Parketnummer : 20-002122-25
Uitspraak : 10 augustus 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 juli 2025, parketnummer 03-151080-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 16-289944-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen te [adres]
.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. De politierechter heeft de verdachte ter zake van:
een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren (feit 2 primair);
witwassen (feit 3),
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan deze voorwaardelijke straf naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden verbonden, inhoudende – kort gezegd – een meldplicht, het meewerken aan middelencontroles, een ambulante behandelverplichting en een begeleid wonen of maatschappelijk opvang-traject. Daarbij is aan de reclassering opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 79,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is bepaald dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De verdachte is tevens veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil.
Tot slot heeft de politierechter de proeftijd van de onder parketnummer 16-289944-23 voorwaardelijk opgelegde straf met een jaar verlengd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf. In zoverre opnieuw rechtdoende, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. In het verlengde daarvan heeft raadsman verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om ten aanzien van de straf, de vordering tot tenuitvoerlegging en de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep dezelfde beslissingen te nemen als in eerste aanleg.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd. Blijkens de akte instellen hoger beroep van 12 augustus 2025 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen deze beschermde vrijspraak is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met uitzondering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder feit 3, de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij valt onder het te bevestigen deel van het vonnis.
Het hof zal voorts de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen aanvullen, en waar nodig verbeteren, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewijsmiddelen
De politierechter heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen met betrekking tot het bewezenverklaarde. Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. In de onderhavige zaak heeft de verdachte niet bekend en tevens heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Derhalve kan niet met een opsomming van de bewijsmiddelen worden volstaan. Het hof zal de inhoud van de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen daarom uitwerken, en waar nodig verbeteren en aanvullen, op de wijze als hierna vermeld.
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2024205709, gesloten d.d. 2 juni 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent bij de Eenheid Limburg, digitaal doorgenummerde pagina's
-
tot en met 138, nader te noemen: het dossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
-
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juli 2024 (pg. 33-37 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op 3 juli 2024 is door mij de door de aangever via internet aangeboden aangifte verwerkt tot een proces-verbaal.
Aangever
Voornamen: [benadeelde 2]
Achternaam: [benadeelde 2]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende:“Ik heb via [bedrijf] een horloge gekocht en betaald, maar niets ontvangen. Ik heb meerdere keren contact gezocht, maar geen reactie. Ik merkte na een paar dagen dat het horloge opnieuw te koop aangeboden werd door dezelfde verkoper. Gegevens aankoopWaar bent u opgelicht? [bedrijf]Advertentietitel: prisma 14k horlogeAdvertentienummer: m2130664588Hoe is de verkoper volgens u te werk gegaan om u te benadelen? deze persoon bood via [bedrijf] een gouden prisma horloge aan. Ik deed een bod van 220 euro incl. verzenden, waar de verkoper mee akkoord ging. Hij zou na het overmaken van het geld, mij een track en trace sturen. Dit is niet gebeurd.VerkoperVoornamen: [verdachte]Achternaam: [verdachte]De betaling:Hoe is de betaling gedaan? bankoverschrijving binnen EuropaBankrekeningnummer andere partij: [rekeningnummer]Naam rekeninghouder andere partij: [verdachte]Welke omschrijving staat er bij deze betaling op uw rekeningafschrift’prisma horloge goudWat is het bedrag of de waarde van de betaling? 220,00Datum betaling: 29-06-2024”
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2024 (pg. 60-65 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
Op 25 juli 2024 is door mij de door de aangever via internet aangeboden aangifte verwerkt tot een proces-verbaal.
Aangever
Voornamen: [benadeelde 3]
Achternaam: [benadeelde 3] ? (het hof begrijpt: [benadeelde 3])
Zij deed aangifte en verklaarde het volgende:"Ik heb een armband gekocht en betaald. Nadat ik betaald heb, heeft die me geblokkeerd en geeft geen antwoord meer. Niets geleverd gewoon mij opgelicht.
