I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBAMS:2026:10771 Rechtbank Amsterdam , 09-10-2026 / 13/113599-26 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2026. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Proces-verbaal van onderzoek met nummer 2026089252 van 17 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , inhoudende verklaring van voornoemde verbalisant. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/113599-26
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.I. Herremans, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
-
zware mishandeling van zijn levensgezel in de periode van 1 maart 2026 tot en met 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] . Subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling;
-
mishandeling op tijdstippen in de periode 1 maart 2026 tot en met 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , begaan tegen zijn levensgezel;
-
voorhanden hebben van vier patronen op 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ;
-
vervoeren en/of voorhanden hebben van een gasdruk revolver gelijkend op een vuurwapen op 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de feiten 1 subsidiair, 3 en 4 bewezen.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft hij gewezen op het instemmend knikken van het slachtoffer op 14 april 2026 toen een politieman het verhaal van het vallen van de trap in twijfel trok. Alsof zij kenbaar wilde maken dat het letsel een andere oorzaak heeft, maar dat zij verder niet wilde verklaren. Zij knikte eveneens instemmend op de vraag of eerder fysiek geweld was gebruikt. De officier van justitie heeft tevens gewezen op de inhoud van de telefoon van de vader van het slachtoffer. Er zijn een tweetal foto’s van haar aangetroffen met blauwe ogen en een dikke neus. Daarnaast zijn app-gesprekken aangetroffen waarin het slachtoffer en haar vader afspreken dat zij vol zullen houden dat zij van de trap is gevallen. De officier van justitie heeft voorts gewezen op het medisch dossier van het slachtoffer. Hierin is gerelateerd dat de huisarts twijfelt over het vallen van de trap. In het medisch dossier is te lezen dat vanuit medisch oogpunt een (herhaalde) val van de trap niet te verklaren is. Tot slot heeft hij gewezen op rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit blijkt dat de oudste twee kinderen van het slachtoffer spreken over geweld en ruzies thuis.
Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie gewezen op app-gesprekken tussen het slachtoffer en haar vader over een zwart tasje dat moet worden gevonden. De politie heeft in de achterbak van de auto van verdachte een zwart schoudertasje gevonden met daarin een vuurwapen en patronen. In de middenconsole lagen ook twee patronen. Met betrekking tot deze feiten heeft de officier van justitie tevens gerefereerd aan de wapenrapporten en het dactyloscopisch en DNA-onderzoek.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 en 4. Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat niet buiten twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. Beiden verklaren dat het letsel is ontstaan door een val van de trap. Deze verklaring vindt steun in het medisch dossier van [slachtoffer] . Het dossier biedt geen steun voor een andere hypothese. Ook het rapport van de forensisch arts biedt geen uitsluitsel of het letsel is ontstaan door een val van de trap of door geweldshandelingen. Letselfoto’s uit de telefoon van de vader van [slachtoffer] en van de huisarts bevatten geen data of tijdstippen. Whatsapp-verkeer tussen [slachtoffer] en haar vader bevat ook geen uitsluitsel over wat er anders is gebeurd dan een val van de trap. Het instemmend knikken tegenover de verbalisant op 14 april 2026 kan niet dienen als steunbewijs. Dat betreft interpretatie van de verbalisant. Niet blijkt dat het ten laste gelegde geweld plaatsvond binnen de ten laste gelegde periode. Zelfs als er geweldshandelingen worden vastgesteld, kan niet worden vastgesteld dat deze geweldshandelingen tot het letsel van [slachtoffer] hebben geleid. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] zowel van de trap is gevallen en dat daarnaast sprake is geweest van geweldshandelingen.
Indien geweldshandelingen worden bewezen, dan hebben die geen zwaar lichamelijk letsel opgeleverd. In het medisch dossier wordt melding gemaakt van een gebroken rib. Dat is niet als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren. Er is geen noodzaak gebleken tot operatief ingrijpen. Ook van een poging tot zware mishandeling is geen sprake. De kracht, duur en gerichtheid van eventuele geweldshandelingen zijn niet vast te stellen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw gesteld dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor een tweede incident in de ten laste gelegde periode.
Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw erop gewezen dat in het dossier slechts over twee patronen wordt gesproken.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vingerafdruk van verdachte op de revolver terecht is gekomen toen hij hem opborg in de kofferbak van zijn auto. Een vriend had de revolver in de auto laten liggen en verdachte wilde deze zo spoedig mogelijk teruggeven aan zijn vriend. Verdachte was zich dus bewust van de aanwezigheid van de revolver, maar niet kan worden vastgesteld dat hij er ook beschikkingsmacht over had.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging - niet bewezen wat onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 primair dat het letsel niet als zwaar is te kwalificeren. De rechtbank heeft de tenlastelegging aldus begrepen dat onder feit 1 het incident op 5 april 2026 is omschreven en onder feit 2 andere incidenten in de ten laste gelegde periode. Het dossier bevat echter onvoldoende bewijs van andere incidenten.
4.3.2
Het oordeel over het onder 1 subsidiair ten laste gelegde
Op 5 april 2026 werd [slachtoffer] , wonende in [plaats 1] , door haar partner, verdachte, binnengebracht bij de spoedeisende hulp van het Ziekenhuis [plaats 2] . Zij vertelde door een pijnscheut in haar borst te zijn ineengezakt waardoor zij de trap af is gegleden. Zij had diverse letsels, waaronder vermoedelijk een neusfractuur. Op 7 april 2026 werden de letsels nader onderzocht in het Ziekenhuis [plaats 2] . Er bleek sprake van een ribfractuur. De val van de trap wordt dubieus genoemd. [slachtoffer] vertelde aan haar huisarts dat verdachte haar controleert. Er is sprake van geweld, maar ze wil daar niet meer over vertellen. Ze verzocht nadrukkelijk geen melding te doen bij Veilig Thuis of de politie, omdat dit voor verdachte aanleiding zou kunnen zijn om door het lint te gaan. De raadsvrouw van [slachtoffer] heeft op 22 september 2026 foto’s ingestuurd gedateerd 5, 6 en 8 april 2026 waarop het letsel aan het gezicht duidelijk zichtbaar is.
Op 14 april 2026 kregen verbalisanten opdracht te gaan naar de woning van [slachtoffer] na een melding van vermoedelijk huiselijk geweld. Daar aangekomen constateerden verbalisanten letsel bij [slachtoffer] . Zij verklaarde een week eerder van de trap te zijn gevallen. Toen één van de verbalisanten haar verhaal in twijfel trok, knikte [slachtoffer] bevestigend, alsof zij kenbaar wilde maken dat het letsel een andere oorzaak had, maar er verder niet over wilde verklaren. In het daaropvolgende gesprek heeft een verbalisant aangegeven dat, voordat de politie voor de eerste keer gebeld wordt bij huiselijk geweld, het geweld vaak al veel langer aan de gang is. Op de vraag of ze zich hierin herkende, knikte ze instemmend. Ook op de vraag of eerder fysiek geweld is gebruikt, knikte [slachtoffer] instemmend.
In de telefoon van de vader van [slachtoffer] werden chats in de periode van 11 tot en met 16 april 2026 tussen hem en zijn dochter aangetroffen. Hierin spreken zij af dat ze volhouden dat ze van de trap is gevallen. Ze zegt dat ze dat altijd en overal heeft volgehouden, ook al weten ze dat het anders is. Tevens schrijft [slachtoffer] in dit gesprek aan haar vader dat verdachte ‘het’ nu niet meer gaat doen en dat ‘alles’ er nu uit is. En dat verdachte zelf ook meerdere keren heeft gezegd dat hij echt te ver is gegaan. Haar vader schrijft: “Het gaat om een misdaad.” Vader vraagt [slachtoffer] meermaals berichten tussen hem en haar te verwijderen.
[slachtoffer] heeft geen aangifte gedaan. Blijkens haar verklaring uitgesproken ter terechtzitting in het kader van het spreekrecht, stelt zij zich nog steeds op het standpunt dat verdachte de tenlastegelegde mishandeling niet heeft gepleegd en dat het letsel is veroorzaakt door een val van de trap.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [slachtoffer] bij haar thuis boven aan de trap stonden. Hij heeft zich verbaal agressief naar haar geuit, maar haar niet aangeraakt. Voordat hij het wist, lag ze onderaan de trap.
De rechtbank verwerpt dit alternatieve scenario.
De rechtbank ziet niet in waarom er zo nadrukkelijk tussen [slachtoffer] en haar vader moet worden afgesproken dat er moet worden volgehouden dat het om een val van de trap ging, als een val van de trap de waarheid is. Onbegrijpelijk in dit scenario is ook dat verdachte niet mag weten dat dit tussen [slachtoffer] en haar vader wordt afgesproken. Verdachte heeft hierover desgevraagd geen nadere uitleg kunnen verschaffen.
De rechtbank heeft uit de hierboven genoemde inhoud van de wettige bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, de overtuiging bekomen dat verdachte het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Zij ziet zich hierin ook gesteund door het raadsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Hieruit blijkt dat [naam dochter] , de dochter van [slachtoffer] uit een eerdere relatie, die om de week bij haar was, spreekt over geweld, ruzies, gevechten en geschreeuw tussen [slachtoffer] en verdachte.
Uit de hiervoor genoemde letselverklaringen blijkt dat de geweldshandelingen met flinke kracht moeten zijn uitgevoerd, gelet op de breuk en forse hematomen die erdoor zijn ontstaan. Door met zoveel kracht geweld uit te oefenen op het hoofd en de borst, kwetsbare lichaamsdelen, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar letsel zou oplopen welbewust aanvaard. De rechtbank wijst hierbij op hetgeen is beschreven in de letselrapportage ten aanzien van stomp letsel op het aangezicht en de borstkas. Stomp geweld op de oogkas, neus en jukbeenderen kan leiden tot vermindering van het zicht, permanent oogletsel, verminderde doorgankelijkheid van de neus, aangezichtspijn of cosmetische misvorming, gevoelsvermindering in de wang en bovenlip en een kaakklem. Een gebroken rib kan leiden tot longcollaps of het doorklieven van de long waardoor een klaplong kan ontstaan. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen.
4.3.3
Het oordeel over het onder 3 ten laste gelegde
Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, en zijn raadsvrouw geen (volledige) vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:
de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting op 25 september 2026 heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2026089252 van 17 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , inhoudende verklaring van voornoemde verbalisant.
4.3.4
Het oordeel over het onder 4 ten laste gelegde
Op 17 april 2026 is in de achterbak van de auto van verdachte een vuurwapen aangetroffen.
Na onderzoek door de politie bleek het te gaan om een gasdruk revolver Action Sports Game (ASG), model Dan Wesson 715 CO2 2.5, kaliber 6 mm. Het aangetroffen wapen is een vrijwel 1 op 1 imitatie van een Dan Wesson model 14 2.5” Snubnose. Het is een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat een vriend het wapen was vergeten in zijn auto. Hij heeft het toen achterin gelegd en wilde het zo spoedig mogelijk aan de vriend teruggeven.
De rechtbank is van oordeel dat, nu het wapen in de auto van verdachte is aangetroffen en verdachte bovendien zelf heeft verklaard het wapen uit eigen beweging in de achterbak van de auto te hebben gelegd, verdachte de beschikkingsmacht over het wapen had. De rechtbank acht daarom het onder 4 ten laste gelegde bewezen.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:
op 5 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn partner [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan en vervolgens met kracht tegen haar gezicht/hoofd en tegen haar ribbenkast heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
op 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 patronen van het merk Blazer, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm LUGER of 9mm PARA) voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
op 15 april 2026 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een gasdruk revolver van het merk Action Sports Gamers (ASG), sprekend, sterk gelijkend op een pistool van het merk Dan Wesson model 14 2.5” Snubnose, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De rechtbank leest de nadere omschrijving van het pistool van het merk Dan Wesson verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straffen
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 subsidiair, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om een straf die niet hoger is dan het reeds ondergane voorarrest.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn partner. Hij heeft daarmee haar lichamelijke integriteit in ernstige mate geschonden. Uit het dossier komt een beeld naar voren van intieme terreur en een verdachte die door intimidatie probeert zijn omgeving zijn wil op te leggen. Zowel [slachtoffer] , als haar vader durven niet het werkelijke verhaal naar buiten te brengen. [slachtoffer] wil tot op heden geen aangifte doen. De Whatsapp-berichten tussen [slachtoffer] en haar vader laten zien dat [slachtoffer] op eieren loopt, teneinde de vrede te bewaren om zo uitbarstingen van verdachte te voorkomen. Ook uit de gesprekken die [slachtoffer] heeft gevoerd met de huisarts, blijkt dat haar angst voor gewelddadige uitbarstingen bij verdachte groot is. De twee oudste kinderen van [slachtoffer] , [naam dochter] en [naam zoon slachtoffer] , zeggen bang te zijn voor de vele ruzies tussen [slachtoffer] en verdachte. Ook de medewerkers van de school van de kinderen van [slachtoffer] en de kinderopvang durfden uit angst voor verdachte geen verklaring af te leggen. Tekenend daarbij is ook het agressieve gedrag van verdachte dat hij heeft laten zien tegenover de politie op de avond voor zijn aanhouding en aan de balie van de huisarts van [slachtoffer] . De politie en andere instanties hebben zich gelet op de oplopende spanningen in de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] uiteindelijk genoodzaakt gezien in te grijpen door aanhouding van verdachte en plaatsing van [slachtoffer] in een blijf van mijn lijf huis, om verdere escalatie en ernstigere gevolgen te voorkomen.
