I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBOBR:2026:7154 Rechtbank Oost-Brabant , 07-10-2026 / 26/643 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).
Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV om eisers Ziektewetuitkering met ingang van 28 oktober 2025 te beëindigen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden (argumenten) aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering in stand kan blijven.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en die hebben geleid tot het bestreden besluit. Daarna geeft de rechtbank de standpunten van partijen weer. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Wat heeft het UWV aan medisch onderzoek gedaan? Was het medisch onderzoek zorgvuldig? En: is het medisch oordeel inhoudelijk juist? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
- Met het besluit van 29 oktober 2025 heeft het UWV eisers Ziektewetuitkering met ingang van 28 oktober 2025 beëindigd. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het besluit van 29 oktober 2025 gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- Eiser was voorheen werkzaam als test engineer voor 32 uur per week. Na beëindiging van het dienstverband heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Met het besluit van 26 augustus 2024 heeft het UWV eiser toestemming gegeven om met behoud van zijn WW-uitkering als zelfstandige te beginnen. De startperiode begon op 1 september 2024 en duurde tot en met 28 februari 2025. Eiser heeft zich per 27 februari 2025 ziek gemeld. Met het besluit van 30 mei 2025 heeft het UWV eiser vanaf 29 mei 2025 een Ziektewetuitkering toegekend. Vervolgens heeft het UWV na medisch onderzoek het besluit van 29 oktober 2025 genomen dat vervolgens heeft geleid tot het bestreden besluit.
De standpunten van partijen
-
Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf 28 oktober 2025 in staat is zijn werk als test engineer te verrichten. Om die reden heeft hij volgens het UWV niet langer recht op een Ziektewetuitkering. Het UWV verwijst hierbij naar de rapporten van zijn (verzekerings)artsen.
-
Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem heeft ten onrechte geen eigen medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. Ook voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen medische informatie van zijn behandelaren heeft opgevraagd. Hij is het er niet mee eens dat de arts zich baseert op waarnemingen tijdens het gesprek. Het was eiser ook niet duidelijk dat de uitnodiging voor 9 januari 2026 de hoorzitting betrof: de uitnodiging vermeldde dat het ging om een spreekuur. Dit heeft zijn voorbereiding beïnvloed. Verder heeft eiser het verslag van het spreekuur van 28 juli 2025 pas ontvangen met het besluit van 29 oktober 2025. Daardoor heeft hij niet tijdig op dit verslag kunnen reageren. Eiser vindt verder dat zijn klachten en medische situatie niet op voldoende zorgvuldige en inzichtelijke wijze zijn vertaald naar arbeidsbeperkingen. Eiser wijst erop dat er inmiddels bij de GGZ een diagnose is vastgesteld en dat een behandelplan is opgesteld. Dit bevestigt de ernst en continuïteit van de klachten. Het is niet inzichtelijk of een functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. Eiser voert aan dat hij zich met name maar beperkte tijd kan concentreren, dat hij prikkels niet goed kan verdragen, dat hij niet goed herstelt na mentale inspanning en dat zijn belastbaarheid gedurende de dag fluctueert. Het klachtenbeloop is al sinds 2020 consistent. Eiser verwijst bij het voorgaande naar medische informatie van zijn behandelaren. Ook heeft hij een beslissing op bezwaar van 8 juli 2026 ingediend. In dit besluit heeft het UWV aangenomen dat eiser met ingang van 23 januari 2026 niet in staat was om zijn arbeid als test engineer te verrichten.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
-
De datum waarom het in deze zaak gaat, is 28 oktober 2025 (datum in geding).
-
Om de vraag te beantwoorden of het medisch onderzoek zorgvuldig was, zal de rechtbank eerst bekijken welke activiteiten het UWV heeft verricht.
Wat heeft het UWV gedaan?
- Op 17 februari 2025 heeft eiser aangegeven dat hij nog niet succesvol aan het ondernemen was. Hij heeft verteld dat zijn gezondheidsklachten roet in het eten gooiden en advies gevraagd wat hij moet doen na de startperiode.
