RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12280616 \ VV EXPL 26-92
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.X. ten Velden,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de namen “ [bedrijf 1] , “ [gedaagde] ”, “ [bedrijf 2] ” en “ [bedrijf 3] ”,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.J. de Wever.
1De procedure
1.1.
Op 24 juni 2026 heeft [eiser] in kort geding een voorziening gevorderd.
1.2.
Op 2 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren [eiser] en [gedaagde] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog producties ingezonden.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
2.1.
In september 2023 hebben partijen een overeenkomst gesloten. Bovenaan de overeenkomst staat: ‘Overeenkomst Opdracht’. In de overeenkomst is bepaald dat [eiser] van 12 september 2023 tot en met 9 april 2024 in de praktijk van [gedaagde] werkzaam is als paramedicus voor 0-8 uur op dinsdag. [eiser] heeft gedurende deze periode daadwerkelijk een dag per week als fysiotherapeut in de praktijk van [gedaagde] gewerkt.
2.2.
In de periode 10 april 2024 tot en met 7 juli 2024 is [eiser] in de praktijk van [gedaagde] dezelfde werkzaamheden blijven verrichten zonder dat daaraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag lag.
2.3.
Op 16 juli 2024 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden gesloten. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiser] per 8 juli 2024 bij [gedaagde] in dienst treedt in de functie van fysiotherapeut.
2.4.
Bij brief van 30 mei 2025 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst verlengd tot 7 juli 2026.
2.5.
Bij brief van 1 februari 2026 heeft [gedaagde] aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en dus op 7 juli 2026 zal eindigen.
2.6.
Op 3 februari 2026 heeft [eiser] zich ziekgemeld.
2.7.
Op 12 februari, 2 maart, 13 maart, 27 maart, 2 april en 12 mei 2026 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] en de bedrijfsarts.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] om zolang de arbeidsovereenkomst na 7 juli 2026 voortduurt
tijdig het loon aan [eiser] te blijven voldoen en
aan zijn re-integratieverplichtingen te blijven voldoen, totdat [eiser] zich beter meldt.
3.2.
[eiser] stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat op 8 juli 2025 een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten en dat deze op grond van de ketenregeling van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege geldt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat [gedaagde] het einde van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft aangezegd en de arbeidsovereenkomst tot op heden voortduurt. [gedaagde] moet daarom het loon doorbetalen en aan zijn re-integratieverplichtingen voldoen.
3.3.
[gedaagde] betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Partijen hebben volgens hem tot juli 2024 samengewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht, waardoor de ketenregeling niet van toepassing is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Toetsingskader kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is hier het geval, nu het gaat om onder meer een vordering tot loonbetaling.
4.2.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?
4.3.
In geschil is of op 8 juli 2025 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Dat is alleen het geval als de overeenkomst die partijen in september 2023 hebben gesloten kwalificeert als een arbeidsovereenkomst.
4.4.
In artikel 7:610 BW zijn de criteria opgenomen die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: er moet sprake zijn van arbeid, gedurende zekere tijd, tegen loon, in dienst van de werkgever. Met de term ‘in dienst’ wordt bedoeld dat de werkgever gezag kan uitoefenen over het gedrag van de werknemer.
4.5.
[eiser] heeft een beroep gedaan op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. Dat rechtsvermoeden houdt in dat wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, wanneer gedurende (ten minste) drie opeenvolgende maanden tegen beloning wekelijks dan wel ten minste 20 uur per maand werkzaamheden zijn verricht. Aan deze vereisten is hier voldaan. Niet in geschil is dat [eiser] vanaf 12 september 2023 tot 9 april 2024 voor (in elk geval) acht uur per week werkzaamheden bij [gedaagde] heeft verricht en dat [eiser] een beloning in de vorm van betaalde facturen heeft ontvangen. Uitgangspunt is dus dat [eiser] vermoed wordt deze werkzaamheden te hebben verricht krachtens een arbeidsovereenkomst. Anders dan [eiser] ter zitting heeft betoogd, kan dit vermoeden, ook in kort geding, door [gedaagde] worden weerlegd.
4.6.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst daadwerkelijk als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf – inhoudende dat het bij uitleg aankomt op de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten – worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen (fase 1).
4.7.
Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt (fase 2). Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. De Hoge Raad heeft gezichtspunten benoemd die daarbij van belang (kunnen) zijn.
Rechten en plichten (fase 1)
4.8.
Eerst dient dus te worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen bij de start van hun samenwerking in september 2023 zijn overeengekomen.
4.9.
