I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« Eisende partijen worden hierna gezamenlijk genoemd [eisers] c.s. Gedaagde partijen worden hierna genoemd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] c.s. »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBROT:2026:15205 Rechtbank Rotterdam , 07-10-2026 / C/10/725356 / KG ZA 26-900 s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« 1.1. De vennootschap onder firma van [gedaagden] c.s. heeft werkzaamheden verricht voor [eisers] c.s. om een aanbouw te realiseren. Daarbij is de woning van [eisers] c.s. ernstig beschadigd. [eisers] c.s. vorderen een voorschot op de schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe. »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/725356 / KG ZA 26-900
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.C.M. van der Biezen,2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 3] ,
advocaat: mr. S. Visser,
gedaagde partijen,
Eisende partijen worden hierna gezamenlijk genoemd [eisers] c.s. Gedaagde partijen worden hierna genoemd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] c.s.
1De zaak in het kort
1.1. De vennootschap onder firma van [gedaagden] c.s. heeft werkzaamheden verricht voor [eisers] c.s. om een aanbouw te realiseren. Daarbij is de woning van [eisers] c.s. ernstig beschadigd. [eisers] c.s. vorderen een voorschot op de schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe.
2De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 14 september 2026 met producties 1 tot en met 18;
-
de akte overlegging producties van [eisers] c.s. met productie 19;
-
de akte overlegging producties van [gedaagde 1] met producties 1 tot en met 4;
-
de akte overlegging producties van [gedaagde 2] met productie 1;- de mondelinge behandeling van 23 september 2026;- de zittingnotities van [eisers] c.s.;- de zittingsaantekeningen van [gedaagde 1] ;
-
de pleitnotities van [gedaagde 2] .
3De feiten
3.1.
[eisers] c.s. hebben in maart 2025 een aannemingsovereenkomst gesloten met de vennootschap onder firma [bedrijf 1] VOF (hierna: [bedrijf 1] ), waar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dat moment vennoten van waren.
3.2. De inhoud van de aannemingsovereenkomst blijkt uit een offerte van 18 maart 2025. De werkzaamheden hebben betrekking op het realiseren van een aanbouw voor de woning van [eisers] c.s. tegen een aanneemsom van € 75.000,-. [eisers] c.s. heeft daar een bedrag van € 57.580,- van voldaan.
3.3.
[bedrijf 1] heeft werkzaamheden verricht in en aan de woning van [eisers] c.s. Wegens door [eisers] c.s. geconstateerde gebreken, hebben [eisers] c.s. [deskundige] (hierna: de deskundige) verzocht om de staat van het werk op te nemen.
3.4. De deskundige heeft een bezoekverslag opgemaakt op 8 december 2025. In het rapport staat:
“De achtergevel is gesloopt zonder vergunning en zonder constructieve rapportage van
een gecertificeerde constructeur. (…)
De aannemer heeft de onveilige situatie niet weggenomen en pas recent op verzoek
van de eigenaren enkele stempels neergezet. Deze stempels staan niet goed en
ondersteunen niets.
De aannemer [bedrijf 1] heeft het bedrijf mijn constructeur een stempel plan laten maken
echter zelfs na ontvangst van dit plan op 29 november 2025 is de aannemer niet over
gegaan tot het weg nemen van de onveilige situatie. (…)
Woning niet geschikt voor bewoning:
Tevens is geconstateerd dat er een onbewoonbare woning is gecreëerd door de aannemer [bedrijf 1] . (…)
Ook ligt de fundering ‘bloot’ omdat de aannemer een groot gat in de vloer heeft gehakt waardoor de kou en het vocht van buiten naar binnen toe trekt. De nieuw aangelegde vloerverwarmingsleidingen zijn door de aannemer doorgesneden. Dit maakt dat de volledige dekvloer uitgehakt moet worden tot op de constructieve betonvloer en er een volledig nieuwe vloerverwarmingsinstallatie, dekvloer en gegaline vloer moet worden aangebracht. (…)
De aanbouw heeft dusdanige gebreken dat er tezamen met het herstellen van de schade in de woning nog langdurige werkzaamheden uitgevoerd moeten gaan worden. Dit maakt dat de woning voor langere tijd nog niet aan bewoonbaarheid kan voldoen. Herstel is niet binnen een redelijke termijn mogelijk (…)
De essentiële voorzieningen ontbreken. De basis voorzieningen verwarming, Elektra installatie op de begane grond en een goed functionerende badkamer en keuken zijn niet aanwezig. (…)
Er zijn ernstige gebreken aanwezig die een direct en reëel gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van de bewoners. Verdere constructieve schade en instorting achtergevel 1e verdieping. Open verbinding met de fundering waardoor kou, vocht en ongedierte de woning in trekken.”
