RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/617331 / KG ZA 26-551
Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] handelend onder de naam [handelsnaam 1]
kantoorhoudend te [plaats 1] ,2. [eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,3. de vennootschap onder firma [eiseres sub 3] V.O.F.,
kantoorhoudend te [plaats 3] ,4. [eiseres sub 4] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,5. [eiser sub 5] handelend onder de naam [handelsnaam 2],
kantoorhoudend te [plaats 4] ,6. de vennootschap onder firma [eiseres sub 6] V.O.F.,
kantoorhoudend te [plaats 1] ,7. de vennootschap onder firma [eiseres sub 7] V.O.F.,
kantoorhoudend te [plaats 5] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de coffeeshops en afzonderlijk: [eiser sub 1] dan wel [handelsnaam 1] , [eiseres sub 2] B.V. , [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] B.V., [eiser sub 5] dan wel [handelsnaam 2] , [eiseres sub 6] en [eiseres sub 7] ,
advocaat: mr. E.M. van Gelderen te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Belgisch recht
WORLDLINE N.V. / S.A.,
gevestigd te Brussel (België) en kantoorhoudend te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Worldline,
advocaten: mr. J.R.D. den Hertog en mr. E.J. van Praag te Amsterdam.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 22 september 2026 met producties 1 tot en met 24 en A, B en C
-
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13
-
de door de coffeeshops op 2 oktober 2026 ingediende producties 25 tot en met 29.
1.2
Op de mondelinge behandeling van 5 oktober 2026 zijn namens eiser verschenen: de heer [eiser sub 5] (t.h.o.d.n. [handelsnaam 2] en bedrijfsleider van [eiseres sub 4] B.V.), mevrouw [A] ( [functie 1] bij de Bond van Cannabis Detaillisten, hierna: BCD), de heer [B] ( [functie 1] bij BCD), de heer [C] (coffeeshophouder en verbonden aan BCD) en mr. Van Gelderen. Namens gedaagden zijn verschenen: de heer [D] ( [functie 2] van Worldline), mr. Van Praag en mr. Den Hertog. De zittingsgriffier heeft aantekeningen gemaakt en zowel door de advocaten van coffeeshops als door de advocaten van Worldline zijn spreekaantekeningen voorgedragen. Afschrift van die spreekaantekeningen is toegevoegd aan het procesdossier. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat op 19 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
Eisers zijn zeven coffeeshopexploitanten. Zij hebben de Belgische betaalinstelling Worldline ingeschakeld om pinbetalingen van klanten in hun coffeeshops te faciliteren. Vanaf eind mei 2026 weigeren de pinautomaten van Worldline in de coffeeshops betaalkaarten die door Amerikaanse banken zijn uitgegeven.
2.2
In deze procedure vorderen de coffeeshops veroordeling van Worldline om de dienstverlening voort te zetten volgens de met (ieder van) hen overeengekomen voorwaarden tot de bodemrechter onherroepelijk eindvonnis heeft gewezen of een minnelijke regeling is bereikt. Voor de coffeeshops is met name belangrijk dat Worldline klantbetalingen met Amerikaanse betaalkaarten weer faciliteert. Deze vorderingen zullen grotendeels worden toegewezen.
3De verdere achtergrond van het geschil
3.1
Worldline heeft eind november 2025 aangekondigd de contractuele relatie te gaan beëindigen, kort gezegd omdat coffeeshops niet langer zijn te verenigen met haar risk-apetite en omdat zij vreest voor reputatieschade. Later heeft zij als aanvullende reden aangevoerd dat de zogenoemde acquiring bankvan Worldline haar had meegedeeld dat zij de dienstverlening aan Worldline beëindigt, als zij de geldstromen van Nederlandse coffeeshops niet per direct bij haar weghaalt.
3.2
De coffeeshops hebben die opzegging aangevochten in een kort geding bij deze rechtbank. Die procedure is geëindigd met een vonnis van 6 maart 2026 waarin de voorzieningenrechter Worldline heeft verboden om de overeenkomsten met de coffeeshops op deze grond te beëindigen, totdat er hierover een einduitspraak van de bodemrechter is, of een definitieve minnelijke regeling.
