I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2026 in de zaak tussen 1. Xfitclub Nederland B.V.uit Huizen, »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBMNE:2026:7728 Rechtbank Midden-Nederland , 02-11-2026 / UTR 26/2667 en UTR 26/2822 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 2. [eiser sub 2] , uit [vestigingsplaats] , hierna gezamenlijk eisers »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad v… »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2667 en UTR 26/2822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2026 in de zaak tussen
-
Xfitclub Nederland B.V.uit Huizen,
-
[eiser sub 2] , uit [vestigingsplaats] , hierna gezamenlijk eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (het college), verweerder
(gemachtigde: A. Leijenhorst).
Procesverloop
- Deze uitspraak gaat over het handhavend optreden door het college tegen de sportschool in de parkeerkelder op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel).
1.1. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan.Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
1.2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek te herstellen.
1.3. Het college heeft op 23 juni 2026 het bestreden besluit van een aanvullende motivering voorzien en nader toegelicht dat het gebruik van de parkeerkelder als sportschool in strijd is met het bestemmingsplan. Op 10 juli 2026 hebben eisers hun zienswijze gegeven.
1.4. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Wat vooraf ging
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft gebaseerd op het standpunt dat met het huidige gebruik niet wordt voldaan aan de parkeernorm die zou gelden volgens de in 2002 en 2008 verleende vergunningen. In de betreffende vergunningen wordt namelijk nergens een parkeernorm als voorschrift vermeld. Aan het college is de gelegenheid geboden nader te motiveren waarom sprake is van een overtreding van de parkeernorm uit het bestemmingsplan. In het primaire besluit was dat namelijk de grondslag voor de last onder dwangsom.
2.1. Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Herstelpoging van het college
- In de aanvullende motivering van 23 juni 2026 heeft het college uiteengezet dat met het gebruik van de parkeerkelder als sportschool niet meer wordt voldaan aan de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan Kom-Oost, dat nu deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Volgens het college moeten er door deze verandering in functie namelijk in totaal 53 parkeerplaatsen beschikbaar zijn op eigen terrein (32 plaatsen voor de reeds bestaande sportschool en 21,2 extra plaatsen voor het nieuwe sportgedeelte in de parkeerkelder). Deze parkeerplaatsen zijn momenteel niet aanwezig waardoor eisers in overtreding zijn.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank moet in deze einduitspraak beoordelen of het college erin is geslaagd het gebrek te herstellen. Dat betekent dat de rechtbank toetst of het college met de aanvullende motivering toereikend heeft onderbouwd dat er sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan op grond waarvan er handhavend kan worden opgetreden.
4.1. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college het gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank is van oordeel dat artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 25.2 uit het bestemmingsplan Kom-Oost (het tijdelijk deel van het omgevingsplan) in deze situatie geen grondslag biedt voor het handhavend optreden.
4.2. Daartoe overweegt de rechtbank dat de parkeernorm uit artikel 25.2 van de planregels alleen van betekenis is wanneer sprake is van de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie op het bijbehorende bouwperceel. Het is niet in geschil dat van de oprichting van een nieuw bouwwerk of de vergroting van een bestaand bouwwerk geen sprake is. De vraag die nu voorligt is dus of het ombouwen van de parkeerkelder tot sportschool een verandering in functie is, zoals bedoeld in het bestemmingsplan.
4.3. Van een verandering in functie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake (geweest). De rechtbank merkt allereerst op dat ‘(verandering in) functie’ niet is gedefinieerd in het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt dat uit de plansystematiek volgt dat niet alle veranderingen in het feitelijke gebruik van een ruimte kwalificeert als een ‘verandering in functie’. In artikel 25.2 van de planregels staan namelijk verschillende typen gebruik opgesomd als functie. Zo worden bijvoorbeeld ‘maatschappelijke voorzieningen’ en ‘dienstverlening’ genoemd als functie, met een bijbehorende parkeernorm. Hieruit volgt dat alleen als je van bijvoorbeeld maatschappelijke voorzieningen naar dienstverlening gaat of andersom er sprake is van een verandering in functie.
4.4. Eisers exploiteren een sportschool op het betreffende perceel. Vóór de verbouwing werd de kelder gebruikt als parkeervoorziening voor de sportschool. Zoals een trappenhuis op zichzelf geen educatieve functie heeft, maar wel onderdeel is van een school, zo was de parkeerkelder onderdeel van de sportschool. Na de verbouwing staat de kelder nog steeds ten dienste van de reeds bestaande sportschool. De functie van het perceel is en blijft dus ‘sport’. Er heeft geen verandering in functie plaatsgevonden. Het gebruik van de parkeerkelder als sportschool is dus niet aan te merken als overtreding in de zin van artikel 5.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan.
4.5. Gelet hierop is het college er niet in geslaagd om deugdelijk te motiveren dat er sprake is van een overtreding. Dat betekent dat het college zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om deze last onder dwangsom op te leggen. De beroepen van eisers zijn daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf voorzien door het besluit van 30 oktober 2025 te herroepen. Daarmee is dit besluit van tafel. Eisers hoeven dus niet te voldoen aan de last. Omdat het primaire besluit reeds om bovenstaande reden herroepen wordt, laat de rechtbank de overige beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd verder onbesproken.
Conclusie en gevolgen
5.1. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een overtreding. Het college was daarom niet bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Nu er geen andere uitkomst mogelijk is, zal de rechtbank het geschil definitief beslechten door zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 30 oktober 2025 te herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
5.2. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college in beide zaken aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben zich niet laten bijstaan door een juridisch gemachtigde. Daarom bestaat geen aanleiding om het college proceskosten te laten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
-
verklaart de beroepen gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
herroept het besluit van 30 oktober 2025;
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
-
draagt het college op het betaalde griffierecht van totaal € 794,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van 15 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2392.