RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12132193 \ UC EXPL 26-2083
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[geopposeerde] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
oorspronkelijk eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
procederend zonder gemachtigde,
tegen
1 [opposant sub 1] ,
wonende in [plaats 2] ,2. [opposante sub 2],
wonende in [plaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna samen te noemen: [opposant sub 1] en [opposante sub 2] ,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de (oorspronkelijke) dagvaarding van 2 december 2025,
-
het verstekvonnis van 21 januari 2026, - de verzetdagvaarding van 27 februari 2026, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
-
het bericht van 30 september 2026 met producties van [geopposeerde] ,- de mondelinge behandeling van 30 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[geopposeerde] heeft met [opposant sub 1] en [opposante sub 2] een huurovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd voor de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] vanaf 1 november 2024. In deze zaak gaat het om de vraag of [opposant sub 1] en [opposante sub 2] de huurovereenkomst hebben opgezegd. Volgens [geopposeerde] blijkt dat uit een handgeschreven opzegbrief. [opposant sub 1] en [opposante sub 2] betwisten dat zij de huurovereenkomst hebben opgezegd. Partijen mogen zich uitlaten over het voornemen van de kantonrechter om een handschriftdeskundige te benoemen.
3De beoordeling
[opposant sub 1] en [opposante sub 2] zijn ontvankelijk in het verzet
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat het verzet van [opposant sub 1] en [opposante sub 2] tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat zij daarin ontvankelijk zijn. Dit betekent dat de kantonrechter de oorspronkelijke vordering opnieuw zal beoordelen, waarbij de verzetdagvaarding wordt aangemerkt als de conclusie van antwoord. De kantonrechter kan bij eindbeslissing het verstekvonnis vernietigen.
Hebben [opposant sub 1] en [opposante sub 2] de huurovereenkomst opgezegd?
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geopposeerde] , op verzoek van de kantonrechter, toegelicht dat zij zich primair op het standpunt stelt dat de huurovereenkomst door opzegging per 1 november 2025 is geëindigd en dat de woning daarom door [opposant sub 1] en [opposante sub 2] moet worden ontruimd. Het subsidiaire standpunt is dat de huurovereenkomst moet worden ontbonden. De kantonrechter zal als eerste de primaire vordering beoordelen.
3.3.
[geopposeerde] onderbouwt haar stelling, dat [opposant sub 1] en [opposante sub 2] de huurovereenkomst hebben opgezegd, met een handgeschreven brief van 15 september 2025 (hierna: de opzegbrief):
(* MET VERKEERD GESCHREVEN VOORNAAM VAN OPPOSANT SUB 1)
3.4.
[geopposeerde] stelt dat zij deze brief op 19 september 2025 per e-mail van de heer [A] heeft ontvangen. [A] is de tussenpersoon die heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de huurovereenkomst en die aanwezig is geweest bij de oplevering van de woning bij de aanvang van de huurovereenkomst. Volgens [geopposeerde] is [A] nog steeds de contactpersoon en het aanspreekpunt van [opposant sub 1] en [opposante sub 2] , maar dat staat niet vast, want dat wordt door [opposant sub 1] en [opposante sub 2] betwist en is door [geopposeerde] niet verder onderbouwd.
3.5.
[opposant sub 1] en [opposante sub 2] betwisten dat zij de huurovereenkomst hebben opgezegd. Zij voeren aan dat zij de opzegbrief niet hebben geschreven en verstuurd. Zij hebben onweersproken aangevoerd dat zij op 12 augustus 2025 hebben geïnformeerd naar voortzetting van de huurovereenkomst en dat zij na 15 september 2025 herhaaldelijk hebben aangegeven dat zij de opzegbrief niet hebben verstuurd. Zo hebben zij direct na de bevestiging van de opzegging door [geopposeerde] op 20 september 2025 verbaasd gereageerd en aangegeven dat er sprake moet zijn van een misverstand. Verder waren [opposant sub 1] en [opposante sub 2] bezig met een beroep op huurprijsbescherming, wat volgens hen niet strookt met een opzegging van de huurovereenkomst. Ook voeren [opposant sub 1] en [opposante sub 2] aan dat de voornaam van [opposant sub 1] verkeerd is gespeld, net als in de huurovereenkomst die [geopposeerde] heeft opgesteld (er staat [verkeerd geschreven voornaam van opposant sub 1] en het is [voornaam van opposant sub 1] ). Verder is de brief niet ondertekend en wijkt de toon en stijl af van hoe [opposant sub 1] en [opposante sub 2] doorgaans corresponderen, omdat zij naar eigen zeggen nooit eerder handgeschreven hebben gecommuniceerd, maar altijd hun berichten via e-mail en niet per post stuurden. Daarnaast is het volgens [opposant sub 1] en [opposante sub 2] vreemd dat [A] de brief zou hebben doorgestuurd en dat [A] in een bericht aan [opposant sub 1] en [opposante sub 2] schrijft dat hij heeft vernomen dat de opzegging rechtstreeks aan [geopposeerde] is gericht.