3.3
Worldline heeft na die uitspraak de dienstverlening hervat, maar heeft aangegeven dat zij nog steeds wil dat de coffeeshops overstappen naar een andere betaaldienstverlener. Vanaf mei 2026 heeft zij de maatregelen getroffen waar de coffeeshops in deze procedure tegen opkomen.
4De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
4.1
Worldline is statutair gevestigd in België. Daarom moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft (bevoegd is) en welk rechtsstelsel op het geschil van toepassing is.
4.2
De Nederlandse rechter is bevoegd. Worldline is in deze procedure voor de Nederlandse rechter als gedaagde verschenen zonder de rechtsmacht te betwisten. In dat geval heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 26 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012.
4.3
Op het geschil is Nederlands recht van toepassing omdat in de overeenkomsten tussen partijen een rechtskeuze is gemaakt voor Nederlands recht.
Het toetsingskader in kort geding
4.4
Om met succes een vordering in kort geding te kunnen instellen, moeten de coffeeshops een spoedeisend belang hebben. Inhoudelijk moet in een kort gedingprocedure als deze worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is om op die beslissing van de bodemrechter voorruit te lopen en de gevraagde voorlopige voorzieningen nu al toe te wijzen. Daarnaast moet de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen tegen elkaar afwegen.
De vorderingen zijn voldoende spoedeisend voor kort geding
4.5
De coffeeshops hebben een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Zij stellen dat Worldline zonder rechtsgrond weigert om bepaalde klantbetalingen te verwerken. Als dat zo is, is hun belang om daartegen in rechte op te kunnen komen voldoende spoedeisend, te meer omdat Worldline al vanaf mei 2026 pinbetalingen met Amerikaanse betaalkaarten weigert.
Worldline mag haar dienstverlening niet op deze manier beperken
4.6
In het eerdere kort gedingvonnis is kort gezegd geoordeeld dat Worldline op zichzelf contractueel bevoegd was om dat overeenkomsten te beëindigen, maar dat dit onder deze omstandigheden onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarbij is onder meer overwogen:
dat het vaste rechtspraak is dat banken, maar ook betaalinstellingen als Worldline, coffeeshops niet categoriaal, zonder te kijken naar de individuele risico’s, mogen uitsluiten,
dat categoriale uitsluiting ook niet is toegestaan als die is ingegeven door het ultimatum van de acquiring bank van Worldline;
dat pindiensten essentieel zijn voor de ondernemingen van de coffeeshops, bijvoorbeeld omdat 80% van de klantbetalingen worden gepind;
dat het vooralsnog niet mogelijk lijkt voor de coffeeshops om naar een andere aanbieder van pindiensten over te stappen;
dat de coffeeshops in de problemen komen met hun eigen banken als er te veel met contant geld wordt betaald, vanwege het door de banken gehanteerde integriteits- en risicobeleid; en
dat onvoldoende aannemelijk is dat Worldline niet bij een andere acquiring bank terecht kan.
Dit vonnis is het uitgangspunt voor de beoordeling van de vorderingen van de coffeeshops in deze zaak.
De redenen voor Worldline om pinbetalingen met bankpassen van een bank in de Verenigde Staten (VS) zijn:
Worldline heeft ten eerste aangevoerd dat het bij vrijwel alle geweigerde transacties zal gaan om cannabisaankopen van niet-ingezetenen van Nederland. Cannabisverkoop wordt in Nederland weliswaar gedoogd, maar alleen als de koper een ingezetene van Nederland is (dit criterium hierna: het ingezetenencriterium of: het i-criterium). Worldline betoogt dat de coffeeshops niet – en zeker niet in rechte – kunnen afdwingen dat zij betalingen van deze verboden verkopen faciliteert.
Worldline heeft daarnaast aangevoerd dat haar acquiring bank voor de verwerking van de pinbetalingen zelf ook weer gebruik maakt van andere banken. Het zijn met name die banken, die in de Verenigde Staten gevestigd zijn, die van Worldline zouden eisen dat zij stopt met het faciliteren van klantbetalingen met Amerikaanse betaalkaarten aan de coffeeshops.
- Worldline heeft ten slotte aangevoerd dat haar huidige acquiring bank, bank 2, eist dat zij vergaande verklaringen tekent, wat zij problematisch vindt als het gaat om coffeeshops en dat zij weinig alternatieven heeft voor bank 2.
