I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Het gaat in deze zaak om de vraag of een zieke werknemer recht heeft op loondoorbetaling. De werkgever meent van niet en stelt dat de werknemer belangrijke informatie over zijn gezondheid (opzettelijk) heeft verzwegen en dat werknemer van deze informatie mededeling had behoren te doen. Om deze reden heeft de werkgever de arbeidsovereenkomsten met werknemer buitengerechtelijk vernietigd. De kantonrechter oordeelt dat niet waarschijnlijk is dat de buitengerechtelijke vernietiging in een bodemprocedure stand zal houde… »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBNHO:2026:14122 Rechtbank Noord-Holland , 08-10-2026 / 12357719 VV EXPL 26-129 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 1.1. [eiser] heeft op 3 september 2026 in kort geding een voorziening gevorderd. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12357719 \ VV EXPL 26-129
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigden: mr. T.L.T. Lammers en mr. T.B. Peters,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigden: mr. S. van Ketel en mr. D. Steur.
De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of een zieke werknemer recht heeft op loondoorbetaling. De werkgever meent van niet en stelt dat de werknemer belangrijke informatie over zijn gezondheid (opzettelijk) heeft verzwegen en dat werknemer van deze informatie mededeling had behoren te doen. Om deze reden heeft de werkgever de arbeidsovereenkomsten met werknemer buitengerechtelijk vernietigd. De kantonrechter oordeelt dat niet waarschijnlijk is dat de buitengerechtelijke vernietiging in een bodemprocedure stand zal houden. In dat geval heeft de werkgever de arbeidsovereenkomsten niet rechtsgeldig vernietigd. Dat betekent dat er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortduurt en de werknemer recht heeft op doorbetaling van loon. De vorderingen van de werknemer worden grotendeels toegewezen.
1De procedure
1.1.
[eiser] heeft op 3 september 2026 in kort geding een voorziening gevorderd.
1.2. Op 17 september 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens [gedaagde] waren aanwezig mevrouw [betrokkene 1] (HR), de heer [betrokkene 2] (directeur) en de heer [betrokkene 3] (directeur), bijgestaan door de gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitnotities, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord ingediend. Na de zitting is een datum voor vonnis bepaald, waarbij is afgesproken dat partijen nog zullen proberen tot een minnelijke regeling te komen. Bij brief van 24 september 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] de kantonrechter bericht dat partijen daarin niet zijn geslaagd.
2De feiten
2.1.
[eiser] is op 1 januari 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van Timmerman 1 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. Het salaris bedraagt € 3.914,39 bruto per 4 weken, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van 40 uur. Vóór de indiensttreding heeft [eiser] op zelfstandige basis (als zzp’er) werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] uitgevoerd.
2.2. De arbeidsovereenkomst is op 11 november 2025 verlengd en voor onbepaalde tijd aangegaan met ingangsdatum 1 januari 2026.
2.3. In de loop van 2025 en begin 2026 heeft [eiser] onder meer fysiotherapie gehad en pijnbehandelingen ondergaan in verband met nekklachten, waarvan eind 2024 is vastgesteld dat die worden veroorzaakt door ‘cervicale nekartrose’. [eiser] heeft in deze periode zijn werkzaamheden steeds volledig verricht.
2.4. Op 23 januari 2026 is [eiser] voor een behandeling op de pijnpoli in het ziekenhuis geweest. Deze behandeling heeft onverwacht geleid tot erge pijn in de schouders en armen van [eiser].
2.5. Op 23 maart 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de directeur van [gedaagde] ([betrokkene 4]) waarin [eiser] de nekartrose en het verloop van de medische behandelingen met [gedaagde] heeft gedeeld. Op 26 maart 2026 heeft [eiser] gemeld dat de fysieke klachten op korte termijn niet langer houdbaar zijn voor de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden.
2.6. Op 9 april 2026 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse opgesteld en is [eiser] officieel ziekgemeld. In de rapportage staat onder meer dat [eiser] door zijn fysieke beperkingen geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft in zijn eigen functie. De bedrijfsarts omschrijft de prognose als ongunstig en blijvend.
2.7.
[gedaagde] heeft [eiser] nadien een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. [eiser] ging hiermee niet akkoord.
2.8. Bij brief en e-mail van 6 juli 2026 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd, primair op grond van bedrog, subsidiair op grond van dwaling. In deze brief is ook medegedeeld dat [gedaagde] het loon per direct zal opschorten.
