Parketnummer : 20-002265-25
Uitspraak : 10 augustus 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 augustus 2025, parketnummer 03-222808-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen in de zaken met parketnummers 16-289944-23 en
03-189220-25, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen te [adres 1]
.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van het ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden verbonden, inhoudende – kort gezegd – een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een beschermd wonen of maatschappelijk opvang-traject, een verbod op het gebruik van drugs en alcohol en het meewerken aan controles ten behoeve daarvan, een contactverbod met
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] en een locatieverbod inhoudende dat de verdachte zich niet in de [locatie 1] en de [locatie 2] te Roermond bevindt en hij meewerkt aan elektronische controle van dit verbod. Daarbij is aan de reclassering opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week (parketnummer 16-289944-23) en een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen (parketnummer 03-189220-25).
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden als de politierechter heeft gedaan. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 16-289944-23 zal toewijzen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 03-189220-25 zal afwijzen dan wel de officier van justitie in de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer
03-189220-25 toe te wijzen met aftrek van de dagen die de verdachte reeds in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging heeft vastgezeten. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16-289944-23 heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen met 1 jaar.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Voorts zal het hof de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanvullen, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De politierechter heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen met betrekking tot het bewezenverklaarde. Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. In de onderhavige zaak heeft de verdachte niet bekend waardoor niet kan worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. Het hof zal de inhoud van de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen derhalve uitwerken op de wijze als hierna vermeld.
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2025135820, gesloten d.d. 15 augustus 2025 door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier bij de Eenheid Limburg, doorgenummerde pagina's
-
tot en met 29, nader te noemen: het dossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
-
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 augustus 2025 (pg. 5-6 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 1]:
Plaats delict: [adres 2] .Ik doe aangifte van vernieling van de voorruit van mijn woning, alsmede de ruit van de schuurdeur. Ik doe deze aangifte tevens namens [bedrijf] .Op 12 augustus 2025, omstreeks 11 45 uur, kwam ik naar beneden. Toen ik beneden was, maakte ik het raam aan de voorzijde open en zag dat de fiets van mijn ex [verdachte] voor mijn deur stond. Ik liep vervolgens naar de schuur en maakte de schuurdeur open. Ik zag dat [verdachte] in de schuur lag. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de ruit van de schuurdeur insloeg. Ik zag dat [verdachte] plots aan de voorzijde van mijn woning stond. Ik zag dat [verdachte] 2 maal met een steen de ruit aan de voorzijde van mijn woning ingooide. De volledige gegevens van mijn ex zijn: [verdachte] .
- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2025 (pg. 16 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Door de aangever werden camerabeelden beschikbaar gesteld. Ik zag het volgende op de
camerabeelden:
-
dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] voor de woning stond aan [adres 2] ;
-
dat [verdachte] een fietsenpomp in zijn handen had en daarmee richting genoemde woning rende;
-
dat [verdachte] de fietsenpomp met kracht richting de woning gooit;
-
dat [verdachte] een baksteen opraapt en deze met kracht tegen de vooruit van
genoemde woning gooit en daardoor glassplinters rondvliegen.
- De eigen waarneming van de politierechter, gedaan ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 augustus 2025:
De politierechter merkt op dat hij de verdachte als zijnde diegene op de camerabeelden, die twee bakstenen richting de woning van aangeefster gooit, herkent.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de politierechter.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het vernielen van ruiten van de woning van zijn ex-partner, aangeefster [benadeelde 1] . Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Voorts dient het eigen huis een veilige en vertrouwde omgeving te zijn voor aangeefster, maar ook voor de kinderen van de verdachte en aangeefster die daar verblijven. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 mei 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten, eveneens ten aanzien van zijn
(ex-)partner, is veroordeeld. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in deze zaak liep de verdachte bovendien in een proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 11 juli 2025, dat is uitgebracht in de zaak die gelijktijdig ter terechtzitting in hoger beroep is behandeld (de zaak met parketnummer 20-002122-25) en de reclasseringsrapporten van 21 augustus 2025 en 4 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte problematiek kent op het gebied van middelengebruik, financiën, dakloosheid en psychosociaal functioneren. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld-hoog en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. Aan de verdachte zijn in juli 2025 bijzondere voorwaarden opgelegd. De reclassering adviseert in dat rapport deze bijzondere voorwaarden wederom op te leggen zodat er een grotere 'stok achter de deur' ontstaat om de verdachte extrinsiek te motiveren. Het hof heeft echter ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van
