RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05-309475-25, 05-309513-25, 05-309503-25, 05-309450-25 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 19 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. H.E. Berman, advocaat in Haarlem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
05-309513-25
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Zeewolde op of aan de Torenstraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee personen, te weten [aangever 1] en/of [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld tegen die [aangever 1] bestond uit
het meermalen trappen tegen het linkerbeen,
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen het hoofd en/of gezicht,
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen (overige delen van) het lichaam
het eenmaal trappen tegen het lichaam, terwijl die [aangever 1] op de grond lag
en/of
welk in vereniging gepleegde geweld tegen die [aangever 2] bestond uit
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen het hoofd en/of de schouders
het meermalen trappen tegen het lichaam,
het met kracht vasthouden en/of trekken aan de haren en/of
het meermalen (met gebalde vuist) tegen het hoofd slaan, terwijl die [aangever 2] bij de haren werd vastgehouden;
05-309503-25
hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Zeewolde [aangever 3] heeft mishandeld, door meermalen,
althans eenmaal, pepperspray, althans een stof, die een irriterende en/of prikkelende en/of brandende, in ieder geval een schadelijke, uitwerking heeft op de slijmvliezen en/of de ogen en/of de mond en/of de huid en/of de ademhaling, in de ogen en/of het gezicht en/of in de richting van die [aangever 3] heeft gespoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Zeewolde [aangever 4] heeft mishandeld, door voornoemd
persoon tegen het hoofd en/of oor te slaan;
05-309450-25
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,91 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
05-309475-25
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde een wapen van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een, een gasrevolver merk Arminius type HW 37 kaliber 9mm heeft gedragen en/of voorhanden heeft gehad;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 2-mmc (2-methylmethcathinon) een preparaat van 2-fenethylamine aanwezig heeft gehad;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde munitie van categorie III van de Wet wapens en
munitie, te weten 2 kogelpatronen, merk Men van het kaliber 5.56x45 mm (ook wel genaamd 5.56 NATO) en/of 4 knalpatronen merk Geco kaliber 9 mm RB, voorhanden heeft gehad;
hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 19 juli 2025 te Zeewolde opzettelijk een rijbewijs en/of een toegangspas van PostNL, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] e/v [aangever 6] en/of [aangever 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde aanwezig heeft gehad ongeveer 6,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van parketnummer 05-309513-25:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals tenlastegelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu het feit door meerdere personen moet zijn gepleegd. Subsidiair wordt vrijspraak bepleit voor het onderdeel ‘trappen tegen het lichaam terwijl [aangever 1] op de grond lag’, omdat verdachte toen geen geweld pleegde en op zijn scooter zat.
Beoordeling door de militaire kamer
Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij door drie jongens is mishandeld in de nacht van 8 op 9 februari 2025. Hij had die avond gewerkt bij [cafe] . Toen hij om 03:45 uur samen met zijn vriend [aangever 1] op de Torenstraat liep, ter hoogte van modezaak ‘Elle’ hoorde hij van achteren een hard kabaal. Hij hoorde geschreeuw en het geluid van het optrekken van een scooter. Hij draaide zich om en zag een persoon op een scooter recht op hem af komen rijden. Hij herkende deze persoon als verdachte [verdachte] . De scooter kwam met een behoorlijke snelheid op hem afrijden en leek niet te stoppen, waardoor aangever naar links sprong. Hij zag en voelde dat verdachte hem toch raakte, want hij voelde de scooter langs zijn rechter bovenbeen schuren. Vervolgens reed verdachte met zijn scooter tegen de plantenbak van de modezaak aan, waardoor hij tot stilstand kwam en omviel. Aangever stond vlak naast verdachte en riep ‘Wie de fuck denk jij wel wie je bent?’. Er kwamen meerdere jongens bij staan, die aangever herkende als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Aangever hoorde vanuit de groep mensen die erbij stond iets roepen zoals ‘Klap die gast’. Verdachte begon aangever uit het niets te slaan op zijn rechter wang. Verdachte wilde aangever vervolgens aanvallen, waarop aangever hem met twee handen vastpakte en naar zich toe trok. Dit deed hij omdat ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hem aanvielen. Zij sloegen aangever beiden met gebalde vuisten, waarbij aangever met name op zijn gezicht en bovenarmen geraakt werd. Aangever heeft geprobeerd verdachte op de grond te leggen, zodat hij hem daarna kon loslaten en wegrennen. [aangever 1] stond op dat moment nog steeds naast aangever en werd ook door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangevallen en mishandeld. Toen aangever verdachte naar de grond toe wilde werken, werd hij door zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] meerdere malen geslagen en aangevallen, waardoor hij verdachte losliet. Hij zag en voelde dat verdachte hem bij zijn haren vastpakte en vervolgens hard aan zijn haren trok. Aangever heeft zich los kunnen trekken, waarop hij gelijk wegrende. Tijdens het wegrennen raakte hij verstrikt in de kerstverlichting van modezaak ‘Elle’. Hij keek daarom achterom en zag dat [medeverdachte 1] een ‘flying kick’ naar hem maakte. Hij kon op tijd bukken waardoor hij niet geraakt werd. Ook [medeverdachte 2] probeerde hem toen nog te slaan, maar die klap kon hij ook ontwijken. Aangever rende hard weg naar [cafe] . [aangever 1] stond ook bij [cafe] toen aangever daar aankwam. [aangever 1] was af en toe niet meer helder en er is een dokter voor [aangever 1] gekomen. Aangever had door de mishandeling diverse krassen in zijn gezicht opgelopen.