[eiser] is paramedische zorg in de praktijk van [gedaagde] gaan verlenen op basis van een overeenkomst met de titel “Overeenkomst Opdracht” van 26 september 2023. Die overeenkomst was aangegaan tot en met 9 april 2024. Partijen beoogden een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Dit volgt uit de titel van de overeenkomst (“Overeenkomst Opdracht”) en de overwegingen van de overeenkomst, waarin staat dat partijen beogen met elkaar geen arbeidsovereenkomst aan te gaan en wensen te contracteren op basis van een opdracht. In deze overeenkomst hebben zij onder meer het volgende afgesproken.
4.10.
[eiser] zal als zelfstandig paramedicus 0 tot 8 uur patiënten behandelen en kan daarbij haar werk naar eigen inzicht indelen. In onderling overleg kan de uitvoering plaatsvinden op andere dagen en/of tijdstippen. [eiser] is, in samenspraak met [gedaagde] , vrij hiernaast voor derden te werken. [eiser] moet haar vakantiedagen of vrijwillige afwezigheid 4 tot 6 weken van tevoren doorgeven. [gedaagde] onthoudt zich van het geven van aanwijzingen of instructies met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden. [eiser] is niet gehouden tot overleg, rapportage of evaluatie over de voortgang of de kwaliteit van haar werkzaamheden. [gedaagde] stelt zijn praktijk inclusief materiaal en inrichting aan [eiser] ter beschikking. [eiser] ontvangt voor haar werkzaamheden een percentage van 65% van de door haar gerealiseerde omzet of van haar vervanger, als zij zelf een vervanger aanstelt en stuurt [gedaagde] maandelijks facturen. [gedaagde] is geen beloning verschuldigd als [eiser] of haar vervanger door ziekte, ongeval of andere oorzaken niet kan werken. [eiser] voorziet in een eigen klachtenregeling, beroepsaansprakelijkheidsverzekering en is aangesloten bij een geschilleninstantie. [gedaagde] draagt geen premie volksverzekeringen en loonbelasting af voor [gedaagde] . Ter zitting is komen vast te staan dat [gedaagde] patiënten van [eiser] inroosterde. Buiten dat is gesteld noch gebleken dat partijen in de periode tot juli 2024 in afwijking van deze afspraken hebben gehandeld.
Kwalificatie (fase 2)
4.11.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan de hand van de rechten en plichten van partijen de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Daarvoor zal de kantonrechter de gezichtspunten van de Hoge Raad betrekken en de omstandigheden in onderling verband afwegen.
Wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand gekomen is
4.12.
Vaststaat dat [gedaagde] contact heeft opgenomen met [eiser] met de vraag of zij beschikbaar was om werkzaamheden in de praktijk van [gedaagde] te verrichten. [eiser] werkte op dat moment al voor verschillende opdrachtgevers, maar had nog ruimte voor meer werk. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij vervolgens zelf de modelovereenkomst “Overeenkomst Opdracht” bij [gedaagde] heeft aangeleverd. Er is niet gesteld of gebleken dat sprake was van een ongelijkwaardige onderhandelingspositie tussen partijen. Dit duidt meer op een overeenkomst van opdracht dan op een arbeidsovereenkomst.
Aard en duur van de werkzaamheden en de wijze waarop de werkzaamheden en werktijden worden bepaald
4.13.
[eiser] verrichtte als fysiotherapeut dezelfde werkzaamheden als andere fysiotherapeuten die in loondienst waren, zij het dat [eiser] volgens [gedaagde] geen algemene taken ten behoeve van de praktijk uitvoerde, zoals de fysiotherapeuten in loondienst wel deden. De overeenkomst is aangegaan tot 9 april 2024. De omstandigheid dat [eiser] in ieder geval in hoofdzaak hetzelfde werk deed als de fysiotherapeuten bij [gedaagde] in loondienst, vormt eerder een aanwijzing dat het gaat om een arbeidsovereenkomst dan om een overeenkomst van opdracht. De relatief korte duur van de overeenkomst kan een aanwijzing zijn voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht, maar sluit een arbeidsovereenkomst niet uit.
4.14.
Het maken van afspraken door patiënten met [eiser] kon uitsluitend via de agenda van [gedaagde] . Partijen hebben in de overeenkomst uitdrukkelijk afgesproken dat het [eiser] vrijstond om haar uren naar eigen inzicht in te delen. Partijen verschillen van mening of deze afspraak ook zo in de praktijk werd uitgevoerd. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat [eiser] ook daadwerkelijk vrijheid had in de vaststelling van haar werktijden en rooster. Als [eiser] op andere dagen of tijdstippen haar werkzaamheden wilde verrichten, dan kon dit in onderling overleg. [eiser] heeft weersproken dat ze zelf haar agenda kon beheren maar niet betwist dat dit louter was om de beschikbaarheid van praktijkruimte te waarborgen. Het agendabeheer wijst daarmee niet duidelijk in een bepaalde richting.
4.15.
