RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: C/01/423512 / EX RK 26-26
Beschikking van 21 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] B.V.,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. F.M. Schmitz,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. A. Neophitou.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met 30 bijlagen;
-
het verweerschrift met 4 bijlagen.
1.2.
Op 14 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. I.L.P. Crombeen. [verzoeker] werd ter zitting vertegenwoordigd door de heer [a] . [verweerder] is in persoon verschenen. Beide partijen zijn ter zitting bijgestaan door hun advocaat. De advocaat van [verzoeker] heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft verder aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Op 12 oktober 2026 heeft de rechtbank partijen bericht over een rechterswissel. Ten slotte is nader bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2Het verzoek en het verweer
2.1.
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
2.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder] is de bestuurder van de besloten vennootschap [b] BV (hierna te noemen: [b] ). [verzoeker] heeft op 25 maart 2023 aan [b] een geldlening verstrekt van € 75.000,00. [verzoeker] heeft deze geldlening op 12 december 2023 opgeëist, maar [b] heeft deze geldlening niet (tijdig) terugbetaald, zodat [verzoeker] haar in rechte heeft betrokken. [b] is bij vonnis van 7 februari 2024 door de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, bij verstek veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 75.000,00 met bijkomende kosten. [b] heeft geen verzet ingesteld. Vervolgens is tussen [verzoeker] en [b] een betalingsregeling getroffen, maar omdat [b] van het verschuldigde bedrag slechts € 13.750,00 heeft betaald en het restant niet heeft voldaan, heeft [verzoeker] de betalingsregeling ontbonden. Nadere tenuitvoerlegging van het vonnis is niet mogelijk gebleken, omdat [b] niet over vermogensbestanddelen beschikt. [verzoeker] is nu voornemens om een procedure aanhangig te maken jegens [verweerder] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [verweerder] heeft met tussenkomst van de heer [c] een overeenkomst van geldlening gesloten namens [b] , terwijl hij volgens [verzoeker] op dat moment wist dat [b] niet in staat zou zijn de geldlening bij opeising terug te betalen. Omdat [verweerder] aansprakelijkheid niet erkend, heeft [verzoeker] belang bij het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.
2.3.
In het verzoekschrift geeft [verzoeker] aan het navolgende te willen bewijzen in een te zijner tijd tegen [verweerder] te starten procedure:
a. Op 25 mei 2023 heeft [verzoeker] aan [b] ten titel van een overeenkomst van geldlening een bedrag voldaan van € 75.000,00;
b. [verweerder] was op 25 maart 2023 enig bestuurder van [b] en stond in die hoedanigheid zeer regelmatig in contact met de heer [c] ;
c. [verweerder] was op 25 maart 2023 in zijn hoedanigheid van bestuurder van [b] gerechtigd om te beschikken over de bankrekening van [b] bij KNAB;
d. [verweerder] was zich er op 25 maart 2023 althans kort daarna, van bewust dat [verzoeker] op 25 maart 2023 aan [b] een bedrag had voldaan van € 75.000,00 door middel van bijschrijving op voormelde bankrekening; en
e. [verweerder] was zich er op 25 maart 2023 althans kort daarna, van bewust dat [b] de geleende € 75.000 bij opeising door [verzoeker] niet zou kunnen terugbetalen.
2.4.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Volgens [verweerder] is sprake van een fishing expedition, omdat [verzoeker] met het onderhavige verzoek “vist” naar mogelijk nog onbekende en onvoldoende bepaalbare feiten.
Het vijfde punt ziet op door [verzoeker] bij [verweerder] vermeende kennis over de latere betalingsonmacht van [b] . Dat is echter geen concreet feit maar een aanname. [verzoeker] noemt geen concrete onderliggende feiten waaruit zou kunnen volgen dat [verweerder] ten tijde van het aangaan van de geldlening beschikte over kennis van de latere betalingsonmacht van [b] . [verzoeker] zelf was bovendien als toekomstig medeaandeelhouder van [b] zeer nauw betrokken bij de dagelijkse gang van zaken van [b] en heeft een lening verstrekt, hoewel [verzoeker] ermee bekend was dat binnen [b] nog geen activiteiten werden verricht of inkomsten werden verkregen.
2.5.
Daarnaast moet het verzoek volgens [verweerder] worden afgewezen, omdat [verzoeker] bij het verzoek geen belang heeft. Daaraan legt [verweerder] ten grondslag dat [verzoeker] over meerdere toewijzende vonnissen beschikt (onder andere jegens [b] en jegens [c] ). Daarmee staan de feiten onder punt a. tot en met d die [verzoeker] beoogt te bewijzen reeds vast.
2.6.
[verweerder] heeft verder aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat [verzoeker] het verzoek slechts gebruikt als drukmiddel en als fishing expedition voor gronden voor een mogelijke andere vordering jegens [verweerder] en/of [b] . Ten slotte betoogt [verweerder] dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde, omdat het voorlopig getuigenverhoor wordt misbruikt als substituut voor de bewijslevering die thuishoort in de bodemprocedure. Omdat (i) een deel van de te bewijzen feiten reeds vaststaat en (ii) het vijfde te bewijzen feit ziet op de periode na het aangaan van de geldlening en daarmee irrelevant is voor een Beklamelvordering, zou het toewijzen van het verzoek [verweerder] onevenredig belasten, terwijl het verzoek geen rechtens te respecteren belang dient.
