I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:GHAMS:2026:3065 Gerechtshof Amsterdam , 27-10-2026 / 200.365.490/01 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt de minderjarigen: »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.490/01
zaaknummer rechtbank: C/15/346119 / FA RK 23-5529
beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader
advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Almere,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. F.J. ten Seldam te Limmen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] , hierna [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] en
-
[minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] .
Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers Noord-Holland, gevestigd te Amsterdam, hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (14 jaar), [minderjarige 2] (12 jaar) en [minderjarige 3] (8 jaar) (hierna: de kinderen). De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder (hierna samen ook: de ouders) over de kinderen beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag over hen belast. De vader is het daar niet mee eens en wil samen met de moeder met het gezag over de kinderen belast zijn. Als het eenhoofdig gezag van de moeder in stand wordt gelaten, wil hij dat een bijzonder curator wordt benoemd, dan wel dat een deskundigenonderzoek gaat plaatsvinden.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De vader is op 26 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
19 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2 De moeder heeft op 21 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3 Het hof heeft daarnaast van de kant van de vader een bericht van 15 april 2026 met bijlagen ontvangen.
2.4 Het hof heeft de kinderen, zowel voor als na de zitting, in de gelegenheid gesteld om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2.5 De zitting heeft op 26 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
-
een vertegenwoordiger van de GI, en
-
de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
3De feiten
3.1 De ouders zijn [in] 2013 met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op 14 januari 2016 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 23 december 2015. De vader en de moeder zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [plaats A] ;
-
[minderjarige 2] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
-
[minderjarige 3] , geboren [in] 2018 te [plaats A] .
De ouders oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Zij hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2 Bij de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het door de ouders op 30 september 2015 ondertekende ouderschapsplan, deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan is ten aanzien van de zorgregeling opgenomen dat partijen telkens de zorgregeling in onderling overleg met elkaar zullen afstemmen.
3.3 Bij beschikking van 19 april 2021 heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan, - kort gezegd - een zorgregeling vastgesteld ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.4 Bij beschikking van 18 augustus 2021 heeft de kinderrechter [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst tot 18 augustus 2026. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders verklaard dat de ondertoezichtstelling inmiddels is verlengd voor de duur van zes maanden.
3.5
Vanaf 1 februari 2022 is de zorgregeling tussen de vader en de kinderen een aantal keren gewijzigd. Bij beschikking van 27 augustus 2025 heeft de kinderrechter – kort gezegd – voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een zorgregeling vastgesteld waarbij zij omgang hebben met de vader in de oneven weken op zaterdag of zondag, van 11:00 uur tot 17:00 uur in [plaats A] .
Deze beschikking is op 16 juni 2026 door het hof bekrachtigd.
3.6 Op 19 januari 2026 heeft de GI een verzoek tot het wijzigen van de omgangsregeling bij de rechtbank ingediend en verzocht de omgang tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en de vader voor onbepaalde tijd te schorsen en dat zodra de vader meewerkt aan de ondertoezichtstelling, gesprekken tussen de GI en de vader kunnen plaatsvinden en de vader de hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning/begeleide omgang, accepteert en zich hiervoor inzet er kan worden toegewerkt naar begeleide omgang. Dit kan bij een positief verloop worden afgebouwd naar onbegeleide omgang.
3.7 Bij beschikking van 8 juli 2026 heeft de rechtbank de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] opgeschort tot het moment dat de vader in samenwerking met de GI gaat meewerken aan de door de GI te bepalen hulpverlening om de begeleide omgang op te kunnen starten, waarna de regie voor de verdere invulling van de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de GI wordt belegd zolang de ondertoezichtstelling loopt.
3.8 Er geldt geen contactregeling tussen de vader en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] kan zelf aangeven wanneer zij contact wil met de vader.
4De omvang van het hoger beroep
4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder, voor zover hier van belang, bepaald dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen wordt beëindigd en dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
4.2 De vader verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, dat het inleidend verzoek van de moeder haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen, alsnog wordt afgewezen. Naar het hof begrijpt verzoekt de vader subsidiair dat een bijzonder curator wordt benoemd, dan wel een deskundigenonderzoek wordt gelast.
