Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260922.2N.2 (2026-09-22)
Samenvatting (NL) : De schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of een wanbedrijf in de zin van de artikelen 66 en 67 oud Strafwetboek vereist het bewijs van het feit dat de deelnemer op een wijze zoals omschreven in een van die artikelen zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was, dat hij wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen; strafbare deelneming kan dan ook niet wettig worden afgeleid uit de enkele nalatigheid (1). (1) Zie gelijkluidende concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT --- P.25.1690.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:
- Inhoud van het bestreden arrest
- Eiser wordt vervolgd als dader of als mededader wegens verschillende inbreuken op de wetgeving inzake douane en accijnzen, die verband houden met een grootscheepse handel in namaaksigaretten op 16 juni 2023. In de rechtstreekse dagvaarding is de hoedanigheid van eiser vermeld als “dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende”.
- Het hof van beroep te Gent heeft in zijn arrest van 19 november 2025 de schuldigverklaring van eiser in eerste aanleg bevestigd en de in eerste aanleg opgelegde geldboete van 100.000.000 euro met gedeeltelijk uitstel voor de duur van drie jaar behouden, met dit verschil dat het uitstel wordt toegekend voor een bedrag van 99.900.000 euro in plaats van 99.500.000 euro. De effectief verschuldigde geldboete is bijgevolg teruggebracht van 500.000 euro tot 100.000 euro.
- Het bestreden arrest stelt vast dat op camerabeelden aangetroffen in het magazijn gebruikt voor de productie van namaaksigaretten te zien is dat machines werden verplaatst door medebeklaagde Z. De medebeklaagde maakte daarbij gebruik van een VW Caddy, ingeschreven op naam van eiser (blz. 18). Daarover verklaarde eiser dat hij op vraag van B. (dit is een naam toegeschreven aan de medebeklaagde) de wagen op zijn naam liet inschrijven en de verzekering regelde (blz. 18). Het hof van beroep merkt op dat de registratieperiode van het voertuig naadloos aansluit bij de duur van de illegale operatie en in de GSM van eiser het oproepnummer is opgeslagen van Z. (blz. 18). Daaruit volgt volgens het arrest dat eiser ‘wetens en willens het noodzakelijke transportmiddel ter beschikking stelde” (blz. 18) en “wetens en willens de criminele activiteiten heeft gefaciliteerd”. Uit de vaststellingen blijkt dat “de ontkenningen van eiser ongeloofwaardig zijn”, zodat het “materieel bestanddeel van de tenlasteleggingen” vaststaat.
- De appelrechters oordeelden verder dat “in hoofde van eiser ook het moreel element van de voorliggende douanemisdrijven is bewezen” (blz. 27) en eiser zijn “onontbeerlijke medewerking heeft verleend aan het scheppen en/of bevorderen van de voorliggende douanemisdrijven en dat hij hierbij wist, minstens redelijkerwijze had moeten weten, dat zijn handelen in het systeem van de illegale sigaretten en illegale versneden rooktabak kaderde, terwijl hij niet aannemelijk maakt dat er in zijn hoofde sprake zou zijn geweest van overmacht of onoverwinnelijke dwaling (blz. 27)”.
- Het arrest oordeelt verder (blz. 24) dat eisers “handelingen pasten in een vooraf bestudeerd plan” en hij “zijn deel heeft bijgebracht tot de uitvoering van dat plan”. Minstens heeft hij “bij zijn handelen bewust een meer concrete kennis en opzet van de voorgenomen misdrijven verzaakt, waardoor hij met kennis van zaken heeft willen bijdragen tot om het even welk bepaald misdrijf”. Overigens heeft eiser door gedragingen “deelgenomen aan de voormelde misdrijven, vermits hij zich bewust dient te zijn van de kans, de mogelijkheid of het risico dat hij door zijn gedragingen heeft bijgedragen tot welbepaalde misdrijven, en dit gevolg a priori heeft aanvaard”. Voor zoveel nodig heeft hij door “die gedragingen de fraude vergemakkelijkt of toegelaten dat ze blijft voortbestaan” (blz. 24).