Aangever [aangever 1] heeft verklaard hij in de nacht van 8 op 9 februari 2025 met [aangever 2] op de Torenstraat in Zeewolde liep. Ter hoogte van modezaak ‘Elle’ reed er een scooter van achter op [aangever 2] in. De bestuurder van de scooter stapte af en begon [aangever 2] aan te vallen. Hierna kwamen er twee personen bij en die begonnen ook op [aangever 2] in te slaan en vervolgens ook op aangever. Hij probeerde [aangever 2] weg te trekken omdat hij de meeste klappen kreeg, ook aangever kreeg een aantal klappen op zijn gezicht. Hij heeft geroepen ‘doe normaal’ en ‘stoppen’, maar dit had geen effect. Aangever heeft ongeveer drie harde klappen in zijn gezicht gehad, op zijn linkerkaak, zijn rechterkaak en zijn linkeroog. Na de laatste klap was hij even niet aanspreekbaar en er kwam bloed uit een wond in zijn wenkbrauw. [aangever 2] probeerde weg te rennen en aangever werd direct met rust gelaten toen [aangever 2] weg was. Aangever werd opgevangen door een paar oude kennissen en is later naar het ziekenhuis gebracht.
Uit de medische informatie betreffende [aangever 1] komt naar voren dat er sprake is van een trauma capitis, een wondje op de linker wenkbrauw dat is geplakt, een dichtzittend oog en een hematoom op de linker oorlel.
Op de mobiele camerabeelden met bestandsnaam '6CABB610-2F29-4FBD-9BC2-B355301C81C1' is te zien dat:
‘Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 03 seconden dat [aangever 1] zich vasthield aan [aangever 2] ter hoogte van modewinkel 'elle' te Zeewolde. Ook zag ik dat [medeverdachte 2] zich vasthield aan [aangever 2] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 04 seconden dat [medeverdachte 1] met zijn rechterbeen een trapbeweging maakt richting [aangever 1] en [aangever 1] raakt op zijn linker bovenbeen.
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 05 seconden dat [medeverdachte 1] met zijn rechterarm een hoge en wijde slagbeweging met gebalde vuist maakt in de richting van het hoofd van [aangever 2] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 08 seconden dat [verdachte] in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] loopt om vervolgens met zijn rechterarm een hoge slagbeweging te maken in de richting van het hoofd van [aangever 2] en [aangever 1] .
Ik, verbalisant, zag tussen 00 minuten 11 seconden en 00 minuten 18 seconden, dat [aangever 2] zichzelf klein maakte en zijn hoofd beschermde terwijl [verdachte] zes (6) keer een korte slagbeweging maakte naar het hoofd van [aangever 2] . Tegelijkertijd zag ik dan [medeverdachte 1] zijn rechterbeen optilde, een voorwaartse trapbeweging maakte naar [aangever 1] en vervolgens met zijn rechterarm en openhand een slagbeweging maakte naar het hoofd van [aangever 1] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 17 seconden dat [medeverdachte 2] twee (2) keer met zijn rechterarm een slagbeweging maakt richting het lichaam van de voorovergebogen [aangever 2] , gevolgd door een gerichte trapbeweging met het rechterbeen van [medeverdachte 2] naar [aangever 2] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 22 seconden dat [verdachte] vier (4) keer met zijn rechterarm een snelle slagbeweging maakte richting het hoofd van [aangever 1] . Vervolgens zag ik dat [verdachte] zijn rechter elleboog krachtig plaatste op het bovenlichaam van [aangever 2] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 26 seconden dat [medeverdachte 1] naar achteren leunde en vervolgens met een grote snelheid met zijn linkerarm en gebalde linkerhand een directe slag plaatste op het
gezicht van [aangever 1] . Ik zag dat [aangever 1] zijn beide handen op zijn eigen gezicht plaatse en zichtbaar ontdaan was van de klap.
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 33 seconden dat [aangever 2] na een worsteling met [verdachte] weg probeerde te rennen, maar [verdachte] hield [aangever 2] tegen door met zijn linkerhand de hoofdharen van [aangever 2] vast te houden. Ik zag dat [verdachte] hard aan de haren van [aangever 2] trok en vervolgens drie (3) keer met zijn rechterarm en gebalde vuist een slagbeweging maakte naar het achterhoofd van [aangever 2] .
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 42 seconden dat [aangever 2] los was gekomen uit de greep van [verdachte] en weg rende van het incident. Echter zag ik dat [medeverdachte 1] achter [aangever 2] aan rende en dat [medeverdachte 1] nog een trap probeerde te plaatsen op het lichaam van [aangever 2] . Hierna zag ik dat [medeverdachte 1] de tegengestelde richting op rende om weer te proberen om te ontkomen aan de situatie.
Ik, verbalisant, zag te 00 minuten 59 seconden [verdachte] zonder helm op een blauwkleurige scooter zitten. Ik zag dat de persoon die deze beelden vastlegde achterop deze scooter ging zitten en dat [verdachte] als bestuurder de scooter in dezelfde richting als [aangever 2] reed.’
