RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/060575-26
Datum uitspraak : 30 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Eritrea),
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
raadsman: mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf, op de kruising met de Nieuwgraaf, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde en/of terwijl voor voornoemde kruising Bord B6 stond en/of haaientanden op het wegdek waren geplaatst,
-
in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of handelingen met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of
-
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
-
niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de Nieuwgraaf) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg andere bestuurders naderde en/of
-
met een snelheid van ongeveer 20 km/uur, althans met onverminderde snelheid, voornoemde kruising is op/over gereden en/of in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-
in strijd met artikel 80 van voornoemd reglement bij de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een fiets op de kruisende weg en/of
-
is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde bestuurder van een fiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf, op de kruising met de Nieuwgraaf,
terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl voor voornoemde kruising Bord B6 stond en/of haaientanden op het wegdek waren geplaatst,
-
in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of handelingen met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of
-
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
-
niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de Nieuwgraaf) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg andere bestuurders naderde en/of
-
met een snelheid van ongeveer 20 km/uur, althans met onverminderde snelheid, voornoemde kruising is op/over gereden en/of in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-
in strijd met artikel 80 van voornoemd reglement bij de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een fiets op de kruisende weg en/of
-
is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde bestuurder van een fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Duiven als bestuurder van een vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dijkgraaf, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nieuwgraaf, op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurder van een fiets op die kruisende weg geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat uit van de laagste schuldgradatie. Volgens de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en is het aan zijn schuld te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden. Verdachte is beroepschauffeur, waardoor voor hem strengere regels gelden en het ongeval gebeurde tijdens de avondspits op een industrieterrein. Verdachte had daarom extra oplettend moeten zijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, omdat het veroorzaken van een aanrijding als gevolg van het enkel niet waarnemen van een andere verkeersdeelnemer de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) niet haalt. Niet is gebleken van andere ernstige verwijtbare gedragingen aan de zijde van verdachte.
De raadsman heeft verder betoogd dat op grond van de stukken in het procesdossier niet kan worden bewezen dat verdachte kort voor de aanrijding een telefoon heeft vastgehouden of bediend. Verdachte moet dus in elk geval van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Verdachte heeft kort voor (en tijdens) de aanrijding wel ‘handsfree’ gebeld, maar van een causaal verband tussen het voeren van het telefoongesprek en het niet waarnemen van de fietser is niet gebleken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Het verkeersongeval
Op 4 juni 2025 heeft op de Nieuwgraaf in Duiven een aanrijding plaatsgevonden tussen verdachte als bestuurder van een vrachtwagen en een fietser, [slachtoffer] . Verdachte reed omstreeks 17:00 uur op de Dijkgraaf, richting het kruispunt met de Nieuwgraaf. Aan bestuurders die vanuit de Dijkgraaf de Nieuwgraaf naderen wordt door middel van borden (conform model B6) en haaientanden op het wegdek kenbaar gemaakt dat zij voorrang moeten verlenen aan al het verkeer op de Nieuwgraaf. Op het moment dat verdachte het kruispunt met de Nieuwgraaf naderde, fietste [slachtoffer] van links komend op het aan de overzijde gelegen fietspad. Verdachte reed met zijn vrachtwagen – met een minimale snelheid van 20 kilometer per uur en zonder te stoppen – het kruispunt over in de richting van de inrit van een bedrijventerrein. Op het moment dat hij het fietspad kruiste bevond [slachtoffer] zich recht voor de vrachtwagen. Verdachte zag hem toen pas voor het eerst, kon niet meer uitwijken en reed tegen de rechterzijde van het achterwiel van de fiets aan, waardoor [slachtoffer] ten val kwam.
Ten gevolge van het ongeval liep [slachtoffer] forse traumatische bloedingen bij de hersenen, breuken in de schedel, het aangezicht, het sleutelbeen en de ribben en een longkneuzing op. [slachtoffer] is de dag na het ongeval aan zijn verwondingen overleden. De conclusie van de forensisch arts is dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden ten gevolge van een verkeersgeval.
Omstandigheden waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden
Uit de verkeersongevallenanalyse komt naar voren dat geen technische of infrastructurele oorzaak kon worden aangetoond die een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de aanrijding. Het zicht op het kruispunt werd niet belemmerd door vaste objecten in de omgeving. Evenmin was sprake van bijzondere weersomstandigheden die van invloed geweest zouden kunnen zijn.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij beroepschauffeur is en op 4 juni 2025 aan het werk was toen hij op de Dijkgraaf reed. Hij was niet bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Hij heeft de verkeersborden, de haaientanden en het fietspad gezien en wist dat hij voorrang aan verkeersdeelnemers op de kruisende weg moest verlenen. Verdachte verklaarde dat hij ongeveer 20 kilometer per uur reed en de kruisende weg is overgestoken zonder zijn snelheid te verminderen. Hij zag de fietser pas op het moment dat deze recht voor zijn cabine opdook en is onmiddellijk op de rem getrapt.
Onderzoek telefoon
Forensische Opsporing Verkeer heeft vastgesteld dat de aanrijding om 17:00:40 uur plaatsvond. Uit het onderzoek van de telefoon door een digitaal specialist van de politie blijkt dat verdachte om 16:55:09 uur via WhatsApp een actieve binnenkomende oproep had die tot 17:00:48 uur duurde. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte volgt dat hij kort voor en tijdens de aanrijding handsfree heeft gebeld.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Of er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.
Conclusie
De rechtbank stelt voorop dat van de verdachte, die vrachtwagenchauffeur van beroep is, een grotere mate van zorgvuldigheid mag worden verlangd dan van een gemiddelde, ervaren weggebruiker. Een vrachtwagen is immers een zwaar voertuig dat een langere remweg heeft en in geval van een aanrijding aanzienlijk meer schade kan veroorzaken dan een personenauto. Op een professioneel vrachtwagenchauffeur rust daarom een bijzondere verantwoordelijkheid om tijdig te kunnen anticiperen op wat zich voordoet in het verkeer, met het oog op andere, meer kwetsbare verkeersdeelnemers.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte [slachtoffer] op 4 juni 2025 niet alleen had kunnen, maar ook had moeten zien. Verdachte reed in zijn vrachtwagen een kruispunt tegemoet waarop zich een tweebaansweg en een fietspad bevonden. Hij zag aan de haaientanden en verkeersborden op zijn weg dat hij voorrang moest verlenen. Verdachte had bij het naderen en het oprijden van het kruispunt daarom extra behoedzaam en oplettend moeten zijn. Verdachte is echter zonder te stoppen of zijn snelheid aanmerkelijk te vertragen de kruising overgestoken. Hij heeft zichzelf daarmee de kans ontnomen omtijdig te kunnen reageren op het op de voorrangsweg aanwezige, naderende of overstekende verkeer. Dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, goed heeft uitgekeken voordat hij het kruispunt naderde, maakt het voorgaande niet anders. Daarnaast was hij verwikkeld in een telefoongesprek net voor en tijdens het ongeval, wat aandacht opslokt en waardoor extra oplettendheid geboden is.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn aandacht onvoldoende op de weg en het zich daarop bevindende verkeer heeft gericht, nu hij [slachtoffer] niet heeft waargenomen. Verdachte heeft geen omstandigheden aangevoerd die een verklaring kunnen bieden voor het uitblijven van deze waarneming. Het betrof immers een overzichtelijk kruispunt en het was voor verdachte duidelijk dat hij voorrang moest verlenen.
Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam geweest. De gedragingen van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, hebben het ongeval veroorzaakt en rechtvaardigen de conclusie dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval waardoor [slachtoffer] is overleden. De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend is bewezen.
Partiële vrijspraak
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen niet bewezen dat verdachte op het moment van de aanrijding een telefoon heeft vastgehouden, bediend of handelingen met een telefoon heeft verricht. De rechtbank spreekt daarom hem vrij van dat deel van de tenlastelegging.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf, op de kruising met de Nieuwgraaf, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde en/of terwijl voor voornoemde kruising Bord B6 stond en/of haaientanden op het wegdek waren geplaatst,
-
in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans een mobiele telefoon heeft bediend en/of handelingen met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of
-
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
-
niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de Nieuwgraaf) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg andere bestuurders naderden en/of
-
met een snelheid van ongeveer 20 km/uur, althans met onverminderde snelheid, voornoemde kruising is op/over gereden en/of in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-
in strijd met artikel 80 van voornoemd reglement bij de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een fiets op de kruisende weg en/of
-
is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voornoemde bestuurder van een fiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in inverzekeringstelling heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – in geval van een bewezenverklaring voor het subsidiair tenlastegelegde – verzocht om een geldboete op te leggen. Indien de rechtbank ook een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de orde vindt, is verzocht deze geheel voorwaardelijk op te leggen. In dit verband is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft als beroepsmatig bestuurder van een vrachtwagen een fietser aangereden. Vastgesteld is dat verdachte, ondanks dat voor de kruising een voorrangsbord op kruisend verkeer attendeerde en haaientanden op de weg waren geplaatst, niet goed heeft gekeken naar de andere verkeersdeelnemers. Bij het oversteken van de rijbaan en het fietspad heeft hij zijn snelheid niet of onvoldoende geminderd, zodat hij niet meer tijdig kon remmen en de fietser, dhr. [slachtoffer] , aanreed. Ten gevolge van deze aanrijding heeft dhr. [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is hij een dag later in het ziekenhuis aan deze verwondingen overleden.
Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de echtgenote van dhr. [slachtoffer] blijkt dat zij nog iedere dag zwaar gebukt gaat onder het verlies van haar man. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren.
