RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11565583 CV EXPL 25-1037
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 3 september 2026
in de zaak van:
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings,
tegen
SAP NEDERLAND B.V.,
gevestigd in 's-Hertogenbosch ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: SAP ,
gemachtigde: mr. S.B. de Groot.
1Het vervolg van de procedure
in het incident en in de hoofdzaak
1.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of SAP nog een bedrag aan bonus aan haar voormalig werknemer [eiser] moet nabetalen over twee deals waarbij hij tijdens zijn arbeidsovereenkomst (deels) betrokken is geweest. Het gaat om de zogeheten PMC Signify-deal uit 2019 en de Philips DA-deal uit 2021.
1.2.
Met dit vonnis komt een einde aan de procedure tussen partijen. In dit eindvonnis van 3 september 2026 wordt een beslissing gegeven op het door [eiser] opgeworpen incident en tegelijkertijd vormt dit vonnis het slot in de hoofdzaak. Dit eindvonnis is namelijk het vervolg op, en tegelijkertijd het sluitstuk van, de op 9 april 2026 en 11 juni 2026 gewezen tussenvonnissen en het daarna door [eiser] opgeworpen incident. In beide tussenvonnissen heeft de kantonrechter - samengevat - geoordeeld dat SAP geen bedrag aan (bonus aan) [eiser] hoeft (na) te betalen over de Philips DA-deal uit 2021 en dat daarom de vordering op dit onderdeel met de daaraan verbonden nevenvorderingen bij eindvonnis wordt afgewezen. Verder heeft [eiser] de mogelijkheid gekregen om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat en waarom hij op grond van de QCR als GAD in geval van een PMC-contract, en meer in het bijzonder ter zake van de PMC Signify-deal uit 2019, aanspraak op 100% bonus heeft. De kantonrechter is namelijk vooralsnog van oordeel dat [eiser] met het gestelde in de processtukken en wat tijdens de mondelinge behandeling nader is verklaard, hij er nog niet is. [eiser] heeft zeker in het licht van het verweer van SAP , nog onvoldoende aangetoond dat en waarom hij op grond van de QCR als GAD in geval van een PMC-contract aanspraak heeft op de volledige bonus, dus 100%.
1.3.
Vervolgens heeft [eiser] op 9 juli 2026 een akte uitlaten bewijs tevens verzoek (incident) op basis van artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend. In deze akte heeft [eiser] zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat hij niet inziet op welke wijze hij door het horen van getuigen het opgedragen bewijs kan leveren en dat hij ook geen schriftelijke stukken bezit om aan de bewijsopdracht te kunnen voldoen. In zijn visie heeft SAP destijds een afwijkende keuze gemaakt en SAP beschikt dan ook over schriftelijke stukken over die keuze, waaronder documentatie uit de periode juni 2019 tot en met december 2019. Het gaat dan om e-mails (met bijlagen), (interne) gespreksverslagen, memo’s en notities voor zover betrekking hebbend op [eiser] , diens achievement, quota, payout, bonus over het PMC-contract en/of de beslissing om slechts 50% van het berekende bonusbedrag uit te betalen afkomstig van, gericht aan of in afschrift aan in elk geval de heer [a] , mevrouw [b] en de heren [c] , [d] . In dit verband wijst [eiser] (nogmaals) op de e-mail van 7 oktober 2019 van de heer [a] . Gelet hierop vraagt [eiser] , bij wijze van incident op grond van artikelen 194 en 195 Rv, tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover SAP beschikt. [eiser] heeft daarbij voldoende belang en het gaat om concreet afgebakende stukken waarvan het bestaan aannemelijk is.
1.4.
Bij akte van 6 augustus 2026 heeft SAP daarop - kort weergegeven - als volgt gereageerd. Volgens SAP heeft [eiser] geen belang bij het door hem opgeworpen incident en bovendien gaat zijn verzoek ‘beyond the scope’. [eiser] dient immers te bewijzen dat en waarom hij aanspraak heeft op 100% bonus over de PMC-Signify deal. Daarvoor is volstrekt irrelevant dat SAP in het voordeel van [eiser] is afgeweken van haar QCR - op basis waarvan [eiser] volgens SAP recht zou hebben op 0% bonus. Enige interne informatie - de informatie waar het incident van [eiser] op ziet - is daarvoor irrelevant. Dit zijn namelijk twee separate onderdelen. Verder heeft SAP aangevoerd dat [eiser] tardief deze stukken opvraagt. Daarnaast is het praktisch niet meer haalbaar om de gevraagde informatie te verstrekken en is de verzochte informatie ook te onbepaald. SAP concludeert dan ook dat [eiser] niet is geslaagd in de bewijsopdracht. Daarom dient de vordering volledig afgewezen te worden.
1.5.
Tot slot is opnieuw vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in het incident en in de hoofdzaak
2.1.
Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 9 april 2026 en 11 juni 2026.
2.2.
Dit brengt onder meer mee dat SAP geen bedrag aan (bonus aan) [eiser] hoeft (na) te betalen over de Philips DA-deal uit 2021. De vordering op dit onderdeel, betaling van € 140.430,99 bruto aan bonus (met de daaraan verbonden nevenvorderingen zoals multipliers, wettelijke verhoging en wettelijke rente), wordt dus afgewezen.
2.3.
Dan dient nog een beslissing te worden gegeven over de mogelijk resterende bonus verbonden aan het andere contract, de PMC Signify-deal uit 2019. [eiser] vordert betaling van “de overige 50% aan bonus”, te weten een bedrag van € 40.299,00 bruto.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het door [eiser] opgeworpen incident in dit verband moet worden afgewezen en verder dat [eiser] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Dat heeft tot gevolg dat ook dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dus dat [eiser] met betrekking tot het PMC-contract geen aanspraak heeft op een (volledige) bonus. Aan de daarmee samenhangende nevenvorderingen wordt niet toegekomen. Hierna wordt dit uitgelegd.
2.5.
De stukken die [eiser] bij wijze van incident op basis van de artikelen 194 en 195 Rv wenst te ontvangen, hebben niet direct betrekking op het bewijs dat [eiser] in de hoofdzaak moet leveren, namelijk dat en waarom hij op grond van de QCR als GAD in geval van een PMC-contract, en meer in het bijzonder ter zake van de PMC Signify-deal uit 2019, aanspraak op 100% bonus heeft. Uit de door [eiser] gewilde (vermeende) stukken kan, zoals SAP terecht aanvoert, niet blijken dat [eiser] aanspraak heeft op 100% bonus over de PMC-Signify deal uit 2019. [eiser] voert aan dat SAP door het uitkeren van een bedrag van 50% van het totale bonusbedrag waar hij aanspraak op meent te maken is afgeweken van de QCR. Die afwijking van de QCR was uit coulance en is in het voordeel van [eiser] geweest want hij had recht op 0% bonus, aldus SAP . De afwijking van de QCR staat derhalve vast. Daarvoor heeft [eiser] de door hem gewenste stukken niet nodig. De conclusie is dat het (voldoende) belang voor [eiser] ontbreekt (zoals artikel 194 lid 1 Rv vereist) om (alsnog) de gewenste stukken bij SAP op te vragen, nog daargelaten of dat in dit stadium van de procedure toelaatbaar is en/of [eiser] zijn verzoek voldoende concreet en specifiek is, en/of de stukken überhaupt (nog) beschikbaar zouden kunnen zijn.
2.6.
[eiser] heeft verder geen ander/nieuw standpunt ingenomen. [eiser] blijft dus bij zijn verwijzing naar pagina 25 van de QCR, waarin volgens hem een specifieke regel (lex specialis) is opgenomen die voorrang heeft op de algemene bepaling (lex generalis) van pagina 10 van de QCR waarop SAP zich baseert. Op pagina 25 staat onder meer dat “GAD's and MP's receive credit for everything for their respective accounts based on the Top Parentor Global Ultimate Account hierarchy. Targets and actuals will be measured on a global quota for every region”. Daaruit blijkt in de optiek van [eiser] dat hij, gelet op zijn toenmalige functie van GAD en de daaraan gekoppelde bonusstructuur, aanspraak heeft op een volledige bonus, althans dat de quota credit voor dit PMC-contract alsnog dienen te worden meegewogen bij de bepaling van mijn bonus, en dat dit in overeenstemming is met zijn sales letter 2019 GAD van 1 februari 2019.
2.7.