4.3 De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n juncto 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt als:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet langer een minimale noodzakelijke basis voor gezamenlijke gezagsuitoefening bestaat. Volgens de vader heeft de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt op welke essentiële punten de besluitvorming daadwerkelijk is vastgelopen en waarom deze problemen niet met minder ingrijpende maatregelen zouden kunnen worden ondervangen.
Het is begrijpelijk dat hij, alvorens toestemming te geven voor beslissingen betreffende het gezag over de kinderen, nadere informatie wenst en daarover vragen stelt. Dit moet niet worden aangemerkt als het frustreren van de besluitvorming. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat hij bereid is daarin verbetering te brengen. De vader heeft de moeder meermalen verzocht om via WhatsApp met hem te communiceren in plaats van per e-mail, want hij ontvangt de door de moeder verzonden e-mailberichten niet. Daarnaast verloopt de communicatie via WhatsApp sneller en kunnen via dat medium foto's van betere kwaliteit worden uitgewisseld. De vader betwist voorts dat te verwachten is dat belangrijke hulpverlening na beëindiging van de ondertoezichtstelling zal stoppen omdat hij geen toestemming zou geven. Deze verwachting berust op een speculatieve prognose. Ook zonder de inmenging van de GI kan overeenstemming tussen de ouders worden bereikt over zaken die de kinderen betreffen.
De vader voert verder aan dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of minder ingrijpende alternatieven voor beëindiging van het gezamenlijk gezag mogelijk zijn. Hij acht het beëindigen van zijn gezag een verstrekkende maatregel. Volgens de vader bevindt hij zich daarnaast in een onzuivere bewijspositie. Wanneer hij feitelijke onjuistheden aan de orde stelt, wordt dit volgens hem uitgelegd als dominant of intimiderend gedrag, terwijl een terughoudende opstelling vervolgens wordt gekwalificeerd als afstandelijk of onvoldoende betrokken. De vader stelt dat dergelijke kwalificaties niet als vaststaande feiten mogen worden gehanteerd zonder dat deze worden onderbouwd met een concreet en verifieerbaar feitencomplex. Hij verzoekt het hof daarom om de gang van zaken te toetsen aan de eisen van een eerlijk proces en aan de bescherming van zijn gezinsleven, zoals neergelegd in onder meer de artikelen 6 en 8 EVRM en de artikelen 3, 9 en 12 IVRK.
Tot slot stelt de vader dat sprake is van een terugkerend patroon waarbij zorgen die door de moeder worden geuit, door de GI worden overgenomen als zogenoemde ‘kindsignalen’, vervolgens in rapportages terechtkomen en daarna in rechte als uitgangspunt worden gebruikt. Als het hof betekenis toekent aan dergelijke signalen, verzoekt de vader om een onafhankelijke en toetsbare beoordeling, bijvoorbeeld door middel van een bijzondere curator en/of deskundigenonderzoek, waarbij volgens hem in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan beïnvloeding, beeldvorming en de voorwaarden waaronder herstel van het contact mogelijk is.
5.3 De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het gezamenlijk gezag dient te worden beëindigd en dat zij alleen met het gezag over de kinderen dient te worden belast. De moeder voert hiertoe aan dat de kinderen klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders. De vader betrekt de kinderen bij de problematiek tussen de ouders en belast hen met onderwerpen die niet voor hen bestemd zijn. Daarnaast heeft de vader de kinderen gefilmd en deze filmpjes in het geding gebracht. De moeder stelt verder dat de vader de kinderen sinds augustus 2025 niet meer heeft gezien, ondanks de vastgestelde zorgregeling, en dat de kinderen dit niet begrijpen. Verder beschuldigt de vader haar ervan psychische problemen te hebben en diskwalificeert hij haar als moeder. Verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet om de situatie te verbeteren, deze hebben onvoldoende resultaat gehad. De vader werkt niet mee aan de hulpverlening en dient doorlopend klachten in tegen verschillende betrokken hulpverleners. Daarbij handelt hij in strijd met het belang van de kinderen. Zo heeft hij bijvoorbeeld de hulpverlening van de kindercoach stopgezet en, nadat zij door bemiddeling van de GI weer was gestart omdat de kinderen hierbij veel baat hadden, tuchtklachten tegen haar ingediend, waarna de kindercoach is gestopt. Daarnaast heeft de vader toestemming voor ziekenhuisbehandelingen van [minderjarige 2] geweigerd en klachten tegen artsen ingediend, waardoor behandelingen in het AMC en het Kennemer Gasthuis geen doorgang konden vinden. Ook legt hij de verantwoordelijkheid voor de problemen bij anderen en onderkent hij onvoldoende welke gevolgen zijn eigen handelen voor de kinderen heeft. De moeder stelt ten slotte dat de benoeming van een bijzondere curator geen meerwaarde heeft, omdat zij verwacht dat deze op basis van dezelfde informatie tot dezelfde conclusie zal komen. Nader deskundigenonderzoek heeft volgens haar evenmin meerwaarde.