8.1. Op 28 februari 2025 heeft eiser zich met ingang van 27 februari 2025 ziek gemeld.
8.2. Op 10 april 2025 en 7 mei 2025 is er contact geweest tussen het UWV en eiser. Hij geeft dan aan dat het nog steeds hetzelfde gaat: hij is nog steeds duizelig en moe, probeert overdag zijn rust te nemen en gebruikt alternatieve geneeswijzen. Daarna is het dossier op 15 mei 2025 overgedragen aan de zogeheten tweede lijn.
8.3. Op 19 juni 2025 was er een spreekuur met een re-integratie begeleider van het UWV. Daar heeft eiser verteld dat hij in het begin last had van duizelingen, maar dat die grotendeels over zijn. Wel heeft hij last van gaatjes en pijn in zijn mond doordat zijn ontstekingswaarden niet goed zijn. De re-integratie-begeleider vraagt zich naar aanleiding van dit gesprek af of er iets anders aan de hand is dat eiser niet wil vertellen.
8.4. Na het gesprek heeft eisers partner gebeld met de re-integratie-begeleider en een e-mailbericht gestuurd. Zij schrijft dat haar man al enkele jaren met complexe medische klachten kampt, die hem dagelijks ernstig belemmeren. Hij heeft aanhoudende kaakklachten, hoofdpijn en migraine, duizeligheid en evenwichtsstoornissen, extreme vermoeidheidsklachten, slaapproblemen, verminderde prikkelverwerking, gehoorproblemen en onverklaarbare tandproblemen.
8.5. Op 23 juni 2025 heeft verzekeringsarts Van Gerwen naar het dossier gekeken. De re-integratiebegeleider, de verzekeringsarts, een sociaal-medisch verpleegkundige en de medisch secretaresse hebben overlegd. Er is besloten een spreekuur te plannen bij ANIOS Sanders.
8.6. Op 28 juli 2025 vond dit spreekuur plaats, in aanwezigheid ook van verzekeringsarts Van Maaren. Er is een anamnese en ook een hetero-anamnese met zijn partner afgenomen. Tijdens het spreekuur heeft ook psychisch onderzoek plaatsgevonden. De artsen hebben geen medische informatie op kunnen vragen, omdat eiser niet onder behandeling was. Omdat niet duidelijk was wat er speelde en eiser niet heeft gezocht naar adequate medische begeleiding of behandeling, heeft eiser de kans gekregen om samen met de huisarts te kijken naar de oorzaak van de klachten. Een fysieke evaluatie met de sociaal medisch verpleegkundige zal over twee tot drie maanden worden gepland.
8.7. Op 16 oktober 2025 heeft eiser aan de sociaal medisch verpleegkundige verteld dat er bloed is afgenomen en dat hij naar het spreekuur zal komen om de uitslag te bespreken.
8.8. Op 27 oktober 2025 heeft de arts van het UWV twee telefoongesprekken met eiser gevoerd, bij het tweede gesprek was ook de partner van eiser aanwezig. Eiser heeft verteld dat de waardes van het bloedonderzoek goed waren en dat hij is verwezen naar de POH-GGZ (praktijkondersteuner GGZ). Daar zal hij op 22 november 2025 een intake hebben. De partner van eiser heeft aangegeven dat eiser aanvankelijk bij de tandarts is geweest en dat ze diverse keren een afspraak bij de huisarts hebben ingepland, maar dat die steeds werd verzet.
8.9. Daarna is eisers Ziektewetuitkering beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8.10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur op 9 januari 2026. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische informatie opgevraagd, omdat er weliswaar nog diagnostiek zal worden uitgevoerd, maar deze nu nog niet beschikbaar is. Bovendien zal dit geen betrekking hebben op de datum in geding.
Was het medisch onderzoek zorgvuldig?
- De rechtbank zal hieronder ingaan op de door eiser aangevoerde redenen waarom eiser het onderzoek niet zorgvuldig vindt.
