RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.39373 (beroep)
NL26.39374 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1979, van Jordaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C. Knoppers).
Inleiding
-
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
-
Eiser heeft op 1 november 2025 asiel aangevraagd. Op 9 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
-
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en A. Abdullah als tolk in de Arabische taal deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
-
De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
-
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
6.1.
In dit geval heeft Nederland op 9 december 2025 aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen. Kroatië is hiermee op 18 december 2025 akkoord gegaan. De minister heeft de asielaanvraag met het besluit van 4 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
6.2.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft dit beroep op 1 april 2026 gegrond verklaard en heeft daarbij het besluit van 4 maart 2026 vernietigd. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zonder een advies van medisch deskundigen geen oordeel kan geven over de vraag of overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheid.
6.3.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister advies gevraagd aan het BMA. Het BMA heeft een onderzoek ingesteld en op 3 juli 2026 geadviseerd.
6.4.
De minister heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser wederom niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.
Standpunt eiser
- Eiser voert allereerst aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht, nu het BMA-advies onvolledig is. Daarbij komt dat het besluit op een onjuiste lezing van het BMA-advies berust. Er wordt immers een nadrukkelijk verband gelegd tussen de medische klachten en de traumatische gebeurtenissen in Kroatië en tussen de suïcidepoging en de negatieve beslissing op zijn asielaanvraag. Zonder medische expertise heeft de minister daarnaast niet kunnen verwijzen naar het veiligheidsplan. Bovendien blijkt uit het advies niet welke rol het veiligheidsplan heeft, of het effectief is en op wie dat plan betrekking heeft. Tot slot voert eiser aan dat overdracht kan leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen en is overdracht om die reden ook in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Daarmee doet eiser een beroep op het arrest C.K..
Het oordeel van de rechtbank
- Niet is in geschil dat de AMbV op eisers asielaanvraag van toepassing is en dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgegaan.
Het BMA-advies
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister uit mogen gaan van het BMA-advies van 3 juli 2026. Eiser wijst er terecht op dat vraag 3c, “… kunt u aangeven voor welke behandeling de fysieke overdracht noodzakelijk is?”, ten onrechte is beantwoord met “niet van toepassing”. Dit maakt het BMA-advies echter niet onzorgvuldig of onvolledig. Uit de beantwoording van de voorafgaande vragen blijkt duidelijk om welke behandeling het gaat. De BMA-arts geeft onder 3a aan dat eiser niet kan reizen, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht wordt georganiseerd. Onder 3b schrijft de BMA-arts: “Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening noodzakelijk is, namelijk begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige tijdens de reis en een fysieke overdracht aan een opvolgend behandelaar (zoals huisarts of psychiater) bij aankomst gezien de recente suïcidaliteit. Aanbevolen wordt, dat betrokkene een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.” De rechtbank is van oordeel dat de behandeling en medische reisvoorwaarden die volgens het BMA noodzakelijk zijn, voldoende duidelijk in het advies staan vermeld. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat het rapport niet duidelijk is omdat een huisarts of psychiater als opvolgend behandelaar wordt genoemd. Uit de formulering volgt dat zowel een huisarts als een psychiater de behandeling kan overnemen volgens de BMA-arts. Daarbij komt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij andere behandelingen nodig zou hebben die niet in het BMA-advies zijn genoemd. Van een onvolledige medisch beeld is dan ook niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het BMA-advies niet zodanige vragen oproept dat de minister niet van het advies heeft mogen uitgaan.
9.1.
Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister gehouden was meer onderzoek te verrichten. De minister heeft door een medisch onderzoek door het BMA te laten verrichten, waarbij de informatie van eisers huisarts en zijn psycholoog is betrokken, voldaan aan zijn vergewisplicht. De BMA-arts heeft geconcludeerd dat eiser kan reizen als er een fysieke overdracht wordt georganiseerd met reisvoorwaarden.
Het arrest C.K.
-
Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K. en aanvoert dat de minister van de overdracht af moet zien vanwege het risico dat eisers gezondheidstoestand aanzienlijk en onomkeerbaar verslechtert, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 november 2017 het toetsingskader van het arrest C.K. overgenomen en in rechtsoverweging 7 overwogen dat als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
-
Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de overdracht naar Kroatië tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser zal leiden. Er zijn in het dossier geen objectieve gegevens die wijzen op een situatie als bedoeld in het arrest C.K.. Met name heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit volgt dat het risico op suïcide door een behandelaar als reëel of hoog wordt ingeschat. Hierom al kan eiser naar het oordeel van de rechtbank geen geslaagd beroep doen op het arrest C.K..
Conclusie en gevolgen
-
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Kroatië mag worden overgedragen.
-
Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.39373:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.39374:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verordening (EU) 2024/1351.
Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van de destijds geldende Dublinverordening (nr. 604/2013) op grond van artikel 18, eerste lid en onder d.
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
Met zaaknummer NL26.12428.
Bureau Medische Advisering.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C-578, ECLI:EU:C:2017:127.
ECLI:NL:RVS:2017:2986.