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat een vriend van hem ruzie kreeg en dat hij daarom iemand heeft geslagen.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn vriend dronken was, op een scooter reed en vervolgens per ongeluk/expres tegen iemand aanreed. [medeverdachte 1] ziet zichzelf op de camerabeelden vechten, hij ziet dat hij achter een jongen aanrent en die jongen schopt. Hij heeft verklaard dat bij hem een knop is omgegaan en dan kan hij zich niet meer inhouden.
Verdachte heeft verklaard dat er ruzie was met [aangever 2] en [aangever 1] . Zij hebben verdachte geslagen en verdachte heeft [aangever 2] en [aangever 1] geslagen. Hij had het gevoel dat hij zich moest verdedigen, maar is vervolgens te lang doorgegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij die avond onder invloed was en zich niet alles kan herinneren. Hij stond met meerdere vrienden buiten en hij heeft later op de camerabeelden gezien dat hij op de scooter heeft gezeten. Verdachte heeft verder verklaard dat hij aangever [aangever 2] inderdaad op zijn hoofd heeft geslagen en hem aan zijn haren heeft getrokken. Er is over en weer gevochten, maar hij weet niet meer precies hoe het is gegaan.
Openlijke geweldpleging
Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn en waardoor de openbare orde is verstoord. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een significante of wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen.
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat op 9 februari 2025 op de Torenstraat in Zeewolde geweld heeft plaatsgevonden, dat kan worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging.
De vraag die de militaire kamer vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De militaire kamer overweegt het volgende. Onder andere uit de verklaringen van aangevers, medeverdachten en de camerabeelden volgt dat aangevers door meerdere personen worden geschopt en geslagen. Medeverdachten hebben hierover verklaard dat zij vrienden van verdachte zijn en dat zij beiden geweldshandelingen richting aangevers hebben verricht. Ook uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat hij zich bevond in het gezelschap dat op de camerabeelden te zien is en uit die camerabeelden volgt dat zij aangevers gezamenlijk hebben geschopt en geslagen. Nu verdachte tezamen met twee vrienden aangevers hebben geschopt en geslagen, gezamenlijk zijn doorgegaan toen aangevers probeerden weg te komen en er uiteindelijk gezamenlijk mee zijn gestopt, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de aanval op aangevers, onder andere door meerdere keren te slaan in de richting van aangevers en door een van de aangevers aan de haren te trekken.
Conclusie
De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd.
Ten aanzien van parketnummer 05-309503-25:
feit 1:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 19-21;
-
het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 27-28;
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 14-15 (met fotobijlage op p. 17-18);
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
Ten aanzien van parketnummer 05-309450-25:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed zoals ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat strikte waarborgen zijn geschonden en verdachte heeft verklaard dat hij pas ná het rijden is gaan drinken uit schrik.
Beoordeling door de militaire kamer
Vormverzuim
De verdediging heeft bepleit dat er bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim tijdens het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. De verdediging meent dat de bijstandsrechten van verdachte, die een essentieel onderdeel uitmaken van het recht op een eerlijk proces, in grove mate zijn geschonden. Verdachte is gehoord toen hij onder invloed was, midden in de nacht, in een zaak waarin hij recht had op kosteloze rechtsbijstand. Verdachte heeft afgezien van verhoorbijstand en gezwegen, terwijl hij meermaals had benadrukt dat hij een advocaat bij zijn verhoor wilde. Indien geen bewijsuitsluiting plaatsvindt, moet volgens de verdediging strafvermindering plaatsvinden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, maar dat verdachte hierdoor geen concreet nadeel heeft geleden en dat kan worden volstaan met de constatering van dat vormverzuim.
Beoordeling vormverzuim
Uit het dossier is het volgende gebleken. Verdachte werd op maandag 30 juni 2025 om 23:05 uur voorgeleid en gaf daarbij aan gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een zelf gekozen advocaat, te weten mr. H. Berman. Voorafgaand aan het verhoor was de advocaat telefonisch niet bereikbaar. Verdachte is vervolgens op 1 juli 2025 om 01:31 uur gehoord zonder bijstand van zijn advocaat. Uit het proces-verbaal van verhoor van 1 juli 2025 blijkt dat verdachte voorafgaand aan het verhoor heeft verklaard dat hij geen gebruik wilde maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat hij dat niet nodig achtte. Daarna heeft hij zich tijdens het verhoor op zijn zwijgrecht beroepen.