De persoon en de omstandigheden van verdachte
Verdachte is enig kostwinner van een gezin met vier kinderen. Verdachte was door het ongeval emotioneel dermate geraakt dat hij vier maanden niet heeft kunnen werken en vanwege de inbeslagname van zijn tachograaf is hij door zijn werkgever ontslagen.
Uit het strafblad van verdachte van 8 september 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank voor de overtreding van artikel 6 WVW aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor soortgelijke feiten. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, zoals uiteengezet, leiden tot een aanmerkelijke mate van schuld, waarbij de aanmerkelijke schuld aan de ondergrens van artikel 6 WVW zit. Volgens de oriëntatiepunten is bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte en waarbij de dood van het slachtoffer is gevolgd, een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar aangewezen.
Verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij zonder zijn rijbewijs zijn werk als vrachtwagenchauffeur niet kan verrichten en dat dit grote financiële gevolgen zal hebben voor zijn gezin, nu hij enig kostwinnaar is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken, in die zin dat de ontzegging van de rijbevoegdheid gedeeltelijk voorwaardelijk zal worden opgelegd. De rechtbank zal de rijontzegging – anders dan door de verdediging bepleit – niet in geheel voorwaardelijke zin aan verdachte opleggen, vanwege de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan.
Alles overziend legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering heeft doorgebracht, zal bij de uitvoering van de taakstraf in mindering worden gebracht.
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het hiervoor beschreven leed van de nabestaanden ongedaan kan maken. De gevolgen zijn onomkeerbaar. Anderzijds ziet de rechtbank dat ook voor verdachte het ongeval een grote impact heeft gehad en dat hij de gevolgen van zijn handelen uiteraard niet heeft gewild. Feit is echter wel dat door een verkeersfout van verdachte een ander het leven is ontnomen. Voor verdachte geldt dat hij die last met zich mee zal moeten dragen, maar dat betekent niet dat hij er de rest van zijn leven onder gebukt moet gaan.
8De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 20.000,00 als vergoeding van schokschade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting toegelicht.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij in de traumakamer van het ziekenhuis werd geconfronteerd met het zware letsel van haar man. Zij beschrijft dat haar man zo ernstig gewond was dat zij hem, vanwege die verwondingen, enkel aan zijn kleding herkende. Zij heeft tot aan het moment dat haar man is overleden aan zijn bed gezeten. De confrontatie met het letsel en de gevolgen daarvan hebben bij haar geleid tot een hevige emotionele schok.
Uit het huisartsenjournaal blijkt dat sprake is van “post traumatische klachten na overlijden van partner door fietsongeluk in juni 2025”, waarbij de huisarts beschrijft dat “duidelijk sprake is van angstcomponenten die ook aan de criteria van PTSS voldoen”. De huisarts beschrijft dat hij denkt dat er een relatie is tussen de waarnemingen van de gewonde echtgenoot en haar klachten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De officier van justitie heeft aangevoerd dat voor de toekenning van schokschade aan bepaalde criteria moet zijn voldaan. Het desbetreffende onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting voor het strafproces zijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat niet aan de criteria is voldaan die de Hoge Raad als uitgangspunt voor de toekenning van schokschade heeft geformuleerd. Er is geen rapportage die het geestelijk letsel naar objectieve maatstaven vaststelt en het causaal verband met het ongeval aantoont. Nader onderzoek vormt volgens de verdediging een te grote belasting van het strafgeding.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag zo veel mogelijk te matigen.
Overweging van de rechtbank
Op grond van art. 6:106 lid 1 onder b BW kan de benadeelde partij in aanmerking komen voor de vergoeding van schokschade. De rechtbank sluit ten aanzien van de criteria voor de toekenning van schokschade aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is en in voldoende mate objectiveerbaar.
Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is, voor vergoeding in aanmerking.
De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Conclusie
De rechtbank begrijpt dat de gebeurtenissen voor de benadeelde partij schokkend zijn geweest. Zij is weliswaar geen getuige geweest van het ongeval, maar werd in het ziekenhuis geconfronteerd met het zichtbare letsel van haar zwaargewonde man en diens overlijden. Echter kan op grond van de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken niet zonder meer worden vastgesteld dat die emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou nader onderzoek noodzakelijk zijn. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
-
9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
-
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit, zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, te weten 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van schokschade en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Gooijer (voorzitter), mr. P.M. Lindeman en
mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025260362, gesloten op 20 februari 2026, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal FO Verkeer, p. 85 en 119, Proces-verbaal FO Verkeer analyse tachograafdata, p. 138 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 oktober 2026
Schouwverslag van 5 juni 2025.
Proces-verbaal FO Verkeer, p. 85 en p. 86.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 oktober 2026.
Proces-verbaal veiligstellen gegevens, p. 74, en Proces-verbaal FO Verkeer, p. 108.
Aanvullend proces-verbaal d.d.8 oktober 2026, aanvullend onderzoek digitale gegevens van Samsung A35.
HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.