I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:GHSHE:2026:3058 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-10-2026 / 200.375.780_01 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze beslissing is gegeven door mrs. J.P. de Haan (voorzitter), A.M. Bossink en R. Lonterman, in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Wrakingskamer
registratienummer: 200.375.780/01
datum beslissing: 28 oktober 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van
[verzoekster] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster.
strekkende tot wraking van de raadsheren/de kamer, belast met de behandeling van
klaagschriften op de voet van artikel 12 Sv in het team strafrecht van het gerechtshof te
’s-Hertogenbosch (hierna: artikel 12 Sv-kamer).
1Het procesverloop
1.1.
Het wrakingsverzoek is bij e-mail van 12 oktober 2026 ter griffie van dit hof ontvangen. Op meerdere momenten daarna heeft verzoekster herhaaldelijk e-mails gestuurd, gericht aan onder meer de wrakingskamer. Deze e-mails houden niet rechtstreeks verband met het door verzoekster gedane wrakingsverzoek.
De coördinator van de wrakingskamer heeft verzoekster bij e-mail van 12 oktober 2026 bericht dat het verzoek is ontvangen en in behandeling is genomen.
1.2. De wrakingskamer heeft het verzoek heden zonder een voorafgaande zitting behandeld in raadkamer. De wrakingskamer heeft bepaald dat als volgt zal worden beslist op het verzoek.
2Het standpunt van verzoekster
2.1.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de artikel 12 Sv-kamer van het gerechtshof te
’s-Hertogenbosch weigert haar klaagschrift in behandeling te nemen, zodat het vertrouwen van verzoekster in een objectieve en onpartijdige behandeling van haar zaak door dit gerechtshof definitief en onherstelbaar is vernietigd en de rechtsorde in ernstige mate is geschonden. Verzoekster heeft de wrakingskamer verzocht om haar klaagschrift, de bijbehorende wrakingsincidenten en alle daaraan verbonden politiedossiers (met name registratienummer [registratienummer] en rechtbanknummer [rechtbanknummer]) per direct te onttrekken aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en deze op grond van artikel 462 Sv te verwijzen naar een ander, onafhankelijk gerechtshof buiten de regio, teneinde een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), te waarborgen.
3De beoordeling
3.1.
De wrakingskamer stelt voorop dat ingevolge artikel 512 Sv elk van de rechters of raadsheren die een zaak behandelen (cursivering wrakingskamer), kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Op grond van artikel 515 lid 3 Sv kan de wrakingskamer beslissen een wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting af te doen, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
3.2. Uit navraag van de coördinator van de wrakingskamer bij de griffie van de artikel 12 Sv-kamer van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch is gebleken dat er thans (nog) geen raadsheren zijn aangewezen die het klaagschrift van verzoekster zullen behandelen. De wrakingskamer constateert aldus dat het wrakingsverzoek van aangeefster geen betrekking heeft op met de behandeling van de zaak belaste raadsheren (cursivering wrakingskamer). Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1. is overwogen, is verzoekster naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in haar verzoek. Dat is in vergelijkbare gevallen al eerder beslist, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de wrakingskamer van dit hof van 2 september 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2356.
3.3.
Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op het gehele gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch, overweegt de wrakingskamer dat een rechterlijk college als geheel niet kan worden gewraakt. Het hof verwijst hiervoor ook naar bovengenoemde uitspraak van de wrakingskamer van dit hof.
De wrakingskamer kan een zaak ook niet ter behandeling en beslissing verwijzen naar een ander gerechtshof.
3.4.
Gelet op het voorgaande kan de wrakingskamer zonder behandeling ter zitting en
zonder verzoekster te horen beslissen als hierna volgt. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek wordt niet toegekomen.
4De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.P. de Haan (voorzitter), A.M. Bossink en R. Lonterman, in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.