3.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben 8 december 2025 de woning van [eisers] c.s. bezocht op uitnodiging van de deskundige.
3.6.
[eisers] c.s. hebben december 2025 een constructeur zogenoemde stempels laten plaatsen om de constructieve schade te beperken. Uit een offerte van [bedrijf 2] B.V. blijkt dat de kosten om de constructieve gebreken weg te nemen worden begroot op € 28.396,76.
3.7.
[bedrijf 1] is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd als opgeheven per 19 december 2025.
3.8. De deskundige heeft op 10 februari 2026 een rapport opgemaakt met alle door de deskundige geconstateerde gebreken aan de woning en de werkzaamheden van [bedrijf 1] . De deskundige heeft de kosten van de herstelwerkzaamheden begroot op een bedrag van € 203.619,43.
3.9. De gemachtigde van [eisers] c.s. heeft bij e-mail van 27 februari 2026 [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door [eisers] c.s. geleden schade en [gedaagde 1] gesommeerd de gebreken te herstellen.
3.10.
[gedaagde 1] heeft bij e-mail van 13 maart 2026 aangegeven bereid te zijn de schade te herstellen. Deze e-mail heeft [gedaagde 1] ook ondertekend namens [gedaagde 2] .
3.11. De gemachtigde van [eisers] c.s. heeft bij e-mail van 22 april 2026 [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van gevolgschades voor een bedrag van € 12.798,41. In de e-mail staat ook:
“Allereerst vroeg ik mij af of u mij kunt bevestigen dat de heer [gedaagde 2] mijn e-mail d.d. 27 februari jl. heeft ontvangen van u. Het valt mij op dat de heer [gedaagde 2] ook onder uw e-mailbericht staat. Kunt u mij bevestigen dat uw bericht aan mij ook door de heer [gedaagde 2] is verstuurd?”
3.12. Bij aangetekende brief van 14 mei 2026, gestuurd aan het adres van [gedaagde 2] en gericht aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , heeft de gemachtigde van [eisers] c.s. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd om een planning van het herstel te doen toekomen en om de werkzaamheden binnen zeven dagen te starten. Daarnaast is [gedaagde 1] nogmaals gesommeerd tot betaling van de gevolgschade voor een bedrag van € 12.798,41.
3.13. Bij e-mail van 27 juli 2026, verzonden aan [gedaagde 1] , heeft de advocaat van [eisers] c.s. de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde 1] gesommeerd tot terugbetaling van de aanneemsom van € 57.580,- en betaling van de door [eisers] c.s. geleden schade van € 220.000,-.
3.14. Bij deurwaardersexploot van 31 juli 2026 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedagvaard. In deze bodemprocedure vorderen [eisers] c.s. onder meer een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst is ontbonden en betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.
3.15. In een brief van 15 september 2026 heeft de deskundige geadviseerd de woning niet te herstellen, maar tot herbouw over te gaan.
