I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Zaaknummer hoofdzaak: C/01/410150 / HA ZA 24-696 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/01/414147 / HA ZA 25-228 »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBOBR:2026:7600 Rechtbank Oost-Brabant , 28-10-2026 / C/01/410150 / HA ZA 24-696 C/01/414147 / HA ZA 25-228 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 1 [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] B.V.te [vestigingsplaats] , »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer hoofdzaak: C/01/410150 / HA ZA 24-696 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/01/414147 / HA ZA 25-228
Vonnis van 28 oktober 2026
in de hoofdzaak van
GEMEENTE HILVERSUM te Hilversum ,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente ,
advocaat: mr. F.G. Horsting,
tegen
1 [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] B.V.te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] ,
advocaat: mr. C. Banis,2. [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] B.V. te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] ,
advocaat: mr. P.E. Bloemendal,
gedaagde partijen,
en
in de vrijwaringszaak van
[gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] ,
advocaat: mr. P.E. Bloemendal,
tegen
[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] ,
advocaat: mr. C. Banis.
1Inleiding en korte samenvatting beslissing
1.1. Deze zaak gaat over de vraag wie verantwoordelijk is voor de schade die tijdens een gestuurde boring is ontstaan aan een rioolpersleiding van de gemeente .
1.2.
In de hoofdzaak heeft de gemeente hoofdaannemer [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en onderaannemer [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade.
De vrijwaringszaak tussen [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] gaat over de vraag wie uiteindelijk voor de schade dient op te komen.
1.3. Zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak is op 24 juni 2026 een tussenvonnis gewezen. In de hoofdzaak is geoordeeld dat zowel onderaannemer [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] als hoofdaannemer [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] aansprakelijk is voor 2/3 van de schade. De gemeente moet 1/3 van de schade als eigen schuld dragen. De gemeente is in de gelegenheid gesteld een schadepost nader toe te lichten.
1.4. In de vrijwaringszaak is beslist dat onderaannemer [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] tot het bedrag van de aanneemsom draagplichtig is. Hoofdaannemer [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] dient het overige deel van de schade te dragen.
1.5. In dit eindvonnis worden in de hoofdzaak de vorderingen van de gemeente toegewezen langs de lijnen van het tussenvonnis, met inachtneming van de onweersproken akte van de gemeente , en wordt in de vrijwaringszaak de draagplicht van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] respectievelijk [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] vastgelegd.
2De verdere procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
2.1. Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 24 juni 2026 (hierna: het tussenvonnis)- de akte van de gemeente van 19 augustus 2026 met productie 17
-
het B16 formulier van mr. Bloemendal van 18 augustus 2026
-
het B16 formulier van mr. Banis van 18 augustus 2026.
2.2. Ten slotte is bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
3De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
B. [a] B.V.
3.1. In r.o. 6.37. van het tussenvonnis is al beslist dat alle facturen van [a] als schade kunnen worden toegewezen. De gemeente vordert de bedragen (inmiddels) exclusief btw. Daarom is de gemeente in de gelegenheid gesteld wat betreft deze post de btw rekensom te maken. [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
3.2. Als productie 14b bij dagvaarding heeft de gemeente de termijnstaten van [a] overgelegd, en ook kostenspecificaties en facturen van onderaannemers. De werkzaamheden van [a] zijn verdeeld over vijf termijnen in rekening gebracht. Uit de akte van de gemeente dat het gaat om bedragen exclusief btw. Dat geldt ook voor een factuur van onderaannemer PompTotaal . Aanvankelijk heeft de gemeente daarover wel btw betaald, maar dit is op de factuur voor termijn 3 gecorrigeerd.
3.3. Bij haar akte heeft de gemeente als productie 17 vijf facturen overgelegd, waaruit de volgende bedragen blijken:
termijn 1 d.d. 30 december 2022 ten bedrage van € 57.157,11
termijn 2 d.d. 22 februari 2023 ten bedrage van € 9.933,48
termijn 3 d.d. 21 maart 2023 ten bedrage van € 4.893,04
termijn 4 d.d. 26 april 2023 ten bedrage van € 7.054,29
termijn 5 d.d. 9 juni 2023 ten bedrage van € 16.106,26.
In totaal vordert de gemeente de optelsom van de vijf facturen, dus € 95.144,18.
3.4.
[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hebben afgezien van de mogelijkheid om een antwoordakte te nemen. Zij hebben zich wat betreft de nadere onderbouwing van deze schadepost gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.5. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost in totaal € 95.144,18 bedraagt, gelet op de inhoud van de akte van de gemeente en de daarbij behorende bijlagen (producties 14b en 17). Het bedrag moet worden verminderd met 1/3 vanwege eigen schuld van de gemeente .