SAP beroept zich op pagina 10 van de QCR, waar kort gezegd staat dat PMC-contracten als reconstruct met een revenu beneden de genoemde marge SAP de facto op de wat langere termijn 0 opleveren. Als er 0 op wordt verdiend, kan de bonus volgens SAP ook nooit meer zijn dan 0. In het geval van [eiser] heeft SAP besloten eenmalig af te wijken het uitgangspunt van de contractwaarde als grondslag voor de bonus, waardoor hij toch (uit coulance) een compensatie/bonusbedrag uitbetaald heeft gekregen voor zijn geleverde inspanningen, aldus SAP .
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met de enkele verwijzing naar de passage op 25 van de QCR niet, maar in elk geval onvoldoende, heeft aangetoond dat uit die passage direct en duidelijk volgt dat voor GAD’s wordt afgeweken van wat in zijn algemeenheid op pagina 10 van de QCR ten aanzien van PMC-contracten is bepaald en meer in het bijzonder dat met de passage op pagina 25 van de QCR is beoogd een uitzondering, te maken op de algemene regeling zoals die is gegeven op pagina 10 van de QCR. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bepaalde voor GAD’s op pagina 25 van de QCR heeft te gelden als een lex specialis ten opzichte van de lex generalis zoals geformuleerd op pagina 10 van de QCR. Daar komt dan bij dat [eiser] ook niet heeft onderbouwd dat en in hoeverre de zogenoemde lex specialis op pagina van 25 van de QCR van toepassing is op een reconstruct met een revenu beneden de genoemde marge, zoals de PMC-contracten, en op grond waarvan dat zo zou zijn, respectievelijk de eventuele toepasselijkheid van die lex specialis in geval van een zodanige reconstruct ertoe leidt dat een GAD aanspraak kan maken op een 100% bonusuitkering. [eiser] is daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld.
2.9.
[eiser] heeft niet toegelicht waarom de uitleg van SAP niet logisch en/of niet verdedigbaar is, en zijn uitleg (bijvoorbeeld gelet op de systematiek/historie van de QCR, gelezen in samenhang met zijn sales letter 2019 GAD van 1 februari 2019) wel. [eiser] stelt enkel dat de tekst van de QCR naar de letter dient te worden gelezen en uitgelegd, maar daarmee staat niet vast dat de regeling voor GAD’s op pagina 25 een lex specialis is van de lex generalis op pagina 10 van de QCR. Dat kan, zonder nadere toelichting, die [eiser] dus niet geeft, niet uit de systematiek/opbouw van de QCR worden afgeleid. Daarnaast heeft [eiser] ook geen voorbeelden genoemd van gevallen waarin in een vergelijke situatie aan een GAD op grond van de QCR een bonus is uitbetaald.
2.10.
De slotsom is dat alle vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak worden afgewezen.
2.11.
[eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident en in de proceskosten van de hoofdzaak, omdat hij in beide gevallen in het ongelijk is gesteld.
2.12.
De proceskosten (inclusief nakosten) van SAP in het incident worden tot vandaag vastgesteld op € 432,00 (waarvan 1 punt x € 288,00 aan salaris gemachtigde voor de antwoordakte van 6 augustus 2026 en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
2.13.
De proceskosten (inclusief nakosten) van SAP in de hoofdzaak worden tot vandaag vastgesteld op € 2.454,00 (waarvan 2 punten x € 1.155,00 aan salaris gemachtigde voor het verweerschrift en de mondelinge behandeling, en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
3De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van SAP vastgesteld op € 432,00, te betalen binnen twee weken na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van SAP vastgesteld op € 2.454,00, te betalen binnen twee weken na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Zie rechtsoverwegingen 3.24 tot en met 3.29 van het tussenvonnis van 9 april 2026.
Zie rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.23, en 4.1 van het tussenvonnis van 9 april 2026. En onderdelen 4.2 tot en met 4.4 van het tussenvonnis van 11 juni 2026.
Zie onderdeel 7 van de akte van 9 juli 2026 van [eiser] .
Zie onderdelen 8 t/m 10 van de akte van 9 juli 2026 van [eiser] .
Zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.14 van het tussenvonnis van 9 april 2026.
Zie onderdelen 11 en 12 van de akte van 6 augustus van SAP .