3.16. In een door [gedaagde 1] opgevraagde offerte van [bedrijf 3] B.V. zijn de herstelkosten van de woning begroot op € 336.017,-. In een door [gedaagde 1] opgevraagde offerte van Aannemersbedrijf [bedrijf 4] B.V. zijn de herstelkosten van de woning begroot op € 239.020,27.
4Het geschil
4.1.
[eisers] c.s. vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
-
[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 95.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
-
[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[gedaagden] c.s. voeren verweer. [gedaagden] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader geldvordering in kort geding
5.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
[gedaagde 2] verkeert in verzuim
5.2.
[gedaagde 2] voert aan dat hij niet in verzuim is komen te verkeren. Hij heeft de e-mails die zijn verzonden door de gemachtigde van [eisers] c.s. niet ontvangen, omdat deze niet aan zijn e-mailadres zijn verzonden. Hij betwist dat hij de aangetekende brief van 14 mei 2026 heeft ontvangen. Dit heeft tot gevolg, aldus [gedaagde 2] , dat de vordering tot betaling van een voorschot jegens hem niet kan worden toegewezen.
5.3. Dit verweer gaat niet op. Voor zover [gedaagde 2] de e-mails en de brieven van de gemachtigde of advocaat van [eisers] c.s. niet eerder heeft ontvangen, staat vast dat hij deze stukken wel heeft ontvangen toen hij op 31 juli 2026 is gedagvaard in de bodemprocedure. [gedaagde 2] had op dat moment nog de gelegenheid om aan deze sommaties te voldoen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Hij is daarom in elk geval na ontvangst van deze stukken en het laten verlopen van de daarin genoemde termijnen in verzuim komen te verkeren gelet op het bepaalde in artikel 6:82 lid 1 BW.
[gedaagden] c.s. moeten voorschot betalen
5.4.
[gedaagden] c.s. betwisten niet dat de werkzaamheden ondeugdelijk zijn uitgevoerd, dat daardoor schade is ontstaan en/of dat zij voor de ontstane schade aansprakelijk zijn. Het geschil tussen partijen heeft, uitgaande van de ontbinding van de aannemingsovereenkomst, daarom nog alleen betrekking op de hoogte van de schadevergoeding. In dat kader voeren [gedaagden] c.s. aan dat het voorschot niet kan worden toegewezen, omdat de specifieke posten die [eisers] c.s. vordert onvoldoende zijn onderbouwd en daarmee de vordering van [eisers] c.s. onvoldoende aannemelijk is geworden.
5.5.
De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Uit de door partijen overgelegde inschattingen van de herstelkosten door zowel de deskundige (zie 3.8) als de aannemers, zoals blijkt uit de offertes overgelegd door [gedaagde 1] (zie 3.16), volgt dat de herstelkosten ruim meer bedragen dan € 200.000,-. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure de herstelkosten – en daarmee het aan [eisers] c.s. toe te wijzen bedrag – op een groter bedrag zal begroten dan het gevorderde voorschot van € 95.000,-. Dat [eisers] c.s., naast de terugbetaling van de (deels) betaalde aanneemsom, het gevorderde voorschotbedrag heeft begroot aan de hand van enkele andere schadeposten dan de te verwachten herstelkosten doet daar niet aan af, nog daargelaten dat de hoogte van ook die schadeposten niet inhoudelijk zijn weersproken door [gedaagden] c.s.
Duidelijk is dat [eisers] c.s. spoedeisend belang hebben bij de ontvangst van een voorschot op de schadevergoeding om in elk geval de gemaakte en lopende kosten en de kosten voor een herstelplan te kunnen voldoen.
5.6. Gelet op de omstandigheid dat de vordering zeer aannemelijk is weegt het eventuele restitutierisico minder zwaar en staat dit in dit geval niet aan toewijzing van de vordering in de weg. De vordering wordt daarom toegewezen.
Proceskosten
5.7.
[gedaagden] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
2.803,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.320,94
5.8. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1. veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 95.000,00,
6.2. veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 4.320,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
4049 / 1694