ECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/413465 / HA ZA 25-170
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
STICHTING DEBITROOM,
te Nieuwkuijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Debitroom,
advocaat: mr. W. Meijs,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2]
advocaat: voorheen mr. M.A. Oostendorp, die zich heeft onttrokken,3. [gedaagde 3],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 25 februari 2025- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
-
akte aanvullende producties van Debitroom
-
de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens gedaagde partijen was op de zitting niemand aanwezig.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Debitroom heeft op 8 juni 2023 een Raamovereenkomst Leningen gesloten met [gedaagde 1] (hierna: de Raamovereenkomst), op grond waarvan Debitroom aan [gedaagde 1] een krediet heeft verstrekt. In de Raamovereenkomst is onder meer vermeld:
“4.1 Voor de verstrekking van Gelden moet u een Vergoeding betalen. De Vergoeding(en) worden gebaseerd op basis van een risico inventarisatie. De hoogte van de Vergoeding wordt telkens voorafgaand bij elke aanvraag door DebitRoom vastgesteld.
4.2
Bij elke aanvraag stemt u uitdrukkelijk in met de verschuldigde Vergoeding.
(…)
6.4
Indien een incasso niet slaagt op de dag dat de looptijd van de Lening afloopt, bent u direct in verzuim en dan heeft DebitRoom het recht de door DebitRoom gemaakte kosten bij u in rekening te brengen, op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden MKB.”
2.2.
In de op de Raamovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden MKB is onder meer vermeld:
“4.3 Zodra er een opeisbare vordering ontstaat, omdat DebitRoom er niet in is geslaagd de geleende Gelden binnen afloop van de looptijd van de Lening te incasseren, bent U na de 2e incasso (48 uur na de eerste) poging een boete van € 1.000,00 verschuldigd onverminderd het recht van DebitRoom om de kosten en rente op u door te berekenen. Indien U bedragen aan DebitRoom verschuldigd bent boven de € 15.000,00 bedraagt de boete 15% over de openstaande hoofdsom. Het boetebedrag is niet gemaximeerd. Hierbij wordt de vordering uit handen gegeven aan een incasso advocaat. Het staat DebitRoom vrij deze boete op enig moment, vanaf de (gedeeltelijk) mislukte 2e incasso poging, in het incassotraject in rekening te brengen.
4.4
Zodra er een opeisbare vordering ontstaat, bent U, los van de boete, