I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBDHA:2026:31330 Rechtbank Den Haag , 24-09-2026 / C/09/704203 / HA RK 26-277 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« - het e-mail bericht van 12 augustus 2026 van de zijde van verzoekster. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 september 2026. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 26-277
Zaaknummer: C/09/704203
Datum beschikking: 24 september 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G. Grigorjan in ‘s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. T. Stelpstra.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met bijlagen;
-
de brief van 12 augustus 2026 van de Staat, met bijlagen;
-
het e-mail bericht van 12 augustus 2026 van de zijde van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoekster is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
-
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1985 in de Gazastrook.
-
Verzoekster is op 4 januari 2026 Nederland ingereisd en heeft op 5 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
-
Deze verblijfsvergunning asiel is verleend met ingang van 4 januari 2026 en geldig tot 4 januari 2031.
-
Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten:
-
een Palestijns paspoort; dit document is onderzocht en echt bevonden door Bureau Documenten op 7 januari 2026;
-
een kopie Palestijnse identiteitskaart;
-
een kopie UNRWA Family Registration Card.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Verzoekster is na haar vertrek uit de Gazastrook via Egypte naar Turkije gegaan, waarbij zij slechts enkele dagen in Egypte heeft verbleven. Hierna is zij doorgereisd naar Griekenland en België. Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank de Palestijnse Gebieden, Turkije, Griekenland en België bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. Gelet op de korte periode waarin verzoekster in Egypte verbleef, ziet de rechtbank geen aanleiding om Egypte te betrekken in de beoordeling.
De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Verzoekster is geboren in de Gazastrook.
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – waarvan haar paspoort is onderzocht en echt is bevonden door Bureau Documenten van de IND – in onderlinge samenhang bezien en de verklaringen van verzoekster is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoekster stelt op 8 februari 2021 Turkije te zijn ingereisd, hetgeen overeenkomt met de stempel in haar paspoort. Vervolgens heeft verzoekster op 18 januari 2024 in Griekenland asiel aangevraagd. Dit duidt op een verblijf van ongeveer drie jaar in Turkije.
Artikel 11 van de wet op het Turks staatsburgerschap bepaalt dat een vreemdeling in aanmerking kan komen voor het Turks staatsburgerschap indien hij gedurende vijf jaren voorafgaande aan de datum van het verzoek tot naturalisatie onafgebroken in Turkije ingeschreven is geweest. Daarvan is niet gebleken.
Op de termijn van vijf jaar worden in artikel 12 van de wet op het Turks staatsburgerschap uitzonderingen genoemd, maar dat ziet op personen die door de minister van Binnenlandse Zaken worden voorgedragen vanwege bijzondere prestaties of toegevoegde waarde voor de Turkse maatschappij. Ook daarvan is niet gebleken.
Gelet op het voornoemde is het niet aannemelijk dat verzoekster de nationaliteit van Turkije heeft verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoekster stelt op 15 januari 2024 Griekenland te zijn ingereisd en heeft op 18 januari 2024 aldaar asiel aangevraagd. Op 22 januari 2024 is haar een Griekse asielvergunning toegekend. Op 2 mei 2024 heeft zij asiel aangevraagd in België.
Uit artikel 5 van de Griekse nationaliteitswetgeving volgt dat een legaal verblijf van tenminste vijf jaar een vereiste is om de Griekse nationaliteit te kunnen verkrijgen. Niet is gebleken dat verzoekster hieraan voldoet, zodat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat verzoekster de Griekse nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van België beschouwd?
Verzoekster heeft op 2 mei 2024 asiel aangevraagd in België en heeft daar tot 4 januari 2026 verbleven. Blijkens de reactie van de Belgische autoriteiten van 28 januari 2026 op het Nederlandse claimverzoek is deze asielaanvraag niet inhoudelijk in behandeling genomen. Verzoekster heeft dus nooit verblijfsrecht in België gehad. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de Belgische nationaliteit.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoekster.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 september 2026.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina 42.