Gebruikte de verkoper een naam? Ja [verdachte]Gegevens aankoopWaar bent u opgelicht? [bedrijf]Advertentietitel: witte gouden armband 585Advertentienummer: m2138908991Accountnaam andere partij: [verdachte]Hoe is de verkoper volgens u te werk gegaan om u te benadelen? we hebben afgesproken dat ik betaal en hij het product gelijk opstuurt. Ik heb met hem gebeld en ook geschreven Daarna heeft die me geblokkeerd en geen antwoord meer gegeven.VerkoperTelefoon: [telefoonnummer 1]Voornamen: [verdachte] (het hof begrijpt in samenhang met de overige inhoud van dit proces-verbaal: [verdachte]) De betaling:Hoe is de betaling gedaan? bankoverschrijving binnen EuropaBankrekeningnummer andere partij: [rekeningnummer]Naam rekeninghouder andere partij: [verdachte]Wat is het bedrag of de waarde van de betaling? 230,00Datum betaling: 24-07-2024 (het hof begrijpt in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen op pagina 66 van het dossier: 22-07-2024)”
3 . Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 december 2024 (pg. 88-96 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Op 9 december 2024 is door mij de door de aangever via internet aangeboden aangifte verwerkt tot een proces-verbaal.
Aangever
Voornamen: [benadeelde 1]
Voorvoegsel: [benadeelde 1]
Achternaam: [benadeelde 1]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende:
"Via [bedrijf] een horloge gekocht wat niet is geleverd. De verkoper diverse malen telefonisch gesproken en hij heeft me aan het lijntje gehouden. Gebruikte de verkoper een naam? Ja [verdachte]Gegevens aankoopWaar bent u opgelicht? [bedrijf]Advertentietitel: horlogeAccountnaam andere partij: [verdachte]Hoe is de verkoper volgens u te werk gegaan om u te benadelen? deze man heeft mij beloofd het horloge op te sturen en heeft dat niet gedaan. Heeft heel slim de betaling via een tikkie laten lopen met een excuus dat zijn account nog niet geactiveerd was.VerkoperVoornamen: [verdachte]Achternaam: [verdachte]De betaling:Hoe is de betaling gedaan? betaalverzoek (zoals Tikkie)Bankrekeningnummer andere partij: [rekeningnummer]Naam rekeninghouder andere partij: [verdachte]Telefoonnummer andere partij: [telefoonnummer 2]Wat is het bedrag of de waarde van de betaling? 99,00Datum betaling: 27-11-2024”
- Het proces-verbaal verstrekking gevorderde identificerende gegevens bij banken d.d. 8 maart 2025 (pg. 99 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
De ING-bank is gevorderd om de beschikbare identificerende en/of productgegevens te verstrekken gerelateerd aan: [rekeningnummer]Door de voornoemde bank zijn de volgende identificerende gegevens verstrekt:Initialen: [verdachte] ;Voornaam: [verdachte] ;Voorvoegsel: [verdachte] ;Achternaam: [verdachte] ;Geboortedatum: [geboortedag] 1982.
- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2025 (pg. 48 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op 1 april 2024 deed ik een vordering verstrekking identificerende gegevens aan [bedrijf] . In het aangeleverde resultaat van [bedrijf] zag ik het volgende:Gebruikers ID: [accountnummer]Emailadres: [e-mailadres]Naam: [verdachte]Telefoonnummer: [telefoonnummer 3]Historiek advertenties:Advertentienummer: 2130664588Advertentietitel: Prisma 14k horlogeDatum plaatsing: 28-06-2024 00:31:58
- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2025 (pg. 86 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op 1 april 2024 deed ik een vordering verstrekking identificerende gegevens aan [bedrijf] . In het aangeleverde resultaat van [bedrijf] zag ik het volgende:Gebruikers ID: [accountnummer]Emailadres: [e-mailadres]Naam: [verdachte]Telefoonnummer: [telefoonnummer 3]Historiek advertenties:Advertentienummer: 2138908991Datum plaatsing: 21-07-2024 19:30:18
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2025 (pg. 57 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:
Ik ben abonnementhouder van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . De mobiele telefoon met dit telefoonnummer is van mijn dochter [betrokkene] . Mijn man
[verdachte] maakte ook wel eens gebruik van de mobiele telefoon van zijn dochter [betrokkene] .