4 november 2025 betreffende het advies van de reclassering om het reclasseringstoezicht voortijdig negatief te beëindigen. In dit rapport schat de reclassering het risico op recidive én het risico op het onttrekken aan voorwaarden in als hoog. De verdachte komt geregeld in contact met politie en justitie, waaronder voor agressieve delicten aan het adres van zijn
ex-partner. Gelet op de hoge frequentie van aanhoudingen en delictplegingen in combinatie met de houding van de verdachte, is de reclassering van mening dat een ambulant traject onuitvoerbaar is. De instabiele leefomstandigheden, agressieproblematiek en wantrouwende houding van de verdachte maken dat samenwerking met hulpverlening zeer moeizaam verloopt. De reclassering adviseert daarom een beslissing waardoor het reclasseringstoezicht voortijdig negatief wordt beëindigd. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er op 18 mei 2026 een zitting bij de politierechter te Roermond heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij wederom bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. De verdachte heeft hoger beroep tegen deze veroordeling ingesteld, aldus de raadsman.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte feitelijk bij zijn ouders in [stad 1] verblijft. Hij heeft ervoor gekozen om zijn leven in [stad 2] , waar ook zijn ex-partner woont, achter zich te laten en in [stad 1] een nieuw leven op te bouwen. De verdachte is sinds zijn vrijlating in mei 2026 niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij wil vastigheid creëren en is daartoe goed op weg nu hij een vaste verblijfplaats en inkomen heeft. Daarnaast is hij het contact met zijn kinderen aan het herstellen. Het is onwenselijk om de vrijheid van de verdachte te ontnemen vanwege feiten die zich in de broeierige tijd tussen hem en zijn
ex-partner hebben voorgedaan, aldus de raadsman.
Het hof kan, gelet op het strafbare handelen van de verdachte in combinatie met het strafblad van de verdachte, niet anders dan concluderen dat het gedrag van de verdachte onverbeterlijk is. De verdachte trekt zich kennelijk niets aan van justitiële interventies en naar het oordeel van het hof is sprake van een aanzienlijk risico op recidive. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf zoals door de verdediging is bepleit.
Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het oogpunt van vergelding en speciale preventie alleen een gevangenisstraf voor de hierna te melden duur passend is en dat niet met een andere of lichtere straf dan een die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt kan worden volstaan. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om hier in dit geval van af te wijken. Dat de verdachte zijn leven aan het beteren is, zoals de raadsman stelt, is niet onderbouwd en is het hof ook niet op andere wijze gebleken.
Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Gelet op het strafblad van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor strafbare feiten jegens zijn ex-partner, zal het hof aan het voorwaardelijk strafdeel een bijzondere voorwaarde koppelen, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met zijn ex-partner [benadeelde 1] . Het hof ziet geen heil in het opleggen van andere bijzondere voorwaarden zoals de politierechter heeft gedaan, gelet op het reclasseringsrapport van 4 november 2025. Bovendien zijn er bij recente veroordelingen meermaals bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd. De verdachte heeft derhalve voldoende kansen gekregen om een traject met de reclassering aan te gaan, maar heeft ervoor gekozen deze onbenut te laten.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Parketnummer 16-289944-23
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024 onder parketnummer 16-289944-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen zoals de politierechter bij vonnis waarvan beroep heeft gedaan. De verdachte was immers een gewaarschuwd mens door deze voorwaardelijke veroordeling.
Parketnummer 03-189220-25
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juli 2025 onder parketnummer 03-189220-25. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen met aftrek van de dagen die de verdachte reeds heeft uitgezeten. Op die wijze zal de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeven aangezien hij de 40 dagen gevangenisstraf reeds uitgezeten heeft in het kader van een voorlopige tenuitvoerlegging. De raadsman heeft daartoe het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van de rechter-commissaris in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 augustus 2025 overgelegd alsmede het proces-verbaal van die zitting en een registratiekaart.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.
Op grond van de stukken die de raadsman heeft overgelegd is het hof gebleken dat de verdachte de 40 dagen gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten op grond van een bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van 15 augustus 2025. Het hof zal derhalve op grond van artikel 6:6:21 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering bevelen dat de vrijheidsbeneming, ondergaan uit hoofde van de voorlopige tenuitvoerlegging, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Dit houdt – kort gezegd – in dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen, maar de verdachte de gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten en aldus hiervoor niet terug naar de gevangenis hoeft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedag 2] 1988, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-289944-23
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank
Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024, parketnummer 16-289944-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;
ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-189220-25
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juli 2025, parketnummer 03-189220-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) dagen;
beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J. Nederlof, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. G.P.N. Robben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.