RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5613
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 8 februari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Op 20 juli 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
Is het beroep ontvankelijk?
-
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, primair omdat eiser zich op 21 december 2025 via het aanmeldportaal heeft aangemeld voor de route via de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) en ingestemd met het opschorten van de beslistermijn. Daardoor is de wettelijke beslistermijn niet verstreken. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser gedurende het lopende traject bij de SGH geen belang heeft bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen omdat eiser vanwege zijn aanmelding bij de SGH niet in afwachting is van een besluit.
-
De rechtbank volgt dit verweer niet en verwijst voor de motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2026.
Verweerder is te laat met beslissen
-
Eiser heeft op 8 februari 2024 een aanvraag gedaan. Verweerder heeft de beslistermijn van 6 maanden verlengd met 6 maanden, tot 8 februari 2025. Bij brief van 7 augustus 2025, ontvangen door verweerder op 8 augustus 2025, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 28 mei 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
-
Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
-
Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
-
In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze termijn al verstreken is op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Als die situatie zich voordoet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
-
In dit geval betekent dit het volgende. Eiser heeft op 8 februari 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op 8 februari 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 16 mei 2026. Omdat sindsdien meer dan 66 weken zijn verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
-
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026.Proceskosten en griffierecht
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zaak nummer UTR 26/5692.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4803.