Verdachte geeft geen enkele blijk van zelfinzicht. Hij doet het voorkomen alsof hij slachtoffer is van instanties, maar uit het dossier blijkt het tegendeel. Ook op de zitting heeft verdachte zich intimiderend en ongepast uitgelaten en zelfbepalend gedrag laten zien.
In het reclasseringsadvies van 10 september 2026 is gerelateerd dat in de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] signalen zijn van isolatie, dwingende controle, bedreiging en escalatie van geweld, die allen een aanloop kunnen zijn naar femicide. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering acht gezien de ernst van de problematiek diagnostiek noodzakelijk om te kunnen werken aan gedragsbeïnvloeding. De reclassering ziet hiertoe echter geen mogelijkheden gelet op de houding (dwingend, intimiderend en manipulatief) en responsiviteit van verdachte, zoals blijkt uit het dossier, maar ook is gebleken uit verschillende contacten tussen verdachte en de reclassering. Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan psychologisch onderzoek.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 15 juni 2026 van verdachte, blijkt dat verdachte eerder in verband met huiselijk geweld is veroordeeld..
Verdachte was tevens in het bezit van een gasdrukrevolver, voor afdreiging geschikt, alsmede munitie. Het voorhanden hebben daarvan bevordert het gebruik ervan en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarom dient daartegen uit oogpunt van preventie streng te worden opgetreden.
De rechtbank acht de situatie zeer zorgelijk. Aanknopingspunten om te doen wat in deze zaak nodig is, namelijk het opleggen van bijzondere voorwaarden die begeleiding en behandeling bewerkstelligen, ontbreken. De enige mogelijkheid die derhalve resteert is afstraffen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, nu de strafeis naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doet aan met name de ernst van de poging tot zware mishandeling en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen genoemd op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen in beslag genomen.
Nu met betrekking tot de voorwerpen genoemd onder 3 en 7 het onder 4, respectievelijk 3 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Nu het voorwerp genoemd onder 8 is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt ook dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.
De overige voorwerpen zullen aan verdachte worden teruggegeven.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 36b, 36c, 36d, 45, 57 (oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10Beslissing
Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer: de goederen genoemd onder de nummers 3, 7 en 8 op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan verdachte van: de goederen genoemd onder de nummers 1, 2, 4, 5 en 6 op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.R. Vlierhuis, voorzitter,
mrs. Q.M.J.A. Crul en H.J. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2026.
[--]
Door de huisarts op 4 juni 2026 verstrekte medische gegevens, bladzijde 14 e.v. van het aanvullend procesdossier van 18 juni 2026.
E-mail van mr. [naam 2] van 22 september 2026 met aangehechte foto’s.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 260414-4071-209 van 15 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 3] en [naam 4] , bladzijde 112 e.v., inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026093529-5 van 16 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , bladzijde 115 e.v., inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026089252-22 van 16 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 5] en [naam 6] , bladzijde 105 e.v., inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.
Proces-verbaal van de terechtzitting op 25 september 2026.
Het raadsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming van 18 september 2026, bladzijden 24 en 25.
Forensisch medische letselrapportage opgesteld door forensisch arts [arts] d.d. 21 juli 2026.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026089252-32 van 17 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] , inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.
Proces-verbaal van onderzoek met nummer 2026089252 van 17 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , inhoudende verklaring van voornoemde verbalisant.
Proces-verbaal van de terechtzitting op 25 september 2026.