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 maart 2025 (pg. 80 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:
Ik ben abonnementhouder van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Mijn man
[verdachte] had een tijd mijn mobiele telefoon gebruikt omdat hij geen eigen mobiele telefoon had.
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsman – kort samengevat – aangevoerd dat het oogmerk van de verdachte op de misleiding ontbreekt. Uit het dossier kan niet vastgesteld worden dat er sprake is van een moedwillige wanprestatie, aldus de raadsman. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van een gewoonte omdat er slechts drie feiten binnen een tijdsbestek van een half jaar hebben plaatsgevonden.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de politierechter. Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter zoals weergegeven op pagina 8 van het vonnis waarvan beroep. In aanvulling op die overweging overweegt het hof met betrekking tot het ‘een gewoonte maken’ nog als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een gewoonte is vereist het meermalen verrichten van gelijksoortige feiten. Daaronder pleegt te worden verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard van de feiten betreft, en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat: de neiging om telkens weer zo’n feit te begaan. Van een gewoonte kan sprake zijn als bij verschillende gelegenheden goederen of diensten worden aangeboden op een website.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast. Alle drie de aangevers hebben via [bedrijf] gereageerd op advertenties waarin gelijksoortige goederen werden aangeboden. Nadat door aangevers contact werd gezocht met de aanbieder – te weten de verdachte – werden tussen hen afspraken gemaakt over de betaling en de levering van de aangeboden goederen. De verdachte zou de goederen verzenden zodra hij het geld van aangevers zou hebben ontvangen. In alle gevallen is de levering – na betaling door aangevers – uitgebleven. Aangevers hebben meermaals contact gezocht met de verdachte, maar hij was telkens na de betaling niet meer te bereiken.
Gelet op het aantal aangevers en de modus operandi zoals hiervoor beschreven, is sprake van het meermalen verrichten van soortgelijke feiten, die in onderling – objectief én subjectief – verband staan en gericht zijn op het ontvangen van gelden van derden die vervolgens de betaalde goederen niet geleverd krijgen. Het hof is derhalve van oordeel dat sprake is van een gewoonte als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Verbetering kwalificatie van het bewezenverklaarde onder feit 3
De politierechter heeft onder feit 3 bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van
29 juni 2024 tot en met 27 november 2024 een geldbedrag (totaal 549 euro) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijkafkomstig was uit enig eigen misdrijf. De politierechter heeft die bewezenverklaring gekwalificeerd als ‘witwassen’.
Het hof stelt voorop dat voor de strafbaarheid van het verwerven of voorhanden hebben van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp, als bedoeld in artikel 420bis Sr, een gedraging van de verdachte moet worden vastgesteld die meer omvat dan het enkele ten laste gelegde verwerven of voorhanden hebben van het voorwerp en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Als niet kan worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte meer omvat dan het enkele ten laste gelegde verwerven of voorhanden hebben, kan die gedraging weliswaar worden bewezenverklaard, maar levert de bewezenverklaring niet het strafbare feit van art. 420bis Sr, zijnde witwassen, op, maar wel het strafbare feit van art. 420bis.1 Sr, zijnde eenvoudig witwassen.
Het hof stelt vast dat de politierechter enkel het verwerven of voorhanden hebben van een geldbedrag afkomstig uit enig eigen misdrijf bewezen heeft verklaard – welke bewezenverklaring door het hof wordt bevestigd. Niet is vastgesteld dat de verdachte gedragingen heeft verricht die meer dan het verwerven of voorhanden hebben omvatten.
Het hof zal de kwalificatie van het onder feit 3 bewezenverklaarde daarom verbeteren in die zin dat de kwalificatie als volgt komt te luiden:
eenvoudig witwassen.