De schadevergoeding (samengevat)
3.6. De beslissingen in het tussenvonnis en de bovenstaande beslissing leiden samengevat tot dit overzicht:
naam en omschrijving
vordering in dagvaarding
toegewezen bedrag
of afgewezen
aanpassing naar 2/3 vanwege 1/3 eigen schuld
A
[b] B.V.
Kosten riooltransporten
€ 57.275,23 incl btw
€ 45.840,77
ex btw
€ 30.560,51
B
[a] B.V.
Kosten onderzoek naar de beschadiging en de aanleg van een tijdelijke noodleiding
€ 95.144,18
€ 95.144,18
ex btw
€ 63.429,45
C
Werkzaamheden medewerkers gemeente
Informeren omwonenden, onderzoeks- en beredderingskosten, toezicht werkzaamheden, controleren en testen noodleiding
€ 5.350,00
ex btw
€ 5.350,00
ex btw
€ 3.566,67
[c] B.V.
D
bodemonderzoek
€ 2.595,45
incl btw
€ 2.145,00
ex btw
€ 1.430,00
E
engineering nieuwe leiding
€ 25.833,50 incl btw
€ 21.350,00
ex btw
€ 14.233,33
F
aanleg nieuwe leiding
€ 367.973,10 incl btw
€ 258.493,50
ex btw
€ 172.329,00
G
9% opslag over de uitvoeringskosten voor voorbereiding, projectbegeleiding, administratie en toezicht door de gemeente
€ 27.369,90
ex btw
afgewezen
H
[d] B.V.
€ 8.394,00
€ 8.394,00
ex btw
€ 5.596,00
Totaal
€ 589.935,36
€ 436.717,45€
€ 291.144,96
3.7.
De conclusie is dat een bedrag van € 291.144,96 kan worden toegewezen. [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
In de vrijwaringszaak wordt beslist voor welk deel van de schade [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] uiteindelijk dienen op te komen.
3.8. Tegen de ingangsdatum van de door de gemeente gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat deze wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld.
Beslagkosten
3.9. De rechtbank verwijst naar r.o. 6.59. ev van het tussenvonnis, waarin is beslist dat de vordering wat betreft de beslagkosten gegrond is. De beslagkosten worden vastgesteld op € 3.027,18 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 3.723,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 3.723,00), totaal € 7.438,18.
Proceskosten
3.10.
[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,97
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.699,97
3.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.12. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken omdat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] (uitvoerende onderaannemer) en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] (hoofdaannemer) samen hebben gehandeld bij de werkzaamheden die de schade hebben veroorzaakt.
in de vrijwaringszaak, conventie en reconventie
3.13. Eerder is al beslist dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] gehouden is om [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] voor het bedrag van de opdrachtsom te vrijwaren voor de aanspraak van de gemeente , en dat de vordering van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] (in conventie) in die zin zal worden toegewezen (zie r.o. 6.77. van het tussenvonnis). De tegenvordering van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] (in reconventie) zal in vergelijkbare zin worden toegewezen, zodat [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] gehouden is om [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] te vrijwaren voor aanspraken van de gemeente die het bedrag van de opdrachtsom te boven gaan.
3.14. De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] (in conventie) en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] (in reconventie) gedeeltelijk toe onder verwijzing naar r.o. 6.66. (slotzin, € 240.000,00, exclusief de stelpost van € 10.000,00, die zonder nadere toelichting niet behoort tot de opdrachtsom) en r.o. 6.76. van het tussenvonnis. De vorderingen worden voor het overige afgewezen.
3.15. De rechtbank wijst beide vorderingen tot vergoeding van kosten van verweer af omdat [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] een gezamenlijke draagplicht ( [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] tot de opdrachtsom, en voor het overige [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] ) hebben zoals hiervoor omschreven.
3.16. Zoals in het tussenvonnis is beslist, zullen de proceskosten tussen [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
4.1. veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hoofdelijk tot betaling aan de gemeente van een schadevergoeding van € 291.144,96, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 7.438,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
4.3. veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hoofdelijk in de proceskosten van € 13.699,97, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4. veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] en [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald, vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6. wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
in conventie
4.7. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] gehouden is om [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] te vrijwaren voor de aanspraak van de gemeente in de hoofdzaak tot het bedrag van de opdrachtsom van € 240.000,00,
4.8. veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] aan [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] het bedrag te betalen dat uit hoofde van dit vonnis in de hoofdzaak ten laste van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] is gekomen tot een maximum van € 240.000,00,
in reconventie
4.9. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] gehouden is om [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] te vrijwaren voor de aanspraak van de gemeente in de hoofdzaak voor zover die aanspraak het bedrag van de opdrachtsom van € 240.000,00 te boven gaat,
4.10. veroordeelt [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaring] aan [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] het meerdere boven € 240.000,00 te betalen voor zover dat meerdere uit hoofde van dit vonnis in de hoofdzaak ten laste van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring] is gekomen,
in conventie en in reconventie
4.11. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.12. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.13. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.