9.1. Eiser heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen medische informatie bij zijn behandelaren hebben opgevraagd. Hij heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat informatie bij de tandarts opgevraagd had moeten worden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat informatie bij de tandarts opgevraagd had moeten worden. Dat eiser last had van tandproblemen was bij de beoordeling immers bekend.
9.2. Waar eiser aanvoert dat het hem niet duidelijk was dat de uitnodiging van 28 november 2025 voor het spreekuur van 9 januari 2026 bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de hoorzitting betrof, overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de gemachtigde van het UWV toegegeven dat dit uit de brief inderdaad niet blijkt en dat dit beter had gemoeten. De rechtbank ziet echter geen reden om hieraan gevolgen te verbinden. Eiser heeft aangegeven dat hij op een hoorzitting zou hebben aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig was. De rechtbank stelt vast dat eiser dit in zijn bezwaarschrift ook naar voren heeft gebracht. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens haar rapport van 9 januari 2026 eiser tijdens het spreekuur in de gelegenheid gesteld om aan te geven op welke punten hij het niet eens was met de beoordeling van de primaire arts.
9.3. Eiser is verder van mening dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen eigen medisch onderzoek heeft verricht, maar de rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat deze het dossier heeft bestudeerd en met eiser heeft gesproken over diens klachten en behandeling. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, anders dan de primaire arts, geen psychisch onderzoek heeft verricht, neemt niet weg dat haar handelingen zijn aan te merken als een medisch onderzoek. Eiser is het er ook niet mee eens dat de primaire arts zich mede heeft gebaseerd op waarnemingen tijdens het spreekuur, maar een (verzekerings)arts kan zich baseren op zijn eigen waarnemingen.
9.4. Gelet op de onder 8 genoemde onderzoeksactiviteiten oordeelt de rechtbank dat het medisch onderzoek in deze zaak zorgvuldig is geweest. De beroepsgronden die zien op de zorgvuldigheid, slagen niet.
Is het medisch oordeel inhoudelijk juist?
- Eiser voert aan dat zijn beperkingen niet op zorgvuldige en inzichtelijke wijze naar arbeidsbeperkingen zijn vertaald. Eiser wijst er daarbij op dat er inmiddels bij de GGZ een diagnose is vastgesteld die de ernst en continuïteit van de klachten bevestigt. Ook is een behandelplan opgesteld. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De primaire arts geeft aan dat eiser sinds 2020 klachten heeft. Hij heeft zich in de periode dat hij in dienst was bij zijn ex-werkgever echter nooit ziek gemeld met deze klachten en heeft zich ook niet laten behandelen (behalve door zijn tandarts). Eiser ervaart een toename van klachten zonder een duidelijke oorzaak of onderzoek. Eisers voornaamste klacht is vermoeidheid, maar de arts neemt tijdens het spreekuur geen tekenen van vermoeidheid waar. Ook heeft eiser last van omgevingsprikkels, maar hij kan zich op het gesprek concentreren, ondanks de omgevingsgeluiden van zijn kinderen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de door de primaire arts gestelde diagnose (vermoeidheid) aansluit met wat over eiser bekend is uit het dossier en dat geen verdere medische informatie is overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert (eveneens) dat op de datum in geding geen sprake is van medisch objectiveerbare pathologie. De rechtbank kan dit volgen, gelet op voorgaande bevindingen. Verder heeft de verzekeringsarts B&B in het rapport van 2 juni 2026 uitgelegd dat de in beroep overgelegde medische informatie duidelijk maakt dat de situatie van eiser na de datum in geding is verslechterd. Dit maakt dat eiser per 23 januari 2026 niet geschikt is geacht voor zijn arbeid. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opmerkt, heeft dit geen gevolgen voor de geschiktheid voor die arbeid op de datum in geding.
10.1. De rechtbank ziet dus geen aanknopingspunten om het medisch oordeel onjuist te achten. Dit betekent dat het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiser op de datum in geding het werk als test engineer kon verrichten. Gelet daarop was het vaststellen van een FML niet aan de orde.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering met ingang van 28 oktober 2025 in stand blijft. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.