- Tenslotte oordeelt het arrest dat het ‘eventueel opzet kan worden aanvaard als modaliteit van het deelnemingsopzet’ (blz. 22), wat inhoudt dat de deelnemer al strafbaar is “als hij wetens en willens een gedraging verricht zonder dat hij daarbij de bedoeling heeft door die gedraging 1/5 Hofvancassatie.be
Parket
deel te nemen aan een welbepaald misdrijf, maar waarbij hij zich bewust is van de kans, de mogelijkheid of het risico dat hij door die gedraging bijdraagt tot een welbepaald misdrijf, en dit gevolg a priori aanvaardt”. Het volstaat voor de schuldigverklaring vast te stellen dat men het risico dat men deelneemt heeft aanvaard (blz. 23). Voorwaarde is dat de mededaderschap niet wordt uitgebreid tot “iemand die niet alleen niet met zekerheid weet of er een misdrijf zal worden gepleegd, maar ook niet weet welk misdrijf eventueel zou kunnen worden gepleegd”. Verder mag er geen sprake zijn van onachtzaamheid in plaats van eventueel opzet. Het moet vaststaan dat de mededader daadwerkelijk de mogelijkheid heeft voorzien dat hij deelneemt en dit a priori heeft aanvaard. De situatie dat de deelnemer deze mogelijkheid had kunnen en moeten voorzien volstaat niet1 (blz. 23). 2) Het deelnemingsopzet 7. Uit het bestreden arrest (blz. 19) kan worden afgeleid dat eiser is veroordeeld als mededader aan de bewezenverklaarde misdrijven, wegens het verstrekken van noodzakelijke hulp (art. 66, lid 3 Oud Strafwetboek). Weliswaar geeft het arrest ook aan dat eiser handelingen stelde die de criminele activiteiten van medebeklaagde Z. hebben ‘gefaciliteerd’ (blz. 18) of dat hij door die handelingen de fraude heeft “vergemakkelijkt of toegelaten dat de fraude blijft voortbestaan” (blz. 24). Deze beschouwingen zouden kunnen worden opgevat als het vergemakkelijken van het misdrijf zonder de noodzakelijke hulp te leveren, als vorm van medeplichtigheid (art. 67, vierde lid, Oud Sw.). 8. Eén van de componenten van strafbare deelneming is het deelnemingsopzet. Volgens vaste rechtspraak moet het bewezen zijn dat de deelnemer op een specifieke wijze (zoals omschreven in de artt. 66 of 67 Oud Sw.) zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was. De vonnisrechter moet dus vaststellen dat de deelnemer wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen2. 9. De vonnisrechter oordeelt onaantastbaar of de als mededader vervolgde beklaagde handelde met het vereiste deelnemingsopzet en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen
1
Met verwijzing op deze punten naar J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 455-456. Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11, met concl. van advocaatgeneraal D. SCHOETERS. Zie ook Cass. 2 december 2025, AR P.25.0776.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.13, NC 2026, 289; Cass. 25 november 2025, AR P.25.0711.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.7; Cass. 26 september 2023, AR P.23.0586.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.1; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, RW 2023-24, 58 noot S. MELIS; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1056.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7, RW 2022-23, 149 noot K. BEIRNAERT; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5; Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N, AC 2004, nr. 344; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 351-457; E. VAN DOOREN, “Douane & Accijnzen: moreel element van het misdrijf”, in Comm. Straf. 2018, 12; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 385-387; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 143-146; S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, 36-39; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, tome III, Larcier, 2026, 278-306. Vanaf 1 september 2026 geldt art. 19 Strafwetboek (Wet 29 februari 2024), waarin het deelnemingsopzet is omschreven als het “wetens en willens op betekenisvolle wijze bijdragen tot het misdrijf”, onder meer door het vergemakkelijken van de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf. 2
2/5 Hofvancassatie.be
Parket
geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord3. 10. Hieruit volgt ten eerste dat het “moeten weten” dat een daad bijdroeg tot het misdrijf begaan door de dader niet volstaat voor het deelnemingsopzet. Strafbare deelneming kan niet wettig worden afgeleid uit de enkele nalatigheid van de betrokkene4. Een verregaande, grove onachtzaamheid kan weliswaar een vermoeden inhouden van een deelnemingsopzet, maar is nog geen bewijs van dergelijk opzet5. 11. Met de aangehaalde redenen over het “minstens redelijkerwijze had moeten weten” dat eiser “zijn handelingen kaderden in een systeem van illegale sigaretten”, sluit het arrest naar mijn mening niet uit dat eiser alleen door nalatigheid of lichtzinnigheid de noodzakelijke hulp leverde aan de bewezenverklaarde feiten. Deze visie strookt niet met de vermelde beginselen van deelnemingsopzet. Het feit dat in douanezaken “schuld door wetsinbreuk” in de regel volstaat voor het plegen van het misdrijf zelf, neemt niet weg dat de deelnemer pas strafbaar is als hij daadwerkelijk wist dat hij door zijn gedraging de noodzakelijke hulp verleende aan het douanemisdrijf en hij vrijwillig tot het misdrijf bijdroeg6. 12. Ten tweede lijkt mij het arrest door zijn interpretatie van de leer van het eventueel (deelnemings)opzet aan te geven dat risicoaanvaarding al zou volstaan voor strafbare deelneming. Hierdoor wordt ten onrechte de drempel verlaagd van deelnemingsopzet naar een vorm van onachtzaamheid. Het ‘eventueel deelnemingsopzet’ is een constructie in de rechtsleer die erop neerkomt dat de deelnemer strafbaar is als hij wetens en willens een gedraging stelde zonder dat hij daarbij de bedoeling heeft door die gedraging deel te nemen aan een welbepaald misdrijf. Hij is zich wel bewust van de kans, de mogelijkheid of het risico dat hij door die gedraging bijdraagt tot een welbepaald misdrijf, waarbij hij gevolg op voorhand (a priori) aanvaardt7. Deze bredere invulling van de strafbare deelneming lijkt mij geen steun te vinden in de rechtspraak van het Hof.