3.6.
Op grond van de wet is het aan [geopposeerde] om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat [opposant sub 1] en [opposante sub 2] de huurovereenkomst hebben opgezegd. Op dit moment heeft [geopposeerde] voldoende gesteld dat er is opgezegd, maar [opposant sub 1] en [opposante sub 2] hebben die stelling voldoende gemotiveerd betwist.
Er zal een deskundigenonderzoek worden bevolen
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat een onderzoek door een deskundige nodig is om een eindbeslissing te kunnen nemen in deze zaak en beveelt een deskundigenonderzoek. Partijen krijgen de gelegenheid om zich daarover uit te laten.
3.8.
De deskundige moet onderzoeken of de opzegbrief door [opposant sub 1] of [opposante sub 2] is geschreven. Als dat in het onderzoek bevestigd wordt, dan komt vast te staan dat [opposant sub 1] en [opposante sub 2] de huur hebben opgezegd en zal het primair gevorderde worden toegewezen. Als uit het onderzoek blijkt dat [opposant sub 1] of [opposante sub 2] de brief niet hebben geschreven, dan zal het primair gevorderde worden afgewezen. De kantonrechter moet in dat geval nog wel op de subsidiaire vordering beslissen. Ook op de andere vorderingen van [geopposeerde] kan de kantonrechter pas beslissen als het deskundigenonderzoek is afgerond.
3.9.
Op grond van de wet zijn partijen verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Indien en voor zover de deskundige dit nodig vindt om de opdracht te kunnen volbrengen, kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan het ter beschikking stellen van de originele opzegbrief door [geopposeerde] aan de deskundige en het ter beschikking stellen van nadere handgeschreven teksten op de door de deskundige verzochte wijze door [opposant sub 1] en [opposante sub 2] . Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de kantonrechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
Punten waaronder partijen zich kunnen uitlaten
3.10.
De kantonrechter zal de zaak aanhouden zodat partijen een akte kunnen nemen, waarin zij op het voornemen van de kantonrechter reageren. Meer specifiek krijgen partijen de mogelijkheid om zich over de volgende punten uit te laten:
-
de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
-
welke vragen aan de deskundige moeten worden gesteld;
-
hoeveel deskundigen er moeten worden benoemd; en
-
welke soort deskundigheid vereist is.
3.11.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van handgeschreven teksten (handschriftonderzoek) en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
-
Kunt u vaststellen of, en zo ja in welke mate van zekerheid, de handgeschreven tekst op de brief van 15 september 2025 overeen komt met het handschrift van [opposant sub 1] ?
-
Kunt u vaststellen of, en zo ja in welke mate van zekerheid, de handgeschreven tekst op de brief van 15 september 2025 overeen komt met het handschrift van [opposante sub 2] ?
-
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.12.
Voor zover partijen reden zien om in hun akte te verzoeken om de benoeming van een specifieke deskundige, vraagt de kantonrechter hen dit alleen te doen als over de benoeming van die deskundige tussen partijen overeenstemming bestaat.
[geopposeerde] moet het voorschot van de deskundige betalen
3.13.
Het wettelijke uitgangspunt is dat de (oorspronkelijk) eisende partij de kosten van een deskundigenonderzoek moet voorschieten. De kantonrechter ziet in dit geval geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Temeer omdat ook de bewijslast bij [geopposeerde] ligt. [geopposeerde] zal daarom het voorschot moeten betalen. De hoogte van het voorschot zal na overleg met de te benoemen deskundige door de kantonrechter op een later moment worden vastgesteld.
3.14.
Bij eindvonnis zal worden bepaald voor wiens rekening de definitieve kosten uiteindelijk zullen komen. In beginsel is dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld.
3.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 21 oktober 2026 en bepaalt dat partijen zich tot die datum via een akte kunnen uitlaten zoals bedoeld in 3.10 tot en met 3.12,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
64510
Artikel 150 Rv.
Artikel 186 lid 1 en lid 2 Rv.
Artikel 190 lid 3 Rv.
Zie productie 4 van de oorspronkelijke dagvaarding, productie 13 bij de verzetdagvaarding.
Artikel 187 Rv.