De militaire kamer oordeelt, gelet op het voorgaande, dat het er alle schijn van heeft dat tijdens het verhoor het recht op rechtsbijstand van verdachte is geschonden. De militaire kamer geeft verdachte hierin het voordeel van de twijfel en overweegt het volgende. Uit eerdergenoemd proces-verbaal blijkt dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op verhoorbijstand, omdat hij het niet nodig achtte, echter daar is het nodige aan vooraf gegaan. Reeds tijdens de voorgeleiding heeft verdachte aangegeven gebruik te willen maken van rechtsbijstand door de raadsvrouw. Zij was al eerder op de avond echter niet meer bereikbaar wat, gelet op de piketregeling die kennelijk van 07:00 uur tot 20:00 loopt, niet vreemd is. Zij was dus ook op het latere tijdstip van 01:31 uur niet meer bereikbaar. Daarnaast heeft de raadsvrouw gesteld dat de politie verdachte heeft voorgehouden dat hij alsnog in verhoor moest en dat hij bijstand door een advocaat zelf moest financieren, terwijl hij recht had op kosteloze bijstand. Deze stelling is niet nader onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. Echter, niet valt uit te sluiten dat verdachte bij die stand van zaken, mogelijk vermoeid gelet op het tijdstip midden in de nacht en mogelijk nog onder invloed van alcohol, alsnog met een verhoor zonder rechtsbijstand heeft ingestemd. Ofschoon uit het verhoor niet blijkt dat verdachte over deze gang van zaken zelf iets heeft gezegd, heeft de officier van justitie ter zitting onderkend, onder verwijzing naar de verbalisant die ten onrechte uitging van een C-feit in plaats van een B-feit, dat het bij aanvang van het verhoor niet is gelopen, zoals het hoort en sprake is van een vormverzuim. De militaire kamer is bij deze stand van zaken dan ook van oordeel dat de politie vanuit oogpunt van zorgvuldigheid verdachte niet tot een verhoor had moeten bewegen, maar enkele uren had moeten wachten totdat zijn raadsvrouw aanwezig kon zijn.. Om die reden is in zoverre dan ook sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. De militaire kamer moet vervolgens beoordelen of er rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moeten worden verbonden.
Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging is als in genoemd artikel voorzien rechtsgevolg slechts in een zeer uitzonderlijk geval aan de orde. De militaire kamer wijst in dit verband onder andere op het arrest van de Hoge raad van 1 december 2020 (ECLI:HR:2020:1890). Van een zeer uitzonderlijk geval, zoals nader geduid in genoemd arrest, is naar het oordeel van de militaire kamer in de onderhavige situatie geen sprake.
Wat betreft het subsidiaire beroep van de verdediging op bewijsuitsluiting overweegt de militaire kamer dat geen sprake is van een situatie waarin het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (rechtstreeks) aan de orde is, maar van een situatie waarin sprake is van schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. De Hoge Raad heeft in het eerdergenoemde arrest over het beoordelingskader in dat geval overwogen dat in die (laatste) situaties als belangrijk uitgangspunt geldt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is.
De in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren betreffen het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.
De militaire kamer stelt vast dat het hier gaat om schending van een rechtsbeginsel waarmee verdachte wordt beschermd tegen druk tijdens het politieverhoor. In dit geval heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van zaaksgerichte vragen. Het voor verdachte veroorzaakte nadeel is daarom nihil te noemen. Het door de verdediging opgeworpen verweer dat verdachte zich juist op zijn zwijgrecht heeft beroepen omdat er geen raadsman aanwezig was tijdens het verhoor, brengt volgens de militaire kamer ook geen nadeel met zich mee. Verdachte heeft immers tijdens de terechtzitting (alsnog) uitgebreid kunnen verklaren over de verdenkingen.
De militaire kamer concludeert dat het vormverzuim in dit geval niet zodanig ernstig is en dat verdachte daarvan niet zodanig nadeel heeft gehad dat bewijsuitsluiting het gevolg moet zijn. De militaire kamer beantwoordt de vraag of verdachte door de gang van zaken anderszins in zijn belangen is geschaad of in een nadeliger positie is gekomen, ontkennend, zodat voor sanctionering van het vormverzuim in de vorm van strafvermindering ook geen plaats is. De rechtbank zal volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. Het verweer van de raadsman wordt voor het overige verworpen.
Rijden onder invloed
Getuige [getuige 2] zat op 30 juni 2025 rond 21:00 uur op het balkon en hoorde een auto heel hard remmen. Zij zag dat er op het kruispunt van de Aalbersestraat en de Samuel Mullerstraat een woordenwisseling was tussen twee fietsers en een bestuurder van een grijze auto. Het was bijna een aanrijding tussen de fietsers en de auto. Hierna gaf de auto plankgas op de Aalbersestraat en op een gegeven moment remde hij en belandde in een slip. De grijze auto botste met de bijrijderskant tegen een geparkeerde auto aan. Getuige zag dat de bijrijder uitstapte en wegrende. Kort daarna stapte ook de bestuurder uit en rende weg. Getuige is naar beneden gerend om achter de jongens aan te rennen. Zij zag de bestuurder tussen twee huisblokken bellen en hoorde hem zeggen ‘pap, ik heb het verkloot’. De bestuurder riep toen dat de getuigen snitches waren en dat hij bij Defensie werkte en toch wel ontslagen ging worden.
