RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2150
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 24 april 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Op 30 maart 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
-
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
-
Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiser aanvraag heeft gedaan voor een vergoeding van aanvullende schade via stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Eiser mag in de wachtrij staan bij een andere aanvullende schaderoute, maar de beslistermijn van het verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade wordt dan in beginsel opgeschort. Volgens verweerder zal deelname aan de SGH-route in beginsel leiden tot een vaststellingsovereenkomst, waarin finale kwijting is opgenomen en waardoor eiser niet meer in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding via de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelt dat eiser daarom niet langer in afwachting is van een besluit van de Commissie Werkelijke Schade en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk is.
-
Bij brief van 12 mei 2026 heeft eiser gereageerd op het standpunt van verweerder. Eiser geeft aan dat hij in 2024 een voorstel voor een vaststellingsovereenkomst heeft ontvangen, maar dat hij dit voorstel heeft afgewezen. Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen en er is geen finale kwijting verleend. Daarnaast heeft eiser zich op 28 mei 2024 aangemeld bij de SGH, dat is na afloop van de verlengde wettelijke beslistermijn van 24 april 2024.Van een opschorting van de beslistermijn is daarom geen sprake.
-
Verweerder heeft bij brief van 28 mei 2026 gereageerd op het standpunt van eiser. Gedurende de schikkingsroute is het wenselijk dat de beslistermijn voor het beslissen op een aanvraag om werkelijke schade wordt opgeschort. Volgens verweerder is het niet wenselijk dat eiser een bestuurlijke route blijft lopen naast een schikkingsroute, omdat dit niet strookt met het door de schikkingsroute beoogde doel.
-
De rechtbank stelt vast dat eiser zich heeft aangemeld voor de SGH-route. Verweerder heeft in zijn reactie niet gereageerd op het standpunt van eiser dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het standpunt van eiser klopt. Verder is de rechtbank van oordeel dat alternatief schadetraject de beslistermijn niet opschort. Een aanmelding bij de SGH en het al dan niet instemmen met opschorten van de beslistermijn betekent naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2026.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Hemich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zaak nummer UTR 26/5692.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4803.