4.7
Het is voldoende aannemelijk dat deze redenen de weigering van Worldline niet kunnen dragen, zodat deze onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is.
4.8
Bij dit oordeel is in eerste plaats van belang dat deze rechtbank in het eerdere kort geding heeft geoordeeld dat Worldline de dienstverlening niet mag beëindigen omdat het hier gaat om coffeeshops. Daarbij is meegenomen dat de coffeeshops hun producten verkopen op basis van een landelijk en gemeentelijk gedoogbeleid.
4.9
De huidige opzegging van Worldline focust op het i-criterium in de landelijke gedoogvoorwaarden (reden 1). In de meeste gemeentes wordt ook op het i-criterium gedoogd en dit dus niet gehandhaafd. Dat geldt voor de gemeentes waar de coffeeshops gevestigd zijn. Het i-criterium is destijds in de landelijke gedoogvoorwaarden opgenomen op aandringen van grensgemeenten, die veel overlast hebben van mensen die specifiek voor het kopen drugs naar Nederland komen vanuit België, (Frankrijk) en Duitsland. Het is aan gemeentes om dat al of niet verder in te vullen op basis van de overlast die zij ervaren. Het zijn dan ook vooral gemeentes in Limburg, Brabant en Zeeland die het i-criterium ook daadwerkelijk handhaven, en dan met name bestuursrechtelijk. In de gemeentes waar de coffeeshops gevestigd zijn, wordt niet op het i-criterium gehandhaafd. In Amsterdam , waar toch veel drugstoerisme is, staat in het coalitieakkoord 2026 zelfs dat het i-criterium niet is ingevoerd. Het gaat het dus om betalingen voor transacties die - feitelijk legaal zijn zoals in Amsterdam omdat het i-criterium niet is opgenomen in de gemeentelijke voorwaarden die gelden voor coffeeshops of
- in strijd zijn met een criterium waarop niet wordt gehandhaafd; het wordt (ook) gedoogd. Dat toewijzing betekent dat Worldline gedwongen zou worden om verboden verkoop te faciliteren is dus onjuist.
4.10
Worldline heeft ook onvoldoende onderbouwd dat het voor Amerikaanse banken problematisch is als zij faciliteren dat hun kaarthouders pinbetalingen in Nederlandse coffeeshops doen (reden 2). Worldline verwijst naar een stuk van de Congressional Research Service uit 2023, dat gaat over financiële diensten aan bedrijven en instellingen die betrokken zijn bij de productie en verkoop van cannabis in de Verenigde Staten. Dit stuk heeft als uitkomst dat federale wetgeving moet gaan bevorderen dat cannabisproducenten en verkopers die zich aan de (statelijke) regels houden, gewoon bij Amerikaanse banken kunnen bankieren, in plaats van daar barrières voor te werpen. Er is geen sprake van dat het banken in de VS zou zijn verboden om te faciliteren dat hun klanten in de VS cannabisproducten kopen met een pinbetaling. Dat is hier aan de orde, maar dan betalen die klanten in Nederland voor de producten. Dat voor de acquiring bank, of de Amerikaanse banken waar die mee samenwerkt, juist de betalingen bij coffeeshops in Nederland problematisch zouden zijn, is evenmin gebleken. Daarbij geldt:
dat Visa en Mastercard hebben verklaard betalingen bij coffeeshops te zullen blijven faciliteren met de huidige regelgeving en het gedoogbeleid;
dat de minister van Financiën recent heeft aangegeven dat het onwenselijk is als coffeeshophouder worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet meer mogelijk zijn, omdat zij dan worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken. Dat is een risico dat in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme expliciet wordt benoemd als problematisch.
4.11
Worldline heeft onvoldoende onderbouwd dat zij met haar dienstverlening aan de coffeeshops niet zou kunnen voldoen aan de voorwaarden van bank 2 (reden 3). Zij heeft dat alleen in algemene zin gesteld. Ook heeft Worldline onvoldoende concreet uitgewerkt en onderbouwd dat zij niet bij andere banken terecht kan. Daarbij weegt mee dat de coffeeshops tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij de bedragen die hun klanten pinnen, ontvangen vanaf rekeningen op naam van Worldline bij allerlei verschillende banken, waaronder ook Nederlandse banken. Dat Worldline die situatie bedrijfsmatig niet optimaal vindt en wil beëindigen, maakt dat niet anders. Dat is de eigen keuze van Worldline.