2.7.
Op de stellingen van partijen wordt hieronder, voor zover nodig, verder ingegaan.
3De beoordeling
Beoordelingskader
3.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek;
b. de aard en het beloop van de vordering;
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
Verder moet het verzoekschrift vermelden de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoekende partij als getuigen wil horen.
3.2.
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen tenzij de rechtbank van oordeel is:
-
dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald;
-
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
-
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
-
er sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
-
als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
3.3.
Deze afwijzingsgronden zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn.
Het verzoek wordt afgewezen
3.4.
De rechtbank zal het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor afwijzen, omdat sprake is van meerdere afwijzingsgronden. Zo is het verzoek onvoldoende bepaald en is mede daardoor sprake van een ongeoorloofde fishing expedition, wat misbruik van bevoegdheid oplevert. Dit oordeel wordt hieronder als volgt toegelicht.
3.5.
Vooropgesteld wordt dat een voorlopig getuigenverhoor ertoe dient om degene die om dat verhoor verzoekt, in staat te stellen om (na afloop van de getuigenverhoren) beter te kunnen beoordelen of het al dan niet zinvol is om een bodemprocedure te starten, en zo ja, op welke grondslag(en). Dit leidt ertoe dat een verzoeker van een voorlopige bewijsverrichting volgens vaste jurisprudentie nog niet nauwkeurig hoeft aan te geven welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en evenmin exact hoeft aan te geven omtrent welke feiten hij de getuigen precies wil laten horen.
De verzoekende partij moet niettemin wél voldoende duidelijk, en dus ook al in voldoende mate concreet, aangeven op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben en duidelijk maken waarom de te horen getuigen daarover (mogelijk) kunnen verklaren. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren, ingevuld door concreet vermelde feiten en omstandigheden, het verhoor betrekking zal hebben. Het omkaderen van het verzochte voorlopig getuigenverhoor is niet alleen van belang voor de beoordeling van het verzoek, maar met name ook voor de bij toewijzing van het verzoek te benoemen rechter-commissaris. Dat geldt zowel voor de enquêtefase maar ook voor de fase van de contra-enquête.
3.6.
De rechtbank is met [verweerder] van oordeel dat [verzoeker] het vereiste feitelijk gebeuren niet heeft geschetst. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van haar verzoek in feite slechts aangevoerd dat [verweerder] bestuurder is van [b] en dat [b] slechts gedeeltelijk aan haar betalingsverplichtingen jegens [verzoeker] heeft voldaan, waaruit [verzoeker] lijkt te destilleren dat [verweerder] bij het aangaan van de geldlening ‘dus’ wetenschap had dat [b] de uit de leningovereenkomst voortvloeiende verplichtingen bij opeising niet zou kunnen nakomen. [verzoeker] heeft echter geen enkel concreet, feitelijk aanknopingspunt naar voren gebracht waaruit een gerechtvaardigd vermoeden van die wetenschap zou kunnen voortvloeien.
Ook ontbreekt enige inkadering van de tijd waarin de te bewijzen feiten zich zouden moeten hebben voorgedaan.
Daardoor is onbekend waarover een rechter-commissaris – als het verzoek toegewezen zou worden – eventuele getuigen zou moeten bevragen. Dit maakt dat het verzoek van [verzoeker] onvoldoende bepaald is.
3.7.
In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door [verzoeker] (artikel 196 lid 2 onder d Rv). [verzoeker] wil het voorlopig getuigenverhoor aanwenden om erachter te komen of [verweerder] wetenschap had dat [b] haar verplichtingen niet kon nakomen. [verzoeker] heeft echter nagelaten om haar verzoek te onderbouwen met enige concreet aanknopingspunt daarvoor. Daarmee wordt het voorlopig getuigenverhoor een gelegenheid waarbij [verzoeker] op goed geluk allerlei informatie van de getuigen verzamelt, in de hoop dat zij informatie aantreft die relevant is voor een procedure die zij op het moment van het voorlopig getuigenverhoor nog onvoldoende kan omlijnen. Nu [verzoeker] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt met het oog op welk te bewijzen feitelijk gebeuren zij aan [verweerder] vragen wil stellen, is sprake van een ongeoorloofde fishing expedition.
3.8.
Aangaande de hierboven in r.o. 2.3 a. tot en met d. vermelde feiten is de rechtbank van oordeel dat die aspecten al voldoende blijken uit de door [verzoeker] bij haar verzoekschrift overgelegde stukken, waaronder vonnissen tegen [c] en [b] . In ieder geval het vonnis tegen [b] is onherroepelijk, zodat de verplichtingen van [b] jegens [verzoeker] vaststaan. In die zin bestaat geen noodzaak tot het horen van getuigen en mist [verzoeker] belang bij het verzochte getuigenverhoor.
Proceskostenveroordeling
3.9.
Omdat [verzoeker] ongelijk krijgt, wordt hij veroordeeld in de proceskosten van [verweerder] . De proceskosten van [verweerder] worden begroot op: € 1.836,00 (2 punten x € 653,00 aan salaris advocaat, € 341,00 aan griffierecht en € 189,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek af,
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de kant van [verweerder] tot nu toe vastgesteld op € 1.836,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de beschikking wordt betekend,
4.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
Kamerstukken II 2019/20, 35498, p. 57 (MvT).