is gebleken dat de vader inkomsten uit verhuur genereert. Door de moeder is aangevoerd, dat de vader mede-eigenaar is van meerdere onroerende zaken op achttien verschillende adressen, verdeeld over elf kadastrale aanduidingen.
Door de vader is dit niet betwist.
5.10
Het hof oordeelt dat de vader zijn standpunt dat uitsluitend werd geleefd van de en/of-rekening, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft de vader niet, althans onvoldoende weersproken dat hij veel contante uitgaven deed. Deze stelling van de vader wordt daarom gepasseerd. Daarnaast heeft de vader nagelaten voldoende inzicht te geven in zijn inkomsten. De vader had bijvoorbeeld inzage kunnen gegeven in de hoogte van zijn huurinkomsten en in de bestemming van die inkomsten. Dit heeft hij niet gedaan. Verder heeft de vader weliswaar gesteld dat hij in het verleden geen dividenden heeft ontvangen, maar dit standpunt heeft hij niet nader onderbouwd, waar dit wel op zijn weg had gelegen. Naar aanleiding hiervan komt het hof, net als de rechtbank, tot de conclusie dat de vader onvoldoende financiële stukken heeft overgelegd om het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2023 te kunnen vaststellen. In zoverre faalt de grief.
Draagkracht en hoogte kinderalimentatie
5.11
De vader wil voor het bepalen van zijn draagkracht uitgaan van een loon volgens jaaropgaaf van € 68.549,-.
Aan de zijde van de moeder wil de vader uitgaan van een fictief loon van € 58.932,-. Dit is volgens de vader de verdiencapaciteit van de moeder op basis van een vierdaagse werkweek. De vader meent dat daarvan uit moet worden gegaan met ingang van augustus 2024, in plaats van dat wordt gerekend met het inkomen op basis van de feitelijke arbeidsduur van 17 uur per week. De vader voert hiertoe aan dat de moeder niet meer de zorg heeft voor jonge kinderen en dat er vacatures zijn bij de werkgever van de moeder.
5.12
De moeder voert aan dat de draagkracht van de vader moet worden bepaald aan de hand van al zijn inkomsten. Naast zijn salaris dient de vader inzicht te geven in zijn ondernemingscijfers en in zijn inkomsten uit verhuur. Voorts stelt de moeder dat aan haar zijde van haar daadwerkelijke inkomen moet worden uitgegaan. Dit sluit aan op de rolverdeling tijdens de relatie. De moeder stelt dat zij niet meer kan werken dan de huidige 17 uur per week, gelet op de extra zorg die [minderjarige] nodig heeft en gelet op haar eigen herstel na het uiteengaan van partijen. De vacatures die de vader noemt zijn bovendien niet passend.
5.13
Ten aanzien van de draagkracht oordeelt het hof als volgt.
Zoals hiervoor al is overwogen onder punt 5.10 van deze beschikking, heeft de vader onvoldoende financiële stukken overgelegd waaruit zijn inkomen blijkt. De vader heeft slechts in het geding gebracht zijn jaaropgaven 2023 en 2024 en een tweetal salarisspecificaties (december 2022 en oktober 2025). Het hof had in ieder geval inzage willen krijgen in de werkelijke huurinkomsten van de vader en in zijn bedrijfsresultaten, blijkende uit de jaarrekeningen 2023 tot en met 2025 van de diverse vennootschappen. Voorts lag het op de weg van de vader om zijn aangiften en bijbehoren aanslagen inkomstenbelasting, ten aanzien van de jaren 2023 tot en met 2025, te overleggen. Al deze stukken ontbreken. Om die reden kan het hof de draagkracht van de vader niet vaststellen. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van de vader. Bij gebrek aan gegevens ten aanzien van de draagkracht van de vader kan het hof geen draagkrachtvergelijking maken om te bepalen in welke verhouding partijen moeten bijdragen in de kosten van hun kinderen. Aan een oordeel over de draagkracht (en de verdiencapaciteit) van de moeder, alsmede over de hoogte van de kinderalimentatie komt het hof dan ook niet toe. Dit alles leidt ertoe dat grief 1 ook overigens faalt.
5.14
Op grond van het voorgaande bekrachtigt het hof de beslissing van de rechtbank om de kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen op € 750,- per maand met ingang van 1 mei 2025 en om het verzoek van de vader, om voor [jongmeerderjarige 1] een kinderalimentatie vast te stellen van € 278,- per maand, af te wijzen.
Verklaring voor recht
5.15
Grief 2 van de vader ziet op de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek dat de moeder 50% van de kosten van het behalen van de rijbewijzen van [jongmeerderjarige 2] , en [jongmeerderjarige 1] aan hem vergoedt. In hoger beroep vraagt de vader om voor recht te verklaren dat vaststaat dat de ouders aan de kinderen een rijbewijs in het vooruitzicht hebben gesteld.
5.16
De vader voert aan dat duidelijk is dat er tijdens de relatie is gesproken over de kosten van de rijbewijzen van de kinderen. Hij stelt - althans zo begrijpt het hof - dat het feit dat de ouders aan de kinderen een rijbewijs in het vooruitzicht hebben gesteld, leidt tot een verplichting (van de ouders) om de kosten daarvan te dragen. Aangezien de vader deze kosten alleen heeft betaald, wenst hij van de moeder een vergoeding te ontvangen.
5.17
De moeder betwist dat er tussen partijen een (concrete) afspraak is gemaakt over de kosten van de rijbewijzen, laat staan over haar aandeel daarin. Daarnaast stelt de moeder dat deze procedure zich niet leent voor dit verzoek van de vader en dat de gevraagde verklaring voor recht onvoldoende concreet is.
5.18
Het hof overweegt dat een eventueel tijdens de relatie met de kinderen gemaakte afspraak over het betalen van de kosten van een rijbewijs, nog niets zegt over de onderlinge verhouding waarin de ouders daarin moeten bijdragen. Van een concrete afspraak tussen de vader en de moeder, die een betalingsverplichting schept van de moeder aan de vader, is het hof niet gebleken. Op zichzelf is het mogelijk om in een verzoekschriftprocedure een verklaring voor recht te vragen. De door de vader gevraagde verklaring voor recht ziet echter niet op de vaststelling van een specifieke rechtsverhouding tussen de vader en de moeder en is reeds daarom al niet toewijsbaar. Redenen waarom ook grief 2 van de vader faalt.
In het incident
5.19
Aangezien in deze beschikking in de hoofdzaak wordt beslist, heeft de vader geen belang meer bij de behandeling van zijn schorsingsverzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Proceskosten
5.20
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep, zowel in de hoofdzaak als in het incident, compenseren, omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure hoofdzakelijk de kinderalimentatie ten behoeve van de uit die relatie geboren kinderen betreft. Het hof ziet in hetgeen ter zitting door de moeder is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.371.080/01:
-
verklaart [jongmeerderjarige 1] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
-
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 10 april 2026 (hersteld bij beschikking van 3 juni 2026), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
in de zaak met zaaknummer 200.371.080/02:
wijst het verzoek van de vader af;
in beide zaken
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. T.A.M. Tijhuis en mr. R.M. Troost, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Lans als griffier en is op 27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.