I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« - de dagvaarding;- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBNHO:2026:14072 Rechtbank Noord-Holland , 18-09-2026 / K/4102/12357025 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 1.2. Tegen [gedaagde] is verstek verleend. Ten slotte is vonnis bepaald. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12357025 \ VV EXPL 26-127
Vonnis in kort geding van 18 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. L. Oass,
tegen
de besloten vennootschap,
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2. Tegen [gedaagde] is verstek verleend. Ten slotte is vonnis bepaald.
2Feiten
2.1.
[gedaagde] is een (financieel) administratiekantoor.
2.2. Op 16 februari 2024 is [eiser] bij [gedaagde] in dienst getreden als financieel administratief medewerker, tegen een salaris van € 15,56 bruto per uur (exclusief vakantietoeslag).
2.3. Op 5 februari 2026 heeft [eiser] heeft haar arbeidsovereenkomst opgezegd met als einddatum van 9 april 2026.
2.4.
[eiser] heeft in maart 2026 twee weken (betaald) verlof opgenomen en verder tot aan de einddatum voor [gedaagde] gewerkt.
3De beoordeling
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallig salaris over februari (€ 650,66 netto), maart (€ 1.093,38 bruto) en april 2026 (€ 656,03 bruto) alsmede de opgebouwde maar niet uitbetaalde vakantietoeslag (€ 1.666,75 bruto), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij over februari 2026 slechts een gedeeltelijke salarisbetaling heeft ontvangen en dat over maart 2026 en de door haar in april 2026 gewerkte dagen helemaal geen salaris is betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] nagelaten om het dienstverband financieel correct af te wikkelen en de opgebouwde vakantietoeslag aan haar uit te betalen. Vanwege het betalingsverzuim, maakt [eiser] ook aanspraak op de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de gevorderde bedragen. Ten slotte heeft [eiser] buitengerechtelijke kosten gemaakt, omdat zij genoodzaakt was haar vordering uit handen te geven.
3.3. De kantonrechter zal de vorderingen toewijzen, omdat deze naar hun aard spoedeisend zijn en haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
3.4. De wettelijke rente wordt toegewezen over het achterstallige loon vanaf 9 april 2026, over de vakantietoeslag vanaf 9 mei 2026 en over de wettelijke verhoging vanaf 18 mei 2026.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
814,00
3.6. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 650,66 netto aan achterstallig salaris over februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 18 mei 2026 tot de dag van de volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.093,38 bruto aan achterstallig salaris over maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 18 mei 2026 tot de dag van de volledige betaling,
4.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 656,03 bruto aan achterstallig salaris over april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 18 mei 2026 tot de dag van de volledige betaling,
4.4. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.666,75 bruto aan achterstallige vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50%, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 18 mei 2026 tot de dag van de volledige betaling,
4.5. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 531,62 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op
18 september 2026.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW).