RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.63058
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
- Met het bestreden besluit van 17 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Steinert als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
- De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
- De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
De minister heeft de grond onder s ter zitting laten vallen.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
- Eiser betwist de gronden. Volgens eiser kan de grond onder b niet worden tegengeworpen, omdat eiser tijdens de vertrektermijn grotendeels in voorlopige hechtenis en strafrechtelijke detentie verbleef en niet vrijwillig kon vertrekken. Verder kunnen volgens eiser de gronden onder p en r niet worden tegengeworpen omdat een nadere onderbouwing en nader onderzoek mist. Eiser is bij de politie bekend en in het dossier staat een feitelijk verblijfsadres.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser aanvoert zijn de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet onvoldoende. De minister mag de grond onder b aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Niet in geschil is dat eiser op
3 september 2026 gedwongen, met medische repatriëring, is uitgezet. Op 16 oktober 2026 is eiser opnieuw in Nederland aangetroffen zonder rechtmatig verblijf. Niet is gebleken dat eiser in de tussenliggende periode zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De minister mag de gronden onder p en r aan eiser ook tegenwerpen omdat deze feitelijk juist zijn en de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico volgt. Eiser heeft zich aan het toezicht onttrokken en hij staat niet op een adres ingeschreven De gronden zijn daarmee voldoende om de maatregel te dragen.
Had de minister een inspanningsverplichting?
- Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. Eiser geeft hierbij aan dat er onduidelijkheid bestaat over de gegevens in het uittreksel Justitiële Documentatie.
6.1.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat geen sprake is van een situatie waarbij eiser direct voorafgaand aan de maatregel in strafrechtelijke detentie heeft gezeten. Ongeacht de onduidelijkheid in het uittreksel, staat vast dat eiser op 3 september 2026 is uitgezet. Eiser is vervolgens opnieuw naar Nederland gereisd. Op 16 oktober 2026 is eiser aangehouden op verdenking van een strafbaar feit. Op 17 oktober 2026 is hij aansluitend op de strafrechtelijke heenzending overgedragen aan de vreemdelingenpolitie, waarna de maatregel is opgelegd. Er was dus geen sprake van een inspanningsverplichting.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
- Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Uit het dossier volgt dat eiser in zichzelf gekeerd is en een historie heeft van onbegrepen en verward gedrag. Ook blijkt dat hij in 2025 dagelijks drugs gebruikte. Op 3 september 2026 is eiser uitgezet met een medische repatriëring. Volgens eiser had de minister meer onderzoek moeten doen en een lichter middel moeten opleggen. Hij verwijst hierbij naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
7.2.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel geeft eiser aan dat het goed met hem gaat, dat hij niet onder medische behandeling staat, geen medicatie slikt en niet verslaafd is. De uitspraken die eiser benoemt zien op andere situaties. Eiser heeft namelijk geen medisch dossier en hoewel hij korte antwoorden gaf tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, wilde hij wel meewerken aan het gehoor. Ook nadien is niet gebleken dat eiser niet langer in bewaring gehouden kan worden. Er is namelijk niet gebleken dat de medische dienst onvoldoende is voor eiser. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat eiser momenteel op een extra zorgafdeling verblijft en dat er contact is met een psycholoog. Ook wordt er rekening gehouden met de mogelijkheid om bij de uitzetting opnieuw gebruik te maken van medische begeleiding. Eiser heeft op de zitting aangegeven medicatie te slikken maar dat het verder goed gaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
- Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt, werkt de minister wel voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zoals onder 6.1 is overwogen, heeft de minister niet eerder voortvarend hoeven te handelen dan vanaf de oplegging van de maatregel op 17 oktober 2026. Op 21 oktober 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Ook is op 26 oktober 2026 een verzoek aan Luxemburg gedaan om te verifiëren of eiser de Luxemburgse nationaliteit heeft en of er een reisdocument voor zijn uitzetting uitgegeven kan worden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel tot vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
ECLINL:RVS:2022:1710 en ECLI:NL:RVS:2023:2666.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).