RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats: Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6559
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2026in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit waarbij het college zijn bezwaar ongegrond heeft verklaard. Eiser had ook beroep ingesteld tegen de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, maar heeft dat beroep op de zitting ingetrokken. De rechtbank beoordeelt daarom alleen het beroep tegen het besluit waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag om bijstand van eiser terecht heeft afgewezen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om bijstand van eiser terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
- Met het besluit van 10 december 2024 heeft het college de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Met het primaire besluit van 22 april 2025 heet het college beslist op de nieuwe aanvraag van eiser. Daarbij heeft het college het besluit van 10 december 2024 ambtshalve herzien en de periode vanaf datum eerste aanvraag betrokken bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag. Het college heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 12 september 2024 een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet alle gevraagde gegevens en bewijsstukken had overgelegd.
3.1.
Op 22 januari 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Omdat op dat moment nog een bezwaarprocedure liep tegen het besluit waarbij de eerste aanvraag buiten behandeling was gesteld, heeft het college besloten de periode waarop de eerste aanvraag betrekking had, vanaf 12 september 2024, te betrekken bij de beoordeling van de tweede aanvraag.
3.2.
Uit de gedingstukken blijkt dat eiser een opleiding tot BPM-taxateur en een opleiding fotografie volgde. Verder stond eiser als taxateur vermeld op de website van [bedrijf] . Bij brief van 20 maart 2025 heeft het college eiser verzocht om vóór 3 april 2025 nadere gegevens en bewijsstukken over te leggen. Het ging onder meer om: zijn arbeidscontract bij [bedrijf] , een beschrijving van de exacte werkzaamheden bij [bedrijf] , een overzicht waarin eiser aangeeft welke dagen en tijdstippen hij werkzaam is voor het bedrijf, gespecifieerd per dag, de overeenkomst met [bedrijf] dat zij het examen van eiser hebben bekostigd, het bewijs van deelname aan het examen STE training Europe, het betalingsbewijs voor het examen LSadvies en het ontslagbewijs bij Youngcapital. In deze brief is ook vermeld dat eiser had verklaard een opleiding tot BPM-taxateur te volgen, dat deze opleiding werd bekostigd door een bevriende garage en dat hij na afronding van de opleiding bij die garage werkzaam zou kunnen zijn. Eiser heeft niet alle gevraagde gegevens en bewijsstukken overgelegd. Het college heeft de aanvraag vervolgens afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college deze afwijzing gehandhaafd.
Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?
4. Eiser voert aan dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser is hij niet werkzaam (geweest) bij [bedrijf] . Hem is niet verzocht een verklaring van [bedrijf] over te leggen. Eiser stelt dan ook dat het op de weg van het college lag om te onderzoeken of hij bij [bedrijf] werkzaam was. Volgens eiser blijkt uit de door het college overgelegde stukken niet dat een dergelijk onderzoek in Suwinet heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen. Bovendien blijkt uit de raadpleging van Suwinet dat eiser geen arbeidsverhouding had met [bedrijf] . Omdat alleen het college Suwinet kan raadplegen, lag het volgens eiser in het kader van zorgvuldigheidsbeginsel op de weg van het college om nader onderzoek te verrichten. Volgens eiser staat dit los van de op hem rustende bewijslast. Nu hij gemotiveerd heeft gesteld dat hij niet bij [bedrijf] werkzaam is geweest had het college het tegendeel aannemelijk moeten maken. Dit is nimmer gebeurd.
- De rechtbank overweegt als volgt. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden stellen die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
5.1.
De rechtbank is met het college van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op bijstand. Daarbij is van belang dat het college eiser meerdere malen heeft verzocht nadere gegevens over te leggen. Daarvoor bestond ook aanleiding. Eiser stond namelijk op de website van [bedrijf] vermeld als BPM-taxateur. Daarnaast was gebleken dat eisers opleiding werd bekostigd door [bedrijf] , wat de veronderstelling rechtvaardigt dat hij na afronding van die opleiding voor [bedrijf] werkzaamheden zou verrichten. Eiser heeft zijn stelling dat hij niet daadwerkelijk bij [bedrijf] werkzaam is geweest niet met gegevens onderbouwd. Zo had hij bijvoorbeeld een verklaring van [bedrijf] kunnen overleggen waarin wordt bevestigd dat hij in de relevante periode daar geen werkzaamheden heeft verricht. De enkele stelling van eiser dat hij niet bij [bedrijf] werkzaam is geweest is onvoldoende, mede gelet op het feit dat hij op de website van [bedrijf] als taxateur stond vermeld en dat zijn opleiding door [bedrijf] werd bekostigd. Dat de vermelding van eiser later van de website is verwijderd maakt dat niet anders, nu het college deze vermelding voorafgaand aan de beoordeling van de aanvraag had geconstateerd. Ook de omstandigheid dat uit de raadpleging van Suwinet geen arbeidsverhouding met [bedrijf] blijkt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee is namelijk niet zonder meer duidelijk geworden of eiser daadwerkelijk geen werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht. Anders dan eiser stelt, hoefde het college onder deze omstandigheden niet nader te onderzoeken of eiser daadwerkelijk bij [bedrijf] werkzaam was. Het lag in de eerste plaats op de weg van eiser om hierover de gevraagde duidelijkheid te verschaffen. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake. Nu eiser de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd, heeft hij onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn situatie en financiële positie, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Geregistreerd onder zaaknummer ARN 25/3067.
De aanvraag van 12 september 2024.
De aanvraag van 22 januari 2025.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:542 en 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:364.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1672.