5.4 De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad is van mening dat de samenwerking tussen de ouders onderling en tussen de vader en de GI ernstig is verstoord en dat de vader onvoldoende in staat is gebleken zijn gezagspositie uit te oefenen op een wijze die verenigbaar is met het belang van de kinderen. De vader voert strijd over de wijze waarop beslissingen worden genomen en heeft daarmee de gezagsuitoefening en de hulpverlening doorkruist. De vader toont onvoldoende reflectie op zijn aandeel in het voortduren van de problematiek. Er ontbreekt een reëel perspectief op verbetering, omdat de vader niet laat zien dat hij bereid of in staat is zijn houding en gedrag wezenlijk te veranderen. Hij stelt zijn eigen belang voorop in plaats van te voldoen aan de omgangsvoorwaarden waaronder hij de kinderen kon zien. De raad acht het niet aannemelijk dat binnen afzienbare tijd een situatie zal ontstaan waarin de ouders gezamenlijk beslissingen over de kinderen kunnen nemen zonder dat de kinderen daarvan de dupe worden. Volgens de raad is het in het belang van de kinderen dat het eenhoofdig gezag bij de moeder blijft. Zij is in staat de noodzakelijke beslissingen over de kinderen te nemen en daarbij het belang van de kinderen voorop te stellen.
5.5 De GI heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de ondertoezichtstelling van de kinderen niet kan worden beëindigd zolang beide ouders met het gezag zijn belast en de communicatie en samenwerking tussen hen niet verbetert. De GI is gedurende meerdere jaren betrokken en heeft geen vertrouwen meer in een verbetering van de situatie zolang het gedrag van de vader niet wezenlijk verandert. Volgens de GI is het schadelijk voor de kinderen wanneer het gezag van de vader herleeft, omdat dit de hulpverlening en de traumabehandeling van de kinderen kan belemmeren. De GI acht het van belang dat de moeder in staat blijft de noodzakelijke beslissingen over de kinderen te nemen zonder dat daarvoor telkens toestemming van de vader nodig is. De GI heeft vertrouwen in de moeder als opvoeder en gaat ervan uit dat zij de vader op de hoogte zal houden van belangrijke ontwikkelingen in het leven van de kinderen. Het onderwerp ‘vader’ kan en mag ook binnen de gesprekken met de kinderen aan de orde blijven. De GI spreekt de hoop uit dat de vader zijn gedrag uiteindelijk zal veranderen, maar acht een dergelijke verandering op dit moment onvoldoende concreet om daarop de gezamenlijke gezagsuitoefening te kunnen baseren.
De beoordeling
5.6 Het hof dient te beoordelen of de beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders waarbij de moeder het eenhoofdig gezag zal uitoefenen, zoals de rechtbank heeft bepaald, in stand moet blijven. Het hof is, met de rechtbank en de raad, van oordeel dat dit in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.7
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke uitoefening daarvan waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Daarvan is in deze zaak naar het oordeel van het hof geen sprake. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, blijkt dat de communicatie tussen de ouders al geruime tijd ernstig is verstoord. Enige vorm van samenwerking om op constructieve wijze gezamenlijk beslissingen over de kinderen te kunnen nemen ontbreekt. De jarenlange inzet van de GI in het kader van de OTS heeft hierin geen verandering gebracht. Het hof volgt de vader niet in zijn standpunt dat deze situatie in overwegende mate het gevolg is van het handelen van de moeder. De vader onderkent volgens het hof onvoldoende dat niet alleen de wijze waarop wordt gecommuniceerd, maar met name zijn opstelling ten opzichte van de moeder, de hulpverlening en de voorwaarden waaronder contact met de kinderen kan plaatsvinden, van invloed is op het voortduren van de huidige situatie. De vader stelt dat hij bereid is aan verbetering te werken maar uit zijn opstelling en wijze van handelen blijkt deze bereidheid niet. Integendeel, uit het dossier en de toelichting ter zitting komt naar voren dat de vader de verantwoordelijkheid voor het voortduren van de problemen in belangrijke mate buiten zichzelf legt en geen initiatieven neemt om de verstoorde verstandhouding te keren. Daarbij komt dat de vader de voorwaarden waaronder het contact met de kinderen kan worden hersteld en opgebouwd, niet aanvaardt. De bestaande situatie kan niet worden doorbroken door uitsluitend van de moeder, de GI of de hulpverlening te verlangen dat zij hun handelwijze aanpassen. Van de vader mag worden verwacht dat hij zich rekenschap geeft van zijn eigen aandeel in het ontstaan en voortduren van de situatie en dat hij zich inspant om het vertrouwen van de betrokkenen en, uiteindelijk, van de kinderen te herstellen.