2.9. Bij brief van 9 juli 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] de vernietiging en loonopschorting betwist en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het salaris en nakoming van de re-integratieverplichtingen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot doorbetaling van loon vanaf 6 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot nakoming van haar re-integratieverplichtingen en afgifte van salarisspecificaties op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht is om het loon tijdens ziekte door te betalen. [gedaagde] beroept zich ten onrechte op vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog of dwaling, zodat het stopzetten van het loon onrechtmatig is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij beroept zich op de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst(en) wegens bedrog en/of dwaling. [eiser] heeft (opzettelijk) onjuiste informatie gegeven en relevante informatie achtergehouden, terwijl deze informatie voor [gedaagde] van wezenlijk belang was bij het aangaan en voortzetten van het dienstverband. Door de vernietiging bestaat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst meer en ontbreekt een grondslag voor de vorderingen van [eiser].
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Kortgedingprocedure
4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang en het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
4.2. Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiser] niet verwacht kan worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Dat is hier het geval, nu het (onder meer) gaat om een vordering tot betaling van achterstallig loon.
Kern van het geschil
4.3. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] de arbeidsovereenkomst(en) rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens bedrog of dwaling. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.4. De kantonrechter stelt het volgende voorop. Als een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen door een opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mee te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
4.5. Ook de mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging op grond van dwaling is in het arbeidsrecht niet uitgesloten. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met het bijzondere karakter van de arbeidsovereenkomst. Een arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling, als ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst een werknemer over zodanige informatie met betrekking tot zijn of haar gezondheid beschikte, dat hij of zij daarvan mededeling aan de werkgever had behoren te doen. Van dergelijke informatie is sprake als een werknemer ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wist dat zijn of haar gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem of haar ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden.
4.6. Op [gedaagde] rust de stelplicht en bewijslast van de door aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij de buitengerechtelijke vernietiging wegens bedrog of dwaling inroept.
Geen bedrog
4.7.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] na de diagnose cervicale nekartrose bewust is overgestapt van een positie als zelfstandige zonder recht op loondoorbetaling bij ziekte naar een vast dienstverband. [gedaagde] heeft [eiser] tijdens het sollicitatiegesprek voorafgaand aan zijn indiensttreding uitdrukkelijk gevraagd of hij last had van fysieke klachten. [eiser] heeft hierop geantwoord dat hij nergens last van had en zijn nekklachten opzettelijk verzwegen om zo een arbeidsovereenkomst te verkrijgen. Na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft [eiser] opnieuw opzettelijk relevante medische informatie verzwegen, namelijk dat verschillende behandelingen voor zijn nekklachten waren mislukt, dat hij was uitbehandeld en dat hij een toenemende achteruitgang ervoer. [eiser] heeft daarbij aangedrongen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd om zo tijdens ziekte doorbetaald te krijgen. Volgens [gedaagde] blijkt uit dit samenstel van gedragingen de opzet van [eiser] om haar te misleiden en te bewegen tot het aangaan van een vast dienstverband op basis van een onjuiste voorstelling van zaken.
4.8. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] hiermee tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende onderbouwd dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomsten opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven of relevante informatie opzettelijk heeft achtergehouden. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat zij [eiser] tijdens het sollicitatiegesprek voorafgaand aan zijn indiensttreding uitdrukkelijk heeft gevraagd of hij last had van fysieke klachten, maar deze stelling is door [eiser] gemotiveerd betwist. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] alleen geïnformeerd naar eventuele rugklachten, omdat hij daar in het verleden last van heeft gehad. [eiser] heeft daarop naar waarheid geantwoord dat hij geen rugklachten meer ervoer. Daarnaast heeft [eiser] gemotiveerd betwist dat hij heeft aangedrongen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en heeft hij toegelicht dat hij de stap van zzp’er naar loondienst wilde maken om (nadat hij na eerder al in loondienst had gewerkt) nog een aantal jaar pensioen te kunnen opbouwen en vanwege de bij [gedaagde] geboden mogelijkheid om zich te richten op klein timmerwerk. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] niet nader onderbouwd waaruit concreet blijkt dat [eiser] [gedaagde] opzettelijk heeft willen misleiden en benadelen. Het beroep op bedrog kan daarom niet slagen.
