RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6810
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. I. Metaal).
Inleiding
Op 21 mei 2026 heeft de politie bij het CBR een melding gedaan over verzoekster als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Naar aanleiding hiervan heeft het CBR met het bestreden besluit van 9 juli 2026 besloten om een rijgeschiktheidsonderzoek op te leggen aan verzoekster en haar rijbewijs te schorsen tot de uitslag van het onderzoek. Het CBR twijfelt namelijk aan de lichamelijke geschiktheid van verzoekster en wil onderzoeken of zij volgens de wettelijke regels geschikt is om te rijden.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Daarom heeft zij hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster wil dat het CBR de schorsing van haar rijbewijs opheft. Het CBR heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter neemt aan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Zij heeft – onweersproken – gesteld dat zij haar rijbewijs dringend nodig heeft voor haar werk, het bezoeken van doktersafspraken om haar FNS-klachten te verminderen en de zorg voor haar kinderen. Verzoekster heeft uitgelegd dat zij vanwege haar fysieke gesteldheid in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart en fysiek niet in staat is om grote afstanden te overbruggen of structureel gebruik te maken van het openbaar vervoer.
Onterechte melding
7. Verzoekster voert aan dat het proces-verbaal van bevindingen dat is opgesteld door de politieagenten de feiten niet goed weergeeft. Verzoekster heeft namelijk helemaal geen epilepsie of last van epileptische aanvallen. Het klopt ook niet dat de klachten sinds een week weer gestart zouden zijn en dat zij hiervoor (nieuwe) medicatie gebruikt die niet aan zou slaan. Verzoekster heeft daarom ook een verzoek ingediend bij de politie om het proces-verbaal van bevindingen formeel te rectificeren. Verzoekster erkent dat zij gediagnosticeerd is met FNS. Dat is een fysieke neurologische aandoening waarbij er sprake is van een storing in de signaalverwerking van de hersenen. Dit kan leiden tot tijdelijke lichamelijke uitval, maar het is géén psychiatrische stoornis. Verzoekster herkent de fysieke signalen van een naderende aanval goed en snel waardoor het haar vermogen om veilig deel te nemen aan het verkeer niet onverwachts aantast. Ook op 21 mei 2026 heeft verzoekster de symptomen van een naderende FNS-aanval herkend en heeft zij haar auto op tijd geparkeerd bij een tankstation. Pas nadat ze zichzelf in veiligheid had gebracht en haar moeder op de hoogte had gesteld kreeg verzoekster een aanval. Er is dan ook geen sprake geweest van een onveilige of gevaarlijke situatie. Volgens verzoekster hebben de politieagenten erkend dat zij de melding met deze context waarschijnlijk niet hadden gemaakt bij het CBR.
-
Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) wordt er mededeling gedaan bij het CBR als het vermoeden bestaat dat iemand niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van een auto. Bij deze mededeling moet er verwezen worden naar de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan dit vermoeden. De feiten en omstandigheden op basis waarvan zo’n mededeling kan worden gedaan of zo’n vermoeden kan ontstaan zijn neergelegd in de bijlage van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid 2011 (de Regeling). Als een dergelijke mededeling wordt gedaan, besluit het CBR tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid. Dit is een zogenoemde gebonden bevoegdheid die geen ruimte geeft voor een belangenafweging.
-
Uit vaste rechtspraak volgt dat het CBR mag uitgaan van de feiten en omstandigheden van het proces-verbaal van bevindingen. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat dit niet klopt. Daar is verzoekster niet in geslaagd. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verzoekster op 21 mei 2026 door de politie is aangetroffen in haar auto die stil stond op een parkeerplaats naast een tankstation. er zich naast het voertuig braaksel bevond. De politieagenten hebben verzoekster aangesproken maar daar reageerde zij niet op. Ze reageerde wel op een pijnprikkel. Verzoekster had daarnaast een oppervlakkige ademhaling en een versnelde hartslag. Verzoekster had voordat zij wegviel haar moeder gebeld die een ambulance had ingeschakeld. Deze is ter plaatse gekomen en heeft de zorg overgenomen. Het ambulancepersoneel heeft bij de politieagenten aangegeven dat verzoekster last zou hebben van een functionele neurologische stoornis (FNS). Verzoekster heeft deze feiten op zichzelf niet weersproken.