Verbalisant [verbalisant 1] reed op 30 juni 2025 omstreeks 21:25 uur in een herkenbaar politievoertuig vanuit de Talmalaan de Kardinaal de Jongweg op en zag op de Aalbersestraat ter hoogte van huisnummer [nummer] een personenauto geparkeerd staan, omringd door ongeveer tien omstanders. Hij zag dat de omstanders naar hem zwaaiden en hij besloot ter plaatse te gaan. Hij hoorde een van de omstanders zeggen dat er een bijrijder was weggerend en dat de bestuurder ook was gevlucht. De auto met kenteken [kenteken] had schade aan de voorzijde. Getuige [getuige 2] gaf aan filmopnames te hebben gemaakt waarop de bestuurder te zien is terwijl hij uit de auto stapt. Verbalisant heeft deze beelden via WhatsApp ontvangen van de getuige en heeft die doorgestuurd naar [persoon] van de KMAR toen bleek dat het om een militaire verdachte ging. Op een gegeven moment herkende de verbalisant een persoon die naar hem toe kwam lopen als de persoon uit het filmpje. Deze persoon verklaarde dat hij de bijrijder was, maar kon zich desgevraagd niet identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Wel overhandigde hij een Defensiepas. De persoon bleek verdachte [verdachte] te zijn. Tijdens het bevragen van de verdachte in zijn diensttelefoon, hoorde de verbalisant hem praten met één van de omstanders en hoorde de verbalisant verdachte zeggen dat de aanrijding had plaatsgevonden omdat de bijrijder aan zijn stuur had getrokken. Verbalisant gaf hem de cautie en heeft de KMAR gebeld voor ondersteuning. Het viel de verbalisant direct op dat verdachte tekenen vertoonde van gebruik van verdovende middelen en alcohol. Zijn pupillen waren vernauwd en zijn adem rook naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. De KMAR kwam ter plaatse en zij hielden verdachte aan.
Verbalisanten van de KMAR kregen op 30 juni 2025 om 21:25 uur een melding over een verkeersongeval op de Aalbersestraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Utrecht, waarbij een militair dienstvoertuig (met kenteken [kenteken] ) betrokken zou zijn. Ter plaatse bleek dat zowel het militaire voertuig en het voertuig waar tegenaan was gereden schade hadden. De bestuurder stond bij het betreffende voertuig. Verbalisant vroeg aan de bestuurder waarom hij een militair voertuig in zijn bezit had en de bestuurder antwoordde dat hij een afspraak had gehad in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht. De bestuurder bleek verdachte [verdachte] te zijn. Om 22:04 uur is bij hem een voorlopig ademonderzoek afgenomen. Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie aan van A/G (alert/gebruik middelen). Ook is om 22:04 uur een speekseltest afgenomen, met als resultaat een indicatie voor de volgende stoffen: CO (cocaïne). Verdachte is om 22:12 uur aangehouden en er heeft bloedonderzoek plaatsgevonden.
Om 22:14 uur heeft verbalisant de meldkamer van de KMAR op de hoogte gesteld dat verdachte toestemming gaf voor bloedafname. Verdachte vroeg om 23:20 uur wat de exacte tijd van aanhouding was, welke vervolgens aan hem is meegedeeld, te weten 22:12 uur. Om 23:25 uur kwam de verpleegkundige aan en gaf verdachte wederom toestemming voor bloedafname. Echter vijf minuten later, om 23:30 uur, zei verdachte dat hij pas bloed wilde laten afnemen als hij eerst naar het toilet mocht en zijn vader en zijn advocaat mocht bellen. Verdachte mocht telefonisch contact opnemen met zijn advocaat, maar kreeg geen gehoor. Aan verdachte is meegedeeld dat hij na de bloedafname contact mocht opnemen met zijn vader. Verdachte gaf toen aan dat hij twijfelde of hij bloed wilde laten afnemen. Aan hem zijn de gevolgen van niet meewerken aan het bloedonderzoek uitgelegd en uiteindelijk is om 23:45 uur, met toestemming van verdachte, bloed afgenomen bij verdachte. De termijn van 90 minuten waarin de bloedafname moet plaatsvinden is met drie minuten overschreden. Om 01:20 uur hoorden verbalisanten verdachte meerdere keren zeggen dat zij anderhalf uur hebben voor de bloedafname en dat hij had gezien dat ze drie minuten te laat waren met het afnemen van bloed. Verdachte gaf aan dat hij hier kennis van had. De verbalisanten kregen daardoor het gevoel dat verdachte expres de termijn van anderhalf uur waarin de bloedafname moet plaatsvinden wilde overschrijden, mede gelet op het feit dat hij eerst toestemming gaf voor de bloedafname en vervolgens meerdere malen twijfelde om toestemming te geven, omdat hij eerst naar het toilet moest en eerst zijn vader en advocaat wilde spreken.
Het bloed van verdachte is onderzocht en uit het Eurofins-rapport alcohol en drugs in het verkeer van 29 juli 2025 blijkt dat de ethanolconcentratie (bloedalcoholgehalte) in het bloed 0,91 milligram per milliliter is.
Termijnoverschrijding bloedafname
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 eerste lid, tweede lid onderdeel b, derde lid onderdeel b of vijfde lid WVW1994, nu een of meer strikte waarborgen niet zijn nageleefd. Hierdoor mag het resultaat van het bloedonderzoek niet voor het bewijs worden gebruikt, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor de termijn waarbinnen bloed moet worden afgenomen met drie minuten is overschreden en dat die omstandigheden aan verdachte zijn te wijten. Aan het overschrijden van de termijn hoeven geen consequenties te worden verbonden.
De militaire kamer overweegt als volgt.
Niet ter discussie staat dat bij de bloedafname de termijn van 90 minuten met drie minuten is overschreden. Immers, de verdachte is aangehouden om 22:12 uur, waarmee het bloed had moeten worden afgenomen om uiterlijk 23:42 uur, echter het bloed is afgenomen om 23:45 uur.
