RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63332
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 2] ).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Toetsingskader
- Verweerder kan een vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) van toepassing is op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Uit artikel 44, tweede lid, van de AMbV volgt verder dat er sprake moet zijn van een onderduikrisico, of dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. Verweerder dient hierbij een individuele beoordeling te maken van de situatie van de betrokken persoon en mag een vreemdeling enkel in bewaring stellen voor zover dit evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Onverwijlde kennisgeving
- Eiser voert aan dat verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De maatregel is namelijk op 16 oktober 2026 opgelegd en verweerder heeft de rechtbank hiervan pas op 19 oktober 2026 in kennis gesteld. Hij wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5462), waaruit volgt dat sprake is van een onverwijlde kennisgeving als deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. In het geval van eiser is de kennisgeving niet binnen deze termijn verstuurd. Eiser stelt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, omdat hij niet tijdig effectieve rechtsbijstand heeft kunnen krijgen en de maatregel later door de rechtbank op zitting is behandeld.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet onverwijld aan de rechtbank is verstuurd. Uit de Afdelingsuitspraak van 17 september 2026 volgt dat sprake is van een onverwijlde kennisgeving als deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Deze uitleg van het begrip ‘onverwijld’ geldt ongeacht de omstandigheden van het geval en de aanleiding voor een eventueel uitstel. De maatregel van eiser is op 16 oktober 2026 om 14:55 uur opgelegd en de kennisgeving is op 19 oktober 2026 om 17:04 uur naar het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken van de rechtspraak gemaild. De kennisgeving is daarmee niet onverwijld gedaan.
2.2.
Uit de Afdelingsuitspraak van 17 september 2026 volgt verder dat als een kennisgeving niet onverwijld is verstuurd, dit een maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig maakt. Dit is alleen het geval als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is. Bij die belangenafweging is in het bijzonder van belang in hoeverre de vreemdeling door de gang van zaken is geschaad in haar verdediging. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat de belangen van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder wegen dan de belangen van eiser bij opheffing van de maatregel. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat zij nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak kan doen op het beroep. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde bewaringsmaatregel. Daarnaast is van belang dat de gemachtigde van eiser op 22 oktober 2026 over de kennisgeving en de andere stukken in het dossier beschikte en dus vijf dagen de tijd had om de zaak voor te bereiden. Eiser heeft dus tijdig effectieve rechtsbijstand kunnen krijgen. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat hij door het niet onverwijld versturen van de kennisgeving in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank ziet in het gebrek dan ook geen reden om de maatregel op te heffen.
Gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring
- In de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.2.
Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder de individuele situatie van eiser niet of onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van het bestaan van het onderduikrisico. Daartoe voert eiser aan dat hij zich op 16 oktober 2026 heeft gemeld in Ter Apel en dat hij meewerkt aan verzoeken of bevelen van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV). Dit laat zien dat hij gevolg heeft gegeven aan oproepen van verweerder. Verder betwist eiser alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van de gronden a en p stelt eiser dat deze disproportioneel zijn, nu van hem in zijn hoedanigheid als vluchteling niet kan worden verwacht dat hij beschikt over originele documenten. Verder heeft eiser openheid van zaken gegeven met betrekking tot zijn identiteit. Eiser stelt ten aanzien van grond f dat het niet de bedoeling is geweest om gebruik te maken van een vals document en hij betwist dat hij zich met dit document in Nederland had willen wortelen. Eiser heeft asiel willen aanvragen middels zijn echte naam, maar heeft verweerder zelf de gegevens van het valse document overgenomen. Voorts stelt eiser dat grond r hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij verbleef in het COA en dit bekend was bij de autoriteiten. Tot slot stelt eiser ten aanzien van grond s en in aanvulling op grond r dat de omstandigheden dat hij bij het COA verblijft en geen geld heeft, te wijten zijn aan het feit dat hij een asielzoeker is.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond a zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk zonder in het bezit te zijn van een op dat moment geldig reisdocument (paspoort met visum), en daarmee niet op de voorschreven wijze, Nederland ingereisd. Daarnaast heeft eiser zich zonder toestemming tussen lidstaten van de Europese Unie (EU) bewogen. De omstandigheden die eiser op dit punt aanvoert, nemen niet weg dat deze grond zich feitelijk voordoet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder grond a aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag kunnen leggen. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder de gronden f, r en s terecht en deugdelijk gemotiveerd aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikte namelijk over een vals Bulgaars identiteitskaart en heeft deze zelf overgelegd. Grond f is daarmee feitelijk juist. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats, en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan. Daarmee zijn de gronden r en s ook feitelijk juist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom uit de gronden r en s een onderduikrisico volgt.
3.4.
De gronden a, f, r en s kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van vreemdelingenbewaring al dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De omstandigheden dat eiser zich op 16 oktober 2026 heeft gemeld en dat hij meewerkt aan verzoeken of bevelen van de DTenV, is onvoldoende voor een ander oordeel. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Lichter middel
- Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Daartoe voert eiser aan dat er geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat hij niet meewerkt. Een meldplicht zou in dit geval redelijk zijn geweest, aldus eiser.
4.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder wijst allereerst terecht op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan, en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verklaard dat hij in Nederland wil blijven en niet wil terugkeren naar Frankrijk of een ander Europees land waar zijn vingerafdrukken zijn geregistreerd. Het standpunt dat niet is gebleken dat eiser niet meewerkt, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ten aanzien van de opmerking dat geen vertrekgesprek zou hebben plaatsgevonden, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat er op 26 oktober 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Eiser heeft verder geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat thans een minder dwingende maatregel, zoals een meldplicht, afdoende is om zijn uitzetting te waarborgen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Ambtshalve toetsing
- Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
- Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).