Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004531-24
Uitspraakdatum: 27 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2024 met parketnummer 05-126769-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.M. Bissumbhar, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 oktober 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte voor een poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de [benadeelde] volledig toegewezen tot een bedrag van € 6.053,85, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de rechtbank beslist op het beslag.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met een aanvullende overweging ten aanzien van de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte en met uitzondering van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
De strafbaarheid van het feit
Verwerping noodweer
Verdachte heeft in hoger beroep (opnieuw) een beroep gedaan op noodweer. Het hof verwerpt dit verweer op de gronden zoals weergegeven in het vonnis dat wordt bevestigd.
De strafbaarheid van verdachte
Het hof heeft gelet op de PJ-rapportage van [de psycholoog] van 12 juli 2024 waarin wordt geconcludeerd dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Uit de rapportage volgt dat de verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek grote onzekerheid ervaart in sociale contacten, in het bijzonder binnen relationele verhoudingen. Hij is bang de ander kwijt te raken en heeft sterke behoefte aan aandacht en bevestiging. Zijn onzekerheid en jaloezie kunnen leiden tot bezitterig en sterk controlerend gedrag naar zijn partner. Verdachte is overweldigd door emoties.
Het hof neemt de conclusie van de psycholoog over en stelt vast dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal bij het opleggen van de straf hiermee rekening houden.
Oplegging van straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf als is opgelegd bij de rechtbank, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel moet de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met het slachtoffer en zijn ex-partner worden gekoppeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend is.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, door een voor hem onbekende man, die op bezoek was geweest bij zijn ex-vriendin, op straat neer te steken met een mes. Het slachtoffer heeft het incident overleefd, maar de gedragingen van verdachte hadden fataal kunnen aflopen. Door zo te handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke straf verdachte moet worden opgelegd. Het hof heeft daarbij gelet op het strafblad van verdachte van 10 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen ruim vijftien jaar niet is veroordeeld voor een ander strafbaar feit. Dit betekent dat verdachtes strafblad geen strafverzwarende omstandigheid oplevert bij de strafoplegging.
In het rapport van [de psycholoog] van 12 juli 2024 is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken. Vanuit zijn persoonlijkheidspathologie is verdachte erg onzeker in sociaal en met name relationeel opzicht. Hij is bang de ander kwijt te raken, is snel jaloers en heeft veel aandacht en bevestiging nodig. Op het moment dat hij geconfronteerd wordt met het feit dat zijn ex-partner een date heeft met een andere man, wordt hij overweldigd door emoties. Boosheid, verdriet, verlatingsangst, teleurstelling en wanhoop maken zich van hem meester. Daarbij geldt dat hij ten tijde van het feit onder invloed is van alcohol waardoor hij meer moeite heeft om zijn emoties en impulsen onder controle te houden. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verdachte heeft door zijn persoonlijkheidsproblematiek in mindere mate de mogelijkheid om zijn handelen in vrije wil te bepalen.
De kans op recidive op de korte termijn wordt door de psycholoog als laag ingeschat. Verdachte is zelf erg geschrokken van zijn gedrag, voelt zich schuldig en schaamt zich. Daarbij is de verwachting dat hij bereid is om hulpverlening aan te gaan om te voorkomen dat het ooit opnieuw gaat gebeuren. Pas op de lange termijn en bij het falen van de hulpverlening is de inschatting dat de kans op recidive zal toenemen tot maximaal matig. Vanwege de aanwezigheid van persoonlijkheidspathologie wordt geadviseerd om verdachte hulpverlening aan te bieden binnen een ambulant kader.
Het hof heeft ook gelet op het recente reclasseringsadvies van 6 oktober 2026 waaruit blijkt dat verdachte ondertussen een behandeling heeft gevolgd bij [een gespecialiseerde instelling] , waar is gewerkt aan de delict gerelateerde problematiek. Deze behandeling is in juni 2026 positief afgerond. Gelet op het feit dat de delictgerelateerde problematiek uitgebreid is behandeld, de behandeldoelen zijn behaald, verdachte gedurende langere tijd stabiliteit heeft laten zien op de verschillende leefgebieden en het toezicht is verlopen zonder incidenten, ziet de reclassering geen noodzaak meer voor aanvullende interventies of een nieuw toezichtskader.
Het hof is van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van de bewezenverklaarde poging tot doodslag in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het feit. Daarnaast weegt het hof in positieve zin mee dat verdachte zijn behandeling bij [een gespecialiseerde instelling] afgelopen zomer heeft afgerond, verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen en er inmiddels sprake is van stabiliteit op alle leefgebieden. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen waarvan 577 dagen voorwaardelijk met aftrek van het reeds ondergane voorarrest passend en geboden. Het hof acht het opleggen van bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk.
Beslag
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij het in beslaggenomen horloge heeft teruggekregen. Het hof hoeft daarom geen beslissing te nemen op het beslag.
Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde]
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.053,85 ingediend, bestaande uit € 1.053,85 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van het hof
Materiële schade
De opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist en ook voldoende onderbouwd en aannemelijk. Verdachte moet die schade vergoeden.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft ook aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk wetboek, nu deze lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde partij fysiek letsel en psychische klachten opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat de immateriële schade voldoende is onderbouwd en ziet, mede gelet op de aard, de ernst en de omstandigheden van het bewezenverklaarde, geen reden om het gevraagde bedrag te matigen. Het hof zal de vordering daarom in zijn geheel toewijzen.
Conclusie
Het hof zal de vordering geheel toewijzen tot een bedrag van € 6.053,85, bestaande uit € 1.053,85 aan materiële schade, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2026 (de datum van de uitspraak) en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024. Om te bevorderen dat de benadeelde partij schadeloos wordt gesteld en het door verdachte verschuldigde op hem wordt verhaald, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 730 (zevenhonderddertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 577 (vijfhonderdzevenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.053,85 (zesduizend drieënvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 1.053,85 (duizend drieënvijftig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.053,85 (zesduizend drieënvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 1.053,85 (duizend drieënvijftig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
27 oktober 2026 en van de immateriële schade op 14 april 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. O.O. van der Lee, mr. P.S. Bakker en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 oktober 2026.