-
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR op grond van de geldende wet- en regelgeving verplicht was om een medisch onderzoek op te leggen aan verzoekster. Met het CBR is de voorzieningenrechter van oordeel dat de feiten en omstandigheden die niet ter discussie staan, namelijk dat verzoekster bewusteloos is aangetroffen in haar geparkeerde auto langs de kant van de weg en dat zij gediagnosticeerd is met FNS, voldoende zijn voor een gerechtvaardigd vermoeden voor twijfel aan de geschiktheid van verzoekster om motorrijtuigen te besturen. Zoals het CBR ook heeft opgemerkt is het niet aan de politie om een uitgebreid feitenonderzoek te doen alvorens een melding te doen bij het CBR. De feiten zoals ze waren en de situatie die de politie aantrof waren zodanig dat bij de politie een vermoeden kon bestaan dat verzoekster niet langer beschikte over de rijvaardigheid dan wel lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig en was er dus voldoende reden om een melding te doen. Daarbij heeft de politie geen diagnose gesteld, zoals verzoekster stelt, en de politie kan en mag dat ook niet. Dat de politie verzoekster nadien zou hebben gezegd dat zij geen melding had gedaan als ze de details van de situatie van verzoekster hadden gekend, wat daar verder ook van zij, doet daar niet aan af. Ook van een lichtzinnige en onzorgvuldige aanname is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
-
Het CBR heeft volledigheidshalve de situatie alsnog voorgelegd aan één van zijn medisch adviseurs. Deze heeft aangegeven dat FNS een aandoening is die aanleiding geeft om aanvullend medisch onderzoek te doen, omdat moet worden beoordeeld onder welke paragraaf van de Regeling de aandoening/klachten vallen. Het is aan een onafhankelijk specialist om te beoordelen of verzoekster de aanvallen helder en tijdig herkent en of dit in alle verkeerssituaties mogelijk is. Daarbij komt dat er op dit moment onvoldoende informatie is over het ziektebeeld van verzoekster om hierover een eenduidig antwoord te geven. Zo lang er geen specialistisch medisch rapport is waaruit blijkt dat verzoekster met haar aandoening daadwerkelijk geschikt is voor een rijbewijs moet worden vermoed dat zij rij-ongeschikt is.
-
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het CBR voldoende gemotiveerd dat de medische situatie van verzoekster een gerechtvaardigd vermoeden oplevert voor twijfel aan de geschiktheid van verzoekster om motorrijtuigen te besturen, zodat het CBR bevoegd en gehouden was om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen.
Evenredigheidsbeginsel
-
Verzoekster voert aan dat de schorsing van haar rijbewijs een volstrekt disproportionele maatregel is. Vanwege haar fysieke beperkingen is zij volledig afhankelijk van haar auto. Zonder rijbewijs verliest zij haar mobiliteit, haar werk en daarmee haar inkomsten en kan ze niet meer zorgen voor haar kinderen. De gevolgen van het bestreden besluit zijn voor haar dan ook onevenredig belastend. Daarom verzoekt ze de voorzieningenrechter om de schorsing van haar rijbewijs op te heffen.
-
Omdat het CBR gehouden is om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen, is zij gelet op artikel 131 van de WVW, gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 6, van de Regeling, gehouden om de geldigheid van het rijbewijs van verzoekster te schorsen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de WVW en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke, waaronder financiële, omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.
-
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door verzoekster aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat de Regeling buiten toepassing gelaten moet worden. De voorzieningenrechter begrijpt dat de schorsing van het rijbewijs voor verzoekster nadelig en ingrijpend is, maar de situatie van verzoekster wijkt niet bijzonder af van die van andere personen die afhankelijk zijn van hun rijbewijs, zodat geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval, hoe vervelend de situatie voor verzoekster ook is.
Conclusie en gevolgen
- Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het besluit standhouden en heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het besluit te schorsen vanwege de belangen van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het besluit tot oplegging van het onderzoek en de schorsing van het rijbewijs vooralsnog van kracht blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 131, eerste lid, van de Wvw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1574.