De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht
om – in het geval van een bewezenverklaring – dezelfde straf aan de verdachte op te leggen als de politierechter heeft gedaan, zijnde een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een periode van vijf maanden schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – online handelsfraude. De verdachte heeft drie personen opgelicht door via [bedrijf] goederen te koop aan te bieden en de kopers te bewegen tot betaling van het overeengekomen bedrag en de goederen vervolgens niet te leveren. De verdachte heeft door zijn handelen niet alleen financiële schade, maar ook vertrouwensschade, veroorzaakt bij de betrokkenen. Dergelijke oplichtingspraktijken schaden het vertrouwen in eerlijke handel en verstoren de werking van advertentiewebsites, zoals [bedrijf] . De verdachte heeft zich uitsluitend laten leiden door eigen financieel gewin en is voorbijgegaan aan de gevolgen voor de betrokken kopers.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 mei 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in deze zaak liep de verdachte bovendien in een proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 Sr van toepassing is.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 11 juli 2025. Hieruit volgt dat de verdachte problematiek kent op het gebied van middelengebruik, financiën, dakloosheid en psychosociaal functioneren. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld-hoog en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. Aan de verdachte zijn in juli 2025 bijzondere voorwaarden opgelegd. De reclassering adviseert deze bijzondere voorwaarden wederom op te leggen zodat er een grotere stok achter de deur ontstaat om de verdachte extrinsiek te motiveren. Het hof heeft echter ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 4 november 2025, dat is ingebracht in de zaak die gelijktijdig ter terechtzitting in hoger beroep is behandeld (de zaak met parketnummer 20-002265-25), betreffende het advies van de reclassering om het reclasseringstoezicht voortijdig negatief te beëindigen. In dit rapport schat de reclassering het risico op recidive én het risico op het onttrekken aan voorwaarden in als hoog. Gelet op de hoge frequentie van aanhoudingen en delictplegingen in combinatie met de houding van de verdachte, is de reclassering van mening dat een ambulant traject onuitvoerbaar is. De instabiele leefomstandigheden, agressieproblematiek en wantrouwende houding van de verdachte maken dat samenwerking met hulpverlening zeer moeizaam verloopt. De reclassering adviseert daarom een beslissing waardoor het reclasseringstoezicht voortijdig negatief wordt beëindigd. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er op 18 mei 2026 een zitting bij de politierechter te Roermond heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij wederom bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. De verdachte heeft hoger beroep tegen deze veroordeling ingesteld, aldus de raadsman.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte feitelijk bij zijn ouders in [stad 1] verblijft. Hij heeft ervoor gekozen om zijn leven in [stad 2] achter zich te laten en in [stad 1] een nieuw leven op te bouwen. De verdachte is sinds zijn vrijlating in mei 2026 niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij wil vastigheid creëren en is daartoe goed op weg nu hij een vaste verblijfplaats en inkomen heeft. Daarnaast is hij het contact met zijn kinderen aan het herstellen. Het is onwenselijk om de vrijheid van de verdachte te ontnemen vanwege feiten die zich hebben afgespeeld in het voormalige leven van de verdachte in [stad 2] , aldus de raadsman.
Het hof kan, gelet op het strafbare handelen van de verdachte in combinatie met het strafblad van de verdachte, niet anders dan concluderen dat het gedrag van de verdachte onverbeterlijk is. De verdachte trekt zich kennelijk niets aan van justitiële interventies en naar het oordeel van het hof is sprake van een aanzienlijk risico op recidive. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een straf als door de
politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Een geheel voorwaardelijke straf doet immers naar het oordeel van het hof volstrekt geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daartoe niet zal overgaan.
Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het oogpunt van vergelding en speciale preventie alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te melden duur passend is en dat niet met een andere of lichtere straf dan een die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt kan worden volstaan. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om hier in dit geval van af te wijken. Dat de verdachte zijn leven aan het beteren is, zoals de raadsman stelt, is niet onderbouwd en is het hof ook niet op andere wijze gebleken.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden. Het hof ziet geen heil in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zoals de politierechter heeft gedaan, gelet op het reclasseringsrapport van 4 november 2025. Bovendien zijn er bij recente veroordelingen meermaals bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd. De verdachte heeft derhalve voldoende kansen gekregen om een traject met de reclassering aan te gaan, maar heeft ervoor gekozen deze onbenut te laten.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024 onder parketnummer 16-289944-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen zoals de politierechter bij vonnis waarvan beroep heeft gedaan. De verdachte was immers een gewaarschuwd mens door deze voorwaardelijke veroordeling.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 326e en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder feit 3, de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank
Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024, parketnummer 16-289944-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J. Nederlof, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. G.P.N. Robben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.