I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Dit geding gaat over een vordering tot terugbetaling van diverse leningen met bijkomende kosten. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de vordering van RBC afgewezen. Het Hof wijst een tussenvonnis. »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:OGHACMB:2026:303 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 13-10-2026 / CUR2025H00218 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 2.1 Bij op 18 augustus 2025 ingekomen akte is RBC in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 juli 2025 bij verstek uitgesproken vonnis van het Gerecht. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202500554 en CUR2025H00218
Uitspraak: 13 oktober 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde,
thans geïntimeerde,
in rechte niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als RBC en [geïntimeerde].
1De zaak in het kort
Dit geding gaat over een vordering tot terugbetaling van diverse leningen met bijkomende kosten. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de vordering van RBC afgewezen. Het Hof wijst een tussenvonnis.
2Het verloop van de procedure
2.1 Bij op 18 augustus 2025 ingekomen akte is RBC in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 juli 2025 bij verstek uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2 Bij op 29 september 2025 ingekomen memorie van grieven heeft RBC drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en haar vordering alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
2.3 [ geïntimeerde] is ook in hoger beroep niet verschenen; een memorie van antwoord van hem werd niet ontvangen.
2.4 Op 3 februari 2026 heeft de gemachtigde van RBC pleitnotities (met producties) ingediend. Van [geïntimeerde] werden geen pleitnotities ontvangen.
2.5 Het Hof heeft daarna een mondelinge behandeling bepaald, maar ziet daarvan nu af omdat van [geïntimeerde] geen stukken of enig ander bericht zijn ontvangen. Vonnis, op basis van de stukken, is vervolgens bepaald op vandaag. De voor 13 november 2026 bepaalde mondelinge behandeling van de zaak vervalt derhalve.
3De beoordeling
De betekening
3.1 Volgens het door RBC in het geding gebrachte uittreksel uit de basisadministratie personen van 7 februari 2025 is van [geïntimeerde] geen adres bekend in Curaçao. Daaruit blijkt evenmin van een bekend adres buiten Curaçao. De akte van hoger beroep en de memorie van grieven zijn (daarom) door de deurwaarder op 8 oktober 2025 betekend als ware sprake van de situatie dat [geïntimeerde] zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Curaçao is (artikel 5 aanhef en sub 7 Rv).
3.2 Uit de in eerste aanleg door RBC overgelegde stukken blijkt dat bij RBC wel een adres van [geïntimeerde] in Nederland bekend was, namelijk [adres], [land]. Ambtshalve navraag bij de advocaat van RBC heeft de bevestiging opgeleverd dat genoemd adres bij RBC bekend was. Om die reden heeft de deurwaarder de akte van appel en de memorie van grieven op 12 augustus 2026 nogmaals betekend, maar nu op basis van dat bekende adres van hem (artikel 5 aanhef en sub 8 Rv). De ambtenaar van het openbaar ministerie heeft de oproeping getekend voor gezien.
3.3 Gelet op HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1059, 3.4.7 en 3.5.2, dient het Hof de zaak aan te houden. Tevens dient het Hof ambtshalve onderzoek te doen als daar overwogen.
3.4 Het Hof geeft de volgende instructies aan RBC:
a. zo dat redelijkerwijs mogelijk is moet RBC bij de Basisadministratie Personen in [land] (adres) nagaan op welk adres [geïntimeerde] thans is ingeschreven;
b. RBC dient bij het openbaar ministerie na te vragen welke pogingen de ambtenaar van het openbaar ministerie in het werk heeft gesteld om zoveel mogelijk te bevorderen dat de akte van appel en de memorie van grieven geïntimeerde bereiken, en bewijsstukken van die pogingen op te vragen;
c. RBC dient de akte van appel, de memorie van grieven, de betekeningsexploten en de pleitnota van haar advocaat met bijlagen in hoger beroep bij aangetekende post of door middel van een commercieel bezorgbedrijf (bijvoorbeeld DHL) te doen toekomen aan het bekende of (na uitvoering van het onder a genoemde onderzoek) nader bekend geworden adres van [geïntimeerde] in [land].
3.5
Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen om RBC in de gelegenheid te stellen bij akte verslag te doen van de uitvoering van de hiervoor gegeven instructies, met overlegging van bewijsstukken.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 1 december 2026 voor akte aan de zijde van RBC;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.