Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
C/03/356260 / FA RK 26-2293Zaaknummer: C/03/356260 / FA RK 26-2293
Beschikking van 23 oktober 2026 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak van:
[de moeder]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag,
tegen:
[de vader]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. I. Heijselaar in Amsterdam.
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [plaats 2] op [geboortedag] 2024.
1Het verloop van de procedure
1.1
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift van de moeder met producties 1 t/m 11, ontvangen op 18 september 2026;
het verweerschrift van de vader met zelfstandige verzoeken en producties I t/m VI, ontvangen op 7 oktober 2026;
een akte wijziging verzoeken van de moeder met producties 12 en 13, ontvangen op 8 oktober 2026;
productie 14 t/m 16 van de moeder, ontvangen op 8 oktober 2026;
de pleitnotitie van de moeder, overgelegd en voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling (zitting);
de pleitnotitie van de vader, overgelegd en voorgedragen tijdens de zitting;
de zitting met gesloten deuren, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2026 en waarbij zijn verschenen:
o de moeder met haar advocaat, bijgestaan door een tolk Engels;
o de vader met zijn advocaat;
o een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad.
2De vaststaande feiten
2.1
De moeder is burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2
Partijen hebben een relatie gehad.
2.3
Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [plaats 2] .
2.4
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige]. Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen over [minderjarige] samen moeten nemen. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.5
De ouders en [minderjarige] woonden samen in [plaats 2] . De moeder is eind juli 2026 met [minderjarige] naar [plaats 1] verhuisd.
2.6
De moeder heeft op 29 juli 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de
rechtbank [plaats 2] (zaaknummer C/13/79 I829 / 26-6025) waarin de moeder verzoekt om haar (vervangende) toestemming te verlenen om met
[minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen.
2.7
De vader is in augustus 2026 een kortgedingprocedure bij deze rechtbank gestart. In die procedure heeft de vader gevorderd dat de moeder met [minderjarige] terugverhuisd naar [plaats 2] , alsmede een tijdelijke zorgregeling te bepalen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vordering tot terugverhuizing bij vonnis van 3 september 2026 afgewezen. Verder heeft de voorzieningenrechter het volgende beslist:
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig, totdat in de tussen de ouders aanhangige bodemprocedure anders is beslist of door de ouders andere afspraken zijn gemaakt, met ingang van 3 september als volgt bij de vader zal verblijven:
o drie achtereenvolgende weken op zaterdag van 10:30 uur tot 17:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] brengt naar de vader (10.30 uur bij de vader zijn) en na afloop weer ophaalt bij de vader (17:00 uur), en waarbij het eerste contactmoment zal plaatsvinden op zaterdag 12 september 2026;
o vervolgens aansluitend vier opeenvolgende weken van zaterdag 10.30 uur tot zondag 12.00 uur. waarbij moeder [minderjarige] brengt naar de vader (10.30 uur bij de vader zijn) en de vader [minderjarige] na afloop terugbrengt naar de moeder (12.00 uur bij de moeder zijn);
o vervolgens afwisselend de ene week van vrijdag 10.30 uur tot zaterdag 18.00 uur en de andere week van zaterdag 10.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij moeder [minderjarige] brengt naar de vader (10.30 uur bij de vader zijn) en de vader [minderjarige] na afloop terugbrengt naar de moeder (1 8.00 uur bij de moeder zijn);
bepaalt dat, totdat in de tussen de ouders aanhangige bodemprocedure anders is beslist of door de ouders andere afspraken zijn gemaakt, [minderjarige] en de vader iedere woensdag videobelcontact hebben met elkaar op een in onderling overleg af te spreken tijdstip.
3De verzoeken
3.1
De moeder wil op (zaken)reis naar Hong Kong (China). De moeder wil [minderjarige] meenemen op deze reis. De moeder verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vader te veroordelen om onmiddellijk het formulier Consent form for travelling abroad with a minor gedateerd op 5 oktober 2026 mede te ondertekenen en de moeder ter hand te stellen, althans per e-mail toe te zenden, onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast verzoekt de moeder om de vader in de proceskosten en kosten van betekening te veroordelen.
De moeder heeft haar overige verzoeken om 1) toestemming te verlenen om met [minderjarige] van 18 november 2026 t/m 25 november 2026 naar Hong Kong (China), te reizen en 2) toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen voor zaken en vakanties, op de zitting ingetrokken.