De vader en de kinderen hebben sinds juni 2025 geen contact meer met elkaar gehad. De vader heeft daarmee op dit moment geen feitelijke aansluiting meer bij het dagelijks leven van de kinderen. Hij is niet betrokken bij hun verzorging, opvoeding en ontwikkeling.
Onder deze omstandigheden zal het hof de vader niet herstellen in het gezag waarbij voor belangrijke beslissingen over de kinderen zijn toestemming noodzakelijk is. Gezamenlijk gezag veronderstelt immers niet alleen een juridische bevoegdheid, maar ook een daadwerkelijke mogelijkheid om die bevoegdheid in het belang van de kinderen gezamenlijk uit te oefenen. Die mogelijkheid ontbreekt nu. Volgens het hof valt niet te verwachten dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De vader heeft weliswaar aangevoerd dat hij bereid is de communicatie te verbeteren, maar deze enkele bereidheid is onvoldoende. Gebleken is immers dat eerdere hulpverlening en inspanningen van de betrokken professionals niet tot een zodanige verbetering hebben geleid dat de ouders nu in staat zijn gezamenlijk beslissingen over de kinderen te nemen.
Het hof acht het bovendien in het belang van de kinderen dat de noodzakelijke beslissingen over hun verzorging, opvoeding, behandeling en ontwikkeling kunnen worden genomen zonder dat de bestaande strijd tussen de ouders daarbij telkens opnieuw tot vertraging of onzekerheid leidt.
Het hof acht het daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder overeenkomstig haar verzoek in eerste aanleg, het eenhoofdig gezag over de kinderen zal uitoefenen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat beslissingen die de kinderen betreffen kunnen worden genomen door een ouder die daadwerkelijk betrokken is bij hun dagelijks leven en die in staat is de noodzakelijke beslissingen over hen te nemen.
Het voorgaande betekent niet dat de vader buiten het leven van de kinderen moet worden geplaatst. De kinderen missen de vader en het hof onderkent dat het voor hen van belang kan zijn dat hun relatie met hun vader, als dat verantwoord is, wordt hersteld
5.8 De vader heeft nog verzocht om een nader onderzoek door een bijzondere curator en/of een deskundige. Het hof zal dit afwijzen omdat het zich voldoende ingelicht acht om een beslissing te nemen over het voorliggende geschil. Bovendien acht het hof nader onderzoek niet in het belang van de kinderen omdat een nader onderzoek een periode van onrust en onzekerheid voor hen zal brengen.
5.9
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het gezamenlijk gezag terecht heeft beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft belast. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
Ten aanzien van het beroep van de vader op het EVRM en het IVRK oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting, voldoende is komen vast te staan dat de gezagsbeëindiging van de vader noodzakelijk is in het belang van de kinderen, en dat het EVRM en het IVRK zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
5.10 Al het voorgaande leidt ertoe dat het hof zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de vader zal afwijzen. Het hof overweegt hierbij dat dit niet wegneemt dat de moeder zich dient te (blijven) houden aan de op haar rustende informatie- en consultatieverplichting over de kinderen ten opzichte van de vader zodat hij op de hoogte blijft van de belangrijke ontwikkelingen die zich in hun leven voordoen.
5.11 Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier op grond van het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.