Artikel 12 lid 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) bepaalt dat de bloedafname geschiedt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 (onderzoek psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties) of 8 (speekseltest) of, indien die vordering niet is gedaan, het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en verdachte dat aanleiding was om verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen afgeweken worden indien sprake is van bijzondere omstandigheden, aldus het Besluit.
De militaire kamer merkt allereerst op dat de in artikel 12 lid 3 Besluit opgenomen termijnstelling, gelet op Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2021:622, geen strikte waarborg is. Een onderzoek waarbij eerst na het verstrijken van het tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geeft geen onbetrouwbaar resultaat van de – voor de bewezenverklaring beslissende – op dat moment in het afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat het voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het verrichte onderzoek. Wel is het artikel van belang te voorkomen dat een verdachte wordt aangehouden en pas na lange tijd bloed bij hem wordt afgenomen, terwijl louter door het verstrijken van die tijd de concentratie van de werkzame van de stof weer onder de grenswaarde is gekomen. Dat is ongewenst omdat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd.
In de Nota van toelichting (Nota) op het Besluit is ter verduidelijking van het begrip “bijzondere omstandigheden” het volgende opgenomen:
“Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken ...., moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. (…) In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.”
De militaire kamer is van oordeel dat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid. De in het proces-verbaal genoemde redenen rechtvaardigen de termijnoverschrijding van drie minuten in deze zaak. Verdachte had om 22:14 uur reeds toestemming gegeven voor bloedafname. Vervolgens vroeg verdachte om 23:20 uur wat de exacte tijd van aanhouding was, welke vervolgens aan hem is meegedeeld. De verpleegkundige kwam aan om 23:25 uur en om 23:30 uur gaf verdachte plotseling aan dat hij eerst nog naar het toilet moest en zijn advocaat en ook nog zijn vader wilde bellen. Uiteindelijk is vanwege de wensen van verdachte pas om 23:45 uur bloed afgenomen bij verdachte. Opvallend is dat verdachte vervolgens om 01:20 uur aangaf dat bij hem drie minuten te laat bloed is afgenomen. Nu verdachte eerst vroeg naar het exacte tijdstip van aanhouding en na de bloedafname opmerkte dat de termijn met drie minuten is overschreven, sluit de militaire kamer niet uit dat verdachte met de verzoeken die hij naar voren bracht, zeer berekend is opgetreden. Dit klemt eens temeer nu verdachte tussen 22:14 uur en 23:25 uur (de aankomst van de verpleegkundige) ruimschoots te tijd had om naar de wc te gaan of zijn raadsman of vader te bellen. De militaire kamer is gelet op voorgaande van oordeel dat het aan verdachte te wijten is dat de termijn van 90 minuten is overschreden. De bescherming die artikel 12 lid 3 Besluit biedt om te voorkomen dat bestuurders onnodig worden vastgehouden, komt niet toe aan de verdachte. De militaire kamer is van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
Alternatief scenario
Verdachte heeft verklaard dat hij na de aanrijding in eerste instantie de plaats van het ongeval heeft verlaten omdat hij in de stress schoot. Even later is hij terug gegaan omdat hij wist dat hij niet weg had moeten gaan en toen was de politie al aanwezig. Verdachte heeft met de verbalisant gesproken en terwijl ze op de KMAR aan het wachten waren, is verdachte op een muurtje gaan zitten. Toen heeft hij uit een dopper die in zijn auto lag wodka gedronken. Verdachte heeft verklaard dat na ongeveer een uur de KMAR kwam en dat toen een blaastest en speekseltest werd afgenomen.
Verdachte heeft zowel bij de politie en KMAR ter plaatse als tijdens zijn verhoor niet verklaard over dat hij ná het ongeval alcoholhoudende drank zou hebben gedronken. Ook niet toen hem werd bevolen mee te werken aan een ademanalyse en hij daaraan vervolgens zijn medewerking heeft verleend. Vermelding van de ‘schrikborrel’ op die momenten zou veel meer in de rede hebben gelegen. Verdachte verklaarde ter terechtzitting voor het eerst over de ‘schrikborrel’. Hij gaf hierbij aan dat hij samen met de bijrijder in de auto zat, dat zij onderweg een fles wodka hebben gekocht en deze fles wodka eerlijk hebben verdeeld. Verdachte heeft de helft van de inhoud van de fles in zijn dopper gegoten en de andere helft in de fles was voor de bijrijder. Verdachte heeft op dat moment niet gedronken van de wodka. Toen hij vervolgens op een muurtje zat te wachten op de KMAR en het erg lang duurde, is hij naar de auto toegelopen en heeft daar de dopper met wodka uit de auto gehaald. Terug op het muurtje heeft hij de dopper met wodka leeggedronken. De militaire kamer acht het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk geworden. In het dossier zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Wel komt uit het dossier naar voren dat de verbalisant die het eerst ter plaatse was en verdachte sprak toen deze kwam teruggelopen, heeft waargenomen dat verdachte vernauwde pupillen had en reeds naar alcohol rook, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij die avond (voorafgaand aan het ongeval) géén alcohol had genuttigd. Daarnaast kan vastgesteld worden dat verdachte, hoewel daar alle aanleiding voor zou zijn geweest, want hij moest gaan blazen, aanvankelijk geen melding heeft gemaakt van enig drankgebruik na het ongeval. De militaire kamer passeert daarom dit verweer.