Geen dwaling
4.9. Van dwaling is naar voorlopig oordeel van de kantonrechter ook geen sprake. Niet gebleken is dat [eiser] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten over zodanige informatie over zijn gezondheid beschikte dat hij daarvan mededeling aan [gedaagde] had behoren te doen. Uit niets blijkt dat [eiser] daadwerkelijk wist dat zijn klachten hem langdurig zouden belemmeren in de uitoefening van de werkzaamheden. Weliswaar staat vast dat [eiser] in oktober 2024 werd gediagnosticeerd met nekartrose, maar daaruit volgt niet dat [eiser] wist of hoorde te begrijpen dat de ernst van zijn gezondheidssituatie en de gevolgen daarvan voor de uitoefening van zijn werkzaamheden in hoge mate beperkend zouden zijn en hij [gedaagde] daarvan daarom op de hoogte had behoren te stellen. [eiser] heeft immers genoegzaam toegelicht dat deze diagnose nog niet definitief was en bovendien niet alarmerend, omdat hem in het ziekenhuis is medegedeeld dat zijn klachten zeer regelmatig voorkomen bij mensen van dezelfde leeftijdscategorie. Verder heeft [eiser] onweersproken gesteld dat de medische behandelingen die hij onderging betrekking hadden op nekklachten die [eiser] met name buiten werktijd ervoer. Pas in januari 2026 zijn de klachten van [eiser] verergerd als gevolg van behandelingen op de pijnpoli die onverwacht averechts hebben gewerkt. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de ziekmelding van [eiser] op 9 april 2026, ruim vijf maanden na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarvóór hebben de klachten van [eiser] nooit eerder tot ziekteverzuim geleid of hem op een andere wijze belet zijn werkzaamheden naar behoren uit te voeren. [gedaagde] heeft ter zitting nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 mei 2026, maar de vergelijking met die zaak gaat niet op. De feiten en omstandigheden in die zaak (een ontslag op staande voet vanwege het niet melden van chronische hartfalen) zijn wezenlijk anders dan in de zaak waar de kantonrechter hier over oordeelt.
4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet waarschijnlijk is dat de buitengerechtelijke vernietiging in een bodemprocedure stand zal houden. In dat geval heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomsten niet rechtsgeldig vernietigd. Dat betekent dat de er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortduurt.
Ten overvloede
4.11. Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. Als de kantonrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen – namelijk dat wel sprake is geweest van dwaling – dan ligt, zoals ter zitting ook besproken, vervolgens de vraag voor of de dwaling dan, gelet op de aard van de arbeidsovereenkomst en de overige omstandigheden van het geval, mogelijk voor rekening van de werkgever ([gedaagde]) moet blijven. Deze vraag zal zo nodig in een eventuele bodemprocedure moeten worden beantwoord.
Loon- en nevenvorderingen
4.12.
[eiser] is op 9 april 2026 ziekgemeld. Tijdens de periode van ziekte kan [eiser] aanspraak maken op loon (artikel 7:629 BW). De vordering tot loondoorbetaling is dan ook toewijsbaar.
4.13. Ook de gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging over het achterstallig loon zijn toewijsbaar, zij het dat de kantonrechter de maximale wettelijke verhoging matigt tot 20% omdat een geschil aan de niet-betaling ten grondslag heeft gelegen. De gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen zoals gevorderd.
4.14.
[gedaagde] is als werkgever op grond van de wet verplicht om deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken. De kantonrechter zal [gedaagde] daartoe dan ook veroordelen, zoals in het dictum is vermeld. De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 100,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.000,00.
4.15.
[gedaagde] is op grond van de wet ook verplicht om [eiser] te laten re-integreren en hem daartoe ook in staat te stellen, zodat er voldoende grond is om de vordering om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van haar wettelijke re-integratieverplichtingen toe te wijzen.
4.16.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 516,44 komt overeen met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.257,67
4.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het loon van € 3.914,39 bruto per 4 weken exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 6 juli 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke opeisbaarheidsdata van de loontermijnen (na iedere vierde werkweek op woensdag) tot de dag van de volledige betaling,
5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de op grond van artikel 7:625 BW verschuldigde wettelijke verhoging van maximaal 20% over de achterstallige loonbetalingen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 september 2026 tot de dag van de volledige betaling,
5.3. veroordeelt [gedaagde] om haar wettelijke re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW jegens [eiser] na te komen,
5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 516,44 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 september 2026 tot de dag van de volledige betaling,
5.5. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 30 dagen na betaling deugdelijke specificaties van de betalingen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, tot een maximum van € 2.000, - is bereikt,
5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
69334
Vgl. Rechtbank Den Haag 12 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4697, rov. 4.2.
Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Rechtbank Midden-Nederland 6 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2453.
Zie artikel 7:626 BW.
Zie artikel 7:658a BW.