3
Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N, AC 2016, nr. 342; Cass. 29 september 2015, AR P.15.1169.N, AC 2015, nr. 567; Cass. 29 november 2011, AR P.11.1250.N, AC 2011, nr. 656; Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N, AC 2004, nr. 344; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 145. 4 Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 12 september 2006, AR P.06.0416.N, AC 2006, nr. 406; Cass. 28 september 2010, AR P.10.0099.N, AC 2010, nr. 554, met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; F. ROGGEN, “La participation criminelle”, Droit pénal et procédure pénale, Kluwer, 2017, 7-10; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 144; S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, nr. 54; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, tome III, Larcier, 2026. 5 Zie hierover S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, 38-39. 6 Over het verschil tussen het vereiste opzet van de dader aan de meeste douanemisdrijven (schuld door wetsinbreuk) en de schuld van een deelnemer aan een douanemisdrijf, die aansluit op het deelnemingsopzet voor een gemeenrechtelijk misdrijf, zie E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane en accijnsstrafrecht”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht (M. MAUS en M. ROZIE, eds.), Intersentia, 2011, 485-489; Concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS in de zaak Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11. 7 J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 451. Over het ontstaan, de betekenis en de draagwijdte van de theorie van het eventueel deelnemingsopzet zie blz. 441-457 en verder J. VANHEULE, “Erkenning van het eventueel deelnemingsopzet in het Belgisch strafrecht?”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Kluwer, 2011, 899-906. Deze auteur stelt in zijn besluit (p.906) dat de erkenning van het eventueel deelnemingsopzet door de rechtspraak tot de mogelijkheden behoort, zonder dat er daartoe een verplichting bestaat. 3/5 Hofvancassatie.be
Parket
- Het Hof nam reeds aan: “De wilsovereenstemming, onder haar tweevoudige aspect van kennis en wil, moet betrekking hebben op een welbepaald misdrijf en niet op een willekeurig misdrijf. Hoewel mededaders weet moeten hebben van het doel en de aard van de daad waaraan ze hebben deelgenomen, vereist de wet echter niet dat zij op de hoogte moeten zijn van alle details betreffende de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf om te kunnen worden bestraft”8. De leer van het eventueel opzet staat op gespannen voet met de voorwaarde van het wetens en willens handelen van de deelnemer dat is gericht op een “welbepaald misdrijf” dat overeenstemt met het opzettelijk misdrijf begaan door de dader. Het gevaar van deze leer is dat de kenniscomponent afzwakt tot het mogelijk door een derde te plegen onbepaald hoofdmisdrijf en daarmee ook de vereiste wegvalt van een doelgericht handelen van de deelnemer dat is afgestemd op het hoofdmisdrijf9. Op die manier vervaagt de grens tussen het eventueel (of onrechtstreeks) opzet en de onachtzaamheid als moreel bestanddeel van het misdrijf. Er is in de rechtsleer ook verdeeldheid over het kunnen voorzien van de ongewilde gevolgen van het handelen, als onderdeel van het eventueel opzet. Moet de dader deze ongewilde gevolgen goed hebben ingeschat en effectief hebben aanvaard, of volstaat het dat hij die gevolgen er op de koop toe bijnam, vanuit een soort nonchalance, waardoor er al opzet is bij het niet bij voorbaat uitsluiten van de gevolgen?10
- Hierbij valt op te merken dat het nieuwe Strafwetboek (art. 7, § 2), van toepassing vanaf 1 september 2026, geen steunpunt vormt voor de leer van het eventuele opzet. De wetgever was gekant tegen het eventueel opzet omdat dit concept over de aanvaarding van een aanvankelijk ongewenst gevolg onnodige verwarring zaait en een te ruime invulling heeft aan het algemeen opzet, wat indruist tegen de kernbeginselen van het strafrecht11. Voor toepassing van art. 19 Sw. over strafbare deelneming, zoals van toepassing vanaf 1 september 2026, wordt als vereiste aangenomen dat de deelnemer een bijdrage wil leveren aan een bepaald misdrijf, zonder daarbij noodzakelijk kennis te hebben van de uitvoeringsmodaliteiten van dat misdrijf12.