Conclusie
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de militaire kamer het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-309475-25:
feit 1:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak voor feit 1 bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij die nacht degene is geweest die een wapen voorhanden heeft gehad en stelt dat de waarnemingen van de politie op dat punt onjuist zijn geweest.
Beoordeling door de militaire kamer
Op 19 juli 2025 kregen verbalisanten een melding dat verdachte op het [adres] in Zeewolde een revolver bij zich had in een heuptasje. Eenmaal ter plaatse voldeed verdachte aan het signalement. Hij stond in een groep van ongeveer twintig personen. De verbalisanten zijn hem gevolgd en toen zij verdachte wilden aanspreken rende hij weg en tijdens zijn vlucht gooide hij iets weg. De verbalisant hoorde een plastic en metaal geluid en zag een donkerkleurig voorwerp over de grond schuiven in de richting van een boom. Dat voorwerp bleek een zwartkleurige revolver te zijn.
Getuige [getuige 3] is de melder en was die avond in [cafe] met een vriend van hem. Omstreeks 02:45 uur kwam verdachte voor de tweede keer binnen met een fles Bacardi in zijn hand. Hij liep naar getuige toe en gaf aan ruzie te hebben met personen en zei ‘als ze nu nog een keertje komen dan ben ik in ieder geval goed voorbereid’. Hij opende een tasje dat hij bij zich had en haalde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn, het voorwerp leek op een revolver. Hij klapte het draai mechanisme van het vuurwerp half open en getuige zag dat er kogels in het wapen zaten.
Op de camerabeelden van [cafe] is te zien dat verdachte een fles Bacardi in zijn hand had en zijn schoudertas opende richting de vermoedelijke getuige. Hij pakte iets uit zijn tasje om het te laten zien en vervolgens stopte hij het voorwerp weer terug, omdat er een medewerker aan kwam. Even later pakte hij het voorwerp weer uit zijn tasje en liet dit aan de vermoedelijke getuige zien. Hij stopt het voorwerp weer terug in zijn tasje en deed zijn linkerarm omhoog en maakte een schietbeweging. Daarna maakte hij zowel met zijn linkerarm als met zijn rechterarm schietbewegingen.
Het wapen dat is gevonden bleek een zowel single als double action gasrevolver te zijn. Het wapen is onderzocht en valt onder een vuurwapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 1e van de Wet Wapens en Munitie.
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de militaire kamer van oordeel dat verdachte degene is geweest die de revolver bij zich heeft gedragen en heeft weggegooid tijdens zijn vlucht. De verbalisanten hebben hem gevolgd en hebben gehoord en gezien dat hij een voorwerp weggooide. De verbalisanten hebben de verdachte steeds in beeld gehad. Een van de verbalisanten is naar het voorwerp gelopen en zag dat het een revolver betrof. Daar komt bij dat getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte kort daarvoor het wapen aan hem heeft laten zien in [cafe] , hetgeen wordt ondersteund door de camerabeelden.
Conclusie
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de militaire kamer het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-17 (met fotobijlagen, p. 18-35);
-
het rapport van het Douane Laboratorium d.d. 14 oktober 2025, p. 128-129;
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
feit 3:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-17 (met fotobijlagen, p. 18-35);
-
het proces-verbaal herkennen en beschrijven van (vuur)wapens en munitie, p. 91-101 (met fotobijlagen, p. 109-113);
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
feit 4:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-17 (met fotobijlagen, p. 18-35);
-
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2025, p. 5-7 aanvullend procesdossier;
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
feit 5:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-17 (met fotobijlagen, p. 18-35);
-
het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 86-90;
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2026.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
05-309513-25
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Zeewolde op of aan de Torenstraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee personen, te weten [aangever 1] en/of [aangever 2] ,
welk in vereniging gepleegde geweld tegen die [aangever 1] bestond uit
het meermalen trappen tegen het linkerbeen,
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen het hoofd en/of gezicht,
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen (overige delen van) het lichaam
het eenmaal trappen tegen het lichaam, terwijl die [aangever 1] op de grond lag
en/of
welk in vereniging gepleegde geweld tegen die [aangever 2] bestond uit
het meermalen (met gebalde vuist) slaan tegen het hoofd en/of de schouders
het meermalen trappen tegen het lichaam,
het met kracht vasthouden en/of trekken aan de haren en/of
het meermalen (met gebalde vuist) tegen het hoofd slaan, terwijl die [aangever 2] bij de haren werd vastgehouden;
05-309503-25
hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Zeewolde [aangever 3] heeft mishandeld, door meermalen,
althans eenmaal, pepperspray, althans een stof, die een irriterende en/of prikkelende en/of brandende, in ieder geval een schadelijke, uitwerking heeft op de slijmvliezen en/of de ogen en/of de mond en/of de huid en/of de ademhaling, in de ogen en/of het gezicht en/of in de richting van die [aangever 3] heeft gespoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Zeewolde [aangever 4] heeft mishandeld, door voornoemd
persoon tegen het hoofd en/of oor te slaan;
05-309450-25
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,91 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
05-309475-25
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde een wapen van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een, een gasrevolver merk Arminius type HW 37 kaliber 9mm heeft gedragen en/of voorhanden heeft gehad;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 2-mmc (2-methylmethcathinon) een preparaat van 2-fenethylamine aanwezig heeft gehad;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde munitie van categorie III van de Wet wapens en
munitie, te weten 2 kogelpatronen, merk Men van het kaliber 5.56x45 mm (ook wel genaamd 5.56 NATO) en/of 4 knalpatronen merk Geco kaliber 9 mm RB, voorhanden heeft gehad;
hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 19 juli 2025 te Zeewolde opzettelijk een rijbewijs en/of een toegangspas van PostNL, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] e/v [aangever 6] en/of [aangever 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Zeewolde aanwezig heeft gehad ongeveer 6,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
05-309513-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd
05-309503-25
feit 1:
mishandeling
feit 2:
mishandeling
05-309450-25
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,5 milligram)
05-309475-25
feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10b, tweede lid, van de Opiumwet
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie
feit 4:
verduistering, meermalen gepleegd
feit 5:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand wordt opgelegd met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een taakstraf van 240 uren.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft in korte tijd een groot aantal strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan verboden bezit van wapens en munitie, verboden bezit van verdovende middelen, meerdere mishandelingen, openlijke geweldpleging en het rijden onder invloed van alcohol.
