I. Faits, cadre procédural et contexte du litige
A. Origine du litige et prétentions des parties
Par cette décision rendue le 06 novembre 2026, la juridiction saisie (Royaume des Pays-Bas) apporte une clarification structurante en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Dans l'espèce soumise à l'appréciation de la juridiction saisie, le différend s'est noué autour de l'application des règles régissant le domaine droit positif et contentieux juridictionnel au sein de l'ordre juridique de Royaume des Pays-Bas.
« uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026 in de zaak tussen »
B. Déroulement de l'instance et saisine de la juridiction
Saisie suivant les formes et délais prescrits par le droit processuel applicable devant les juridictions de Royaume des Pays-Bas, la juridiction saisie devait vérifier la régularité des moyens soulevés ainsi que la qualification juridique exacte des faits constatés. La décision inscrite sous la référence ECLI:NL:RBZWB:2026:10416 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-10-2026 / BRE 26/5465 BRP VV s'inscrit dans la jurisprudence constante visant à garantir la sécurité juridique des sujets de droit et la prévisibilité du contrôle juridictionnel.
II. Problème de droit et fondements textuels mobilisés
A. La question juridique centrale soumise au juge
La question déterminante posée à la juridiction saisie consistait à déterminer dans quelle mesure les constatations souveraines opérées au fond et l'interprétation des textes invoqués justifiaient la solution retenue (statuant au fond en droit positif), au regard des exigences d'équilibre probatoire et de légalité matérielle.
B. Corpus normatif et textes de référence cités
L'analyse juridique s'articule autour des dispositions et références normatives suivantes :
- Corpus normatif applicable en Royaume des Pays-Bas (Droit positif et contentieux juridictionnel)
- Principes directeurs du procès équitable et contrôle de motivation juridictionnelle
III. Solution retenue et architecture de la motivation
A. L'articulation du syllogisme juridictionnel
Pour trancher le litige, la juridiction saisie procède à une confrontation rigoureuse entre la règle de droit applicable et les éléments matériels versés aux débats :
« het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college). »
B. Dispositif et sens de la décision
Au terme de sa démonstration, la juridiction prononce son dispositif dans les termes suivants :
« Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 27 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. »
Cette motivation met en évidence le soin apporté par la juridiction saisie à caractériser précisément les conditions d'application de la norme avant d'en tirer toutes les conséquences juridiques à l'égard des parties.
IV. Portée normative, sécurité juridique et repères pratiques
A. Apport à la cohérence jurisprudentielle (Royaume des Pays-Bas)
Sur le plan théorique et systémique, cet arrêt consolide l'interprétation retenue par la juridiction saisie en matière de droit positif et contentieux juridictionnel. Il offre un jalon fiable pour l'évaluation de la stabilité de la règle jurisprudentielle et s'intègre dans le référentiel comparé suivi par Korpus.
B. Recommandations opérationnelles pour les praticiens
- Qualification préalable : vérifier systématiquement la réunion cumulative des critères factuels exigés par la juridiction saisie avant d'engager l'action ou de soulever le moyen ;
- Traçabilité probatoire : documenter par écrit l'ensemble des pièces justificatives correspondant aux textes visés (corpus légal applicable) ;
- Anticipation procédurale : mobiliser cette décision du 06 novembre 2026 comme précédent pertinent dans les écritures portant sur un litige analogue en Royaume des Pays-Bas.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5465
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college).
Inleiding
1.1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het voornemen tot opname van gegevens over zijn vertrek in de Basisregistratie Personen (BRP).
1.2. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij kennelijk onbevoegd is.
1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Overwegingen
-
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter bij brief van 17 september 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat hij zijn inschrijfadres in de BRP verliest en dakloos wordt na zijn detentie. Bij zijn verzoek heeft verzoeker een kopie overgelegd van de brief van 9 september 2026 van het college. In die brief meldt het college voornemens te zijn gegevens over verzoekers vertrek op te nemen in de BRP.
-
De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een besluit. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.
-
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet op een voornemen tot uitschrijving uit de BRP. De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijk voornemen niet gericht is op rechtsgevolg. Verzoeker wordt namelijk nog niet uitgeschreven uit de BRP. Er wordt alleen kenbaar gemaakt dat het college voornemens is om dat te doen. Daarom wordt een voornemen niet aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat er ook geen voorlopige voorziening kan worden aangevraagd. Dat kan pas als er een besluit wordt genomen waarbij verzoeker daadwerkelijk wordt uitgeschreven uit de BRP en hij daartegen bezwaar maakt.
-
De voorzieningenrechter is daarom kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat er nog geen griffierecht is betaald, is er ook geen aanleiding te bepalen dat dat wordt terugbetaald
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 27 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.