3.2
De vader wil informatie over [minderjarige] van de moeder. De vader verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de informatie genoemd onder punt 40 t/m 42 van het verweerschrift van de vader voorafgaand aan de zitting van 9 oktober 2026 om 12:00 uur in het geding te brengen, onder verbeurte van een dwangsom. Het gaat om informatie over de ziekenhuisopname van [minderjarige] van 4 tot 5 oktober 2026 in Mönchengladbach (Duitsland), het diagnoserapport van het ziekenhuis hierover en het vaccinatieboekje van [minderjarige]. Daarnaast verzoekt de vader om de moeder in de proceskosten te veroordelen, te verhogen met de wettelijke rente en de nakosten.
4Het oordeel van de rechtbank
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Omdat de moeder niet de Nederlandse nationaliteit heeft draagt deze zaak een internationaal karakter en dient de rechtbank de regels van het internationale privaatrecht toe te passen. Daarom moet de rechtbank, voordat zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken, eerst de rechtsmacht en het toepasselijk recht bepalen.
4.2
De rechtbank is bevoegd om te beslissen op de verzoeken van de ouders omdat op het tijdstip van de verzoeken [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de moeder, bij wie [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft, haar woonplaats in het arrondissement van de rechtbank Limburg heeft, is deze rechtbank bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen. Op de verzoeken is Nederlands recht, als het interne recht, van toepassing.
Het verzoek van de moeder wordt afgewezen
4.3
De rechtbank zal het verzoek van de moeder over het formulier voor de reis naar Hong Kong met [minderjarige] afwijzen. De door de moeder voorgenomen reis doorkruist de geldende zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader omdat de reis ook in het weekend plaatsvindt. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Het belang van [minderjarige] en de vader bij nakoming van de zorgregeling weegt zwaarder dan het belang van de moeder om met [minderjarige] op (zaken)reis te gaan. Vooral omdat de zorgregeling pas recent, met ingang van 12 september 2026, is vastgesteld en net is uitgebreid met een overnachting. In deze fase van opbouw van de zorgregeling, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] (nog geen twee jaar) is het niet wenselijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] voor zo’n lange periode doorbroken wordt en staat continuïteit van de zorgregeling voorop. Hierbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat de moeder geen compensatie heeft aangeboden voor de tijd die [minderjarige] en de vader, als gevolg van de reis, zouden missen.
4.4
Voorgaande betekent niet dat de moeder nooit met [minderjarige] op (zaken)reis kan. De door de vader aangevoerde argumenten dat [minderjarige] in geen geval met zo’n reis mee kan, bijvoorbeeld omdat dit voor haar belastend is en omdat zij nog niet is ingeënt, overtuigen niet. Beide ouders werken internationaal. Zij zijn tijdens hun relatie meerdere keren samen met [minderjarige] op (zaken)reis geweest, ondanks eventuele gezondheidsrisico’s. De ouders hebben bewust voor dit leven gekozen. De rechtbank vindt niet dat nu van (een van) de ouders verwacht kan worden dat zij hun leven omgooien. In dit kader heeft de vader op de zitting ook naar voren gebracht dat hij het werk van de moeder niet in de weg wil staan. De rechtbank geeft de moeder in overweging om haar (zaken)reizen voortaan buiten de omgangsmomenten met de vader te plannen, voorafgaand goed met de vader af te stemmen en/of zo nodig zonder [minderjarige] te reizen waarbij de vader haar kan opvangen.
Het verzoek van de vader wordt afgewezen
4.5
De rechtbank zal het verzoek van de vader om informatie van het ziekenhuis en het vaccinatieboekje afwijzen. De moeder heeft de rechtbank en de vader op de zitting over de ziekenhuisopname geïnformeerd. Ook heeft zij zich geëxcuseerd voor de wijze waarop dit is gegaan en heeft zij toegezegd de vader in het vervolg meteen en volledig te informeren. De rechtbank vindt dat de vader hiermee geen belang meer heeft bij dit deel van zijn verzoek. Verder stelt de rechtbank vast dat geen vaccinatieboekje aanwezig is, omdat [minderjarige] (nog) niet is gevaccineerd. De moeder kan dus ook geen (informatie over een) vaccinatieboekje verstrekken. Desgevraagd hebben beide partijen op de zitting aangegeven dat zij ermee instemmen dat [minderjarige] het Rijksvaccinatieprogramma zal doorlopen. De moeder is hierover al in gesprek met de kinderarts.
De proceskosten
4.6
Gelet op de relatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit is gebruikelijk in procedures met een familierechtelijk karakter en de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. Bovendien worden de verzoeken van beide partijen afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
wijst de verzoeken van partijen af;
5.2
bepaalt dat partijen hun ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.A.H. Verhoeven, griffier, op 23 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 7 Brussel II-ter.
Artikel 1:12 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.