- Artikel 66, derde lid, Oud Sw. bestraft de beklaagde die wist dat hij noodzakelijke hulp leverde aan een opzettelijk misdrijf en handelde met de bedoeling om deel te nemen aan dat misdrijf, in overeenstemming met de dader13. Het enkele feit dat de handelingen van eiser in cassatie (namelijk het inschrijven en laten verzekeren van de wagen op naam van de dader)
8
Cass. 18 mei 2022, AR P.22.0113.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220518.2F.3. Zie ook Cass. 26 september 2023, AR P.23.0586.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.1; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, RW 2023-24, 58 noot S. MELIS; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1056.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7, RW 2022-23, 149 noot K. BEIRNAERT; Cass. 18 september 2018, AR P.17.1138.N, AC 2018, nr. 473, NC 2018, 599; Cass. 9 december 1986, AC 1986-87, 472, RW 1987-88, 856 noot M. DE SWAEF. 9 B. SPRIET, “Het materieel en moreel bestanddeel van een strafbare deelneming aan diefstal”, RW 1994-95, 363; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 456. 10 Zie hierover C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 335. 11 Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, Parl. St. Kamer, Doc 55-337/001, 44 en Doc 55337/004, 255 en 276; J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe strafwetboek, die Keure, 2024, 74-76; R. VERSTRAETEN, “Bedenkingen bij de (her)structurering in het nieuwe Strafwetboek van het moreel bestanddeel van een misdrijf en de burgerrechtelijke gevolgen”, NC 2026, 6 en 16. 12 J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe strafwetboek, die Keure, 2024, 157-159; T. VANDER BEKEN, Handboek strafrecht, Gompel&Svacina 2024, 211; F. KUTY, Précis de droit pénal. Commentaire du livre Ier du Code pénal, Larcier, 2025, 392-393. 13 In die zin J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 447; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 385. 4/5 Hofvancassatie.be
Parket
voor de dader van accijnsfraude een noodzakelijke hulp inhielden, laten niet toe deze handelingen op te vatten als strafbare deelneming. 16. Ook in hun overwegingen over het eventueel opzet sluiten de appelrechters m.i. niet uit dat eiser handelde uit nalatigheid of naïviteit, zonder enige wilsovereenstemming met de dader van het misdrijf14. Het feit dat de deelnemer zich bewust diende te zijn van de kans of het risico dat zijn gedragingen bijdragen tot welbepaalde misdrijven, en dit gevolg op voorhand heeft aanvaard (blz. 24), kan niet volstaan voor het vaststellen van het deelnemingsopzet. Ook op dit punt lijkt mij het arrest niet naar recht verantwoord. 17. Het komt mij aangewezen voor een ambtshalve middel aan te voeren dat gesteund is op de artikelen 66 en 67 Oud Strafwetboek. Dit middel sluit aan op het tweede middel van eiser, dat stelt dat de appelrechters aan de hand van hun feitelijke vaststellingen en algemene beschouwingen over mededaderschap niet konden oordelen dat eiser door zijn gedragingen kon voorzien dat hij bijdroeg aan een bepaald misdrijf. Meer bepaald stelt het arrest volgens eiser niet vast dat hij wist dat het door hem ingeschreven voertuig werd of zou worden gebruikt voor de bewezenverklaarde misdrijven. 18. De (overige) grieven aangehaald in de memorie van eiser kunnen niet leiden tot een cassatie zonder verwijzing van de zaak en behoeven aldus geen antwoord. 19. Ondergeschikt, indien het Hof meent dat de deelnemingsvorm omschreven in artikel 66, derde lid, Oud Strafwetboek niet duidelijk is vastgesteld, omdat het bestreden arrest ook termen gebruikt die wijzen op medeplichtigheid (art. 67 Oud Sw.), kan het arrest m.i. eveneens worden verbroken op basis van een ambtshalve middel over een motiveringsgebrek15. Conclusie: Cassatie met verwijzing van de zaak, behalve de beslissing over het toelaatbaar hoger beroep van eiser.
14
Over het vereiste van wilsovereenstemming voor mededaderschap, ook in douanezaken zie E. VAN DOOREN, “Douane & Accijnzen: moreel element van het misdrijf”, in Comm. Straf. 2018, 12. 15 Vb. Cass. 3 oktober 2023, AR P.23.0719.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.2: “Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer aan een misdrijf, de verplichting om in de bewoordingen van de artikelen 66 of 67 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de deelnemingsvorm vast te stellen die hij bewezen acht”. Zie ook Cass. 25 april 2012, AR P.12.0125.F, AC 2012, nr. 254, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RABG 2013, 1039 noot J. VANHEULE, T. Strafr. 2013, 299 noot B. MEGANCK. 5/5 Hofvancassatie.be