Wel is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een grote mate van vrijheid had met betrekking tot de inhoud van de behandelingen, behandelmethoden en de omgang met patiënten. [eiser] bepaalde zelf hoe zij deze behandelingen uitvoerde zonder dat zij daarbij instructies of aanwijzingen van [gedaagde] ontving. Er hebben geen inhoudelijke evaluaties of beoordelingsgesprekken met [eiser] plaatsgevonden, terwijl [gedaagde] deze gesprekken wel met medewerkers in loondienst voerde. Dit zijn aanwijzingen dat sprake was van een overeenkomst van opdracht.
Inbedding van werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht
4.16.
[gedaagde] richt zich op het aanbieden van paramedische zorg en [eiser] verleende binnen de praktijk van [gedaagde] paramedische zorg. Het werk van fysiotherapeut (en dus van [eiser] ) is dus ingebed in de organisatie. [eiser] gebruikte het briefpapier van de praktijk van [gedaagde] , de praktijkfiets, de laptop en zij e-mailde met patiënten vanaf het algemene e-mailadres van de praktijk. Daarnaast werd in de agenda van [eiser] de kantoorlunch met alle medewerkers ingepland en van haar werd verwacht dat zij hierbij aanwezig was. Dit zijn kenmerken van een arbeidsovereenkomst.
4.17.
Er is een groepschat op Whatsapp waaraan alle werknemers van [gedaagde] deelnemen. Het is niet aannemelijk geworden dat [eiser] vóór juli 2024 al aan deze groepschat deelnam; dit wijst er weer op dat zij toen nog niet als collega in loondienst werd aangemerkt.
Verplichting het werk persoonlijk uit te voeren
4.18.
De overeenkomst stond het aanstellen van een vervanger door [eiser] impliciet toe. Er gold dus geen verplichting voor [eiser] om de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren. Dit is een kenmerk van een overeenkomst van opdracht. Daarbij dient wel de kanttekening geplaatst te worden dat [eiser] nooit daadwerkelijk een vervanger heeft aangesteld. Zij heeft de werkzaamheden feitelijk altijd zelf verricht.
Beloning, commercieel risico en ondernemerschap
4.19.
Partijen hebben destijds geen vaste beloning afgesproken. [eiser] ontving een tussen partijen overeengekomen percentage van de door haar daadwerkelijk behaalde omzet. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de beloning aan [eiser] fors hoger was dan het salaris van medewerkers in loondienst die hetzelfde werk uitvoerden. Daarnaast blijkt uit de overgelegde facturen dat de beloningen per maand fluctueerden. Als [eiser] geen behandelingen uitvoerde, ontving zij geen vergoeding. Daardoor liep [eiser] een ondernemersrisico. Dat blijkt ook uit het feit dat zij zelf verantwoordelijk was voor (beroepsaansprakelijkheids)verzekeringen en een klachtenregeling. Een en ander wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.
4.20.
[eiser] verrichtte naast haar werk bij [gedaagde] ook paramedische zorg voor andere opdrachtgevers als zzp’er. Zij had ook een eigen praktijk en stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ook dit duidt meer op ondernemerschap dan dat dit een kenmerk van een arbeidsovereenkomst is.
Conclusie
4.21.
Hoewel de overeenkomst van september 2023 dus kenmerken heeft van zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht, blijkt daaruit naar voorlopig oordeel onvoldoende van een gezagsverhouding tussen [gedaagde] en [eiser] . Daarbij wordt met name waarde gehecht aan het feit dat [eiser] , afgezien van de planning, haar werkzaamheden geheel zelfstandig verrichtte en er, anders dan in de uitspraak waarnaar [eiser] heeft verwezen, geen enkele controle was op de uitvoering van die werkzaamheden. [gedaagde] gaf geen instructies of aanwijzingen en beoordeelde het functioneren van [eiser] niet inhoudelijk door bijvoorbeeld het voeren van functioneringsgesprekken. Weliswaar gebruikte [eiser] het briefpapier, een fiets en een laptop van de praktijk van [gedaagde] , maar dit paste vooral binnen een samenwerking waarbij [gedaagde] de backoffice en andere (praktische) faciliteiten regelde om [eiser] als (zelfstandig) ondernemer in staat te stellen haar werkzaamheden uit te voeren. Verder acht de kantonrechter van belang dat [eiser] voor de aanvang van haar werkzaamheden als zzp’er al bij andere opdrachtgevers werkzaam was en zelf de modelovereenkomst voor een opdracht bij [gedaagde] heeft aangeleverd; daarbij was tussen partijen sprake van een gelijkwaardige relatie, en bedong [eiser] een variabele omzet die beduidend hoger was dan het salaris van werknemers in loondienst.
4.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] het aangenomen rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst in deze procedure voldoende heeft weerlegd. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
4.23.
Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.
Proceskosten
4.24.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
€
865,00
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.L. Grosheide en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
Gerechtshof Amsterdam 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2615.