4.12
Conclusie is dus dat de bodemrechter zal oordelen dat Worldline de dienstverlening niet op deze manier mag beperken. Worldline wordt dan ook veroordeeld om de dienstverlening op dit punt te hervatten.
4.13
Het gevraagde verbod om zonder rechtsgrond andere of vergelijkbare (categoriale) blokkades van de dienstverlening in te voeren (waaronder blokkades van buitenlandse betaalkaarten) wordt afgewezen. Dat mag Worldline ook zonder dat verbod niet, zodat de coffeeshops onvoldoende belang hebben bij dit verbod.
4.14
Ook de gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Het niet nakomen van de veroordeling zou neerkomen op het opnieuw opschorten van de dienstverlening op dezelfde grondslag. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om te vrezen dat Worldline dat zal doen.
4.15
Op de zitting is tussen partijen afgesproken dat coffeeshops in de lopende procedure naar aanleiding van het eerdere vonnis in kort geding, ook dit geschil zullen inbrengen. Worldline zal daaraan meewerken.
Worldline krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding aan coffeeshops betalen
4.16
Worldline is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, zoals gebruikelijk te begroten aan de hand van de forfaitaire bedragen van het liquidatietarief.
4.17
Het verzoek om de coffeeshops – in afwijking van die hoofdregel – in de daadwerkelijk gemaakte (hogere) proceskosten te veroordelen, wordt afgewezen. Het is vaste jurisprudentie dat een volledige proceskostenveroordeling alleen in buitengewone omstandigheden toewijsbaar is, omdat de vrees voor omvangrijke proceskostenveroordelingen een beperking kan zijn voor de vrijheid om te procederen en de toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM. Een volledige proceskostenveroordeling kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de in de proceskosten veroordeelde partij misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft geprocedeerd. Daarvan is pas sprake als die partij een vordering of verweer achterwege had moeten laten, gelet op de evidente ongegrondheid en de belangen van de wederpartij. Dit kan zo zijn als die partij haar vorderingen of verweren heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij wist of hoorde te weten dat deze onjuist zijn, of als hij op voorhand had moeten begrijpen dat haar vorderingen, verweren geen kans van slagen hadden.
4.18
Deze hoge drempel is in dit geval niet gehaald. De vorderingen van de coffeeshops zijn grotendeels toegewezen, maar niet alles. Ook verder is onvoldoende gebleken dat Worldline op voorhand had moeten begrijpen dat haar verweren en stellingen geen kans van slagen hadden.
4.19
De voorzieningenrechter begroot de proceskosten op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
€
735,00
€
1.177,00
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.226,57
4.20
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt Worldline om de dienstverlening aan (ieder van) de coffeeshops voort te zetten, onder meer door binnen 72 uur na betekening van dit vonnis betalingen van klanten met buitenlandse (betaal)kaarten aan eisers weer te faciliteren en te zorgen dat deze betalingen niet worden geblokkeerd, totdat ofwel in een bodemprocedure tussen de coffeeshops en Worldline een einduitspraak in eerste aanleg is gewezen, ofwel tussen Worldline en (één of meer van) de coffeeshops een definitieve minnelijke regeling ter oplossing van het geschil is getroffen,
5.2
veroordeelt Worldline in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Worldline niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt Worldline tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
JO/4972
Met de acquiring bank wordt hier bedoeld: de bank waar Worldline de bankrekening aanhoudt waarop de gepinde bedragen binnenkomen en waarvan ze vervolgens worden uitbetaald aan de coffeeshops.
Rechtbank Midden-Nederland (voorzieningenrechter) 6 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:881.
Worldline duidt deze bank aan als “bank 2”, omdat zij niet bekend wil maken om welke bank het precies gaat.
D.H. Carpenter, Effect of Rescheduling Marijuana on Access to Financial Services, Congressional Research Service, Legal Sidebar 26 augustus 2024https://www.congress.gov/crs-product/LSB11218.
Brief van 17 februari 2026, https://open.overheid.nl/documenten/116e2167-2d88-4d2a-8352-9a6c58310555/file.
Zie: Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.