Dergelijke feiten maken ernstig inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn.
Het geweld dat zich heeft voorgedaan leidt niet alleen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de aangevers, maar ook bij omstanders. Daarnaast zorgt het ook voor gevoelens van onrust in de samenleving. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij ervoor gezorgd dat er meermaals nodeloos geweld is geweest, waardoor het plezier van het uitgaanspubliek is aangetast. De militaire kamer neemt dit verdachte extra kwalijk, omdat hij een militair is. Militairen worden getraind in het (gepast) gebruik van geweld en treden zo nodig de-escalerend op. Verdachte is daarentegen de aanstichter geweest van de openlijke geweldpleging en dat rekent de militaire kamer hem zwaar aan, zonder overigens afbreuk te doen aan de ernst van de overige feiten.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 13 augustus 2026 blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
De reclassering heeft op 15 september 2026 gerapporteerd dat bij verdachte binnen korte tijd sprake is van criminele diversiteit. Er kan niet gesproken worden van een delictpatroon nu er geen eerdere veroordelingen zijn van soortgelijke feiten. Er zijn problemen geconstateerd op de leefgebieden ‘dagbesteding’ en ‘middelengebruik’ ten tijde van de ten laste gelegde feiten, hetgeen als delictgerelateerd wordt gezien. Verdachte is in 2025 geschorst van zijn werkzaamheden bij de Koninklijke Landmacht naar aanleiding van één van de verdenkingen. Verdacht zegt op dit moment geen verdovende middelen of alcohol te gebruiken. Hij heeft zichzelf aangemeld voor een traumabehandeling en heeft afstand gedaan van zijn pro-criminele netwerk, hetgeen de reclassering als beschermende factoren ziet. Desondanks lijken de gedragsveranderingen precair waardoor reclasseringsbemoeienis wenselijk wordt geacht om het recidiverisico laag te houden. De reclassering schat in dat verdachte responsief genoeg is om zich te conformeren aan eventuele bijzondere voorwaarden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, contactverbod, dagbesteding en beheersing middelengebruik.
De straf
De militaire kamer acht alles afwegende een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel zal de militaire kamer een proeftijd van drie jaren verbinden met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten; meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik. Met dien verstande dat de militaire kamer geen aanleiding ziet voor het opleggen van een contactverbod. Voorts zal de militaire kamer verdachte veroordelen tot het verrichten van een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Zulks met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel van de straf valt daarmee hoger uit dan de eis van de officier van justitie. De militaire kamer heeft de ernst van de feiten zwaarder laten wegen en acht een grotere stok achter deur noodzakelijk.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
-
9, 14 a, 14b, 14c, 57, 141, 300 en 321 van het Wetboek van Strafrecht;
-
8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;
-
2 a, 3, 10b en 11 van de Opiumwet;
-
26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9De beslissing
De meervoudige militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering op het adres de Meent 2 te Lelystad;
verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs, rechters, en Kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2026.
mr. M. Hoedeman en mr. C.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Veluwe, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2 7NV/25 -001901, gesloten op 19 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 5-8 (met fotobijlage op p. 10).
Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , p. 12-14 (met fotobijlage op p. 15).
Medische informatie ziekenhuis st. Jansdal d.d. 9 februari 2025, p. 32 ev.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-18.
Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 18 juni 2025, p. 16 ev. (aanvullend procesdossier)
Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 18 februari 2025, p. 21 ev. (aanvullend procesdossier)
Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 september 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Veluwe, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27NV/25-002767, gesloten op 23 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Utrecht, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WU/25-002889, gesloten op 17 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 48-49.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55 (met fotobijlagen op p. 57-63).
Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 3-9.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-23, proces-verbaal van bevindingen, p. 24-25.
Eurofins-rapport Alcohol en drugs in het verkeer d.d. 29 juli 2025, p. 64-66.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 september 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Veluwe, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27NV/25-002879, gesloten op 1 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 5-7 .
Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52-53.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55.
Proces-verbaal herkennen en beschrijven van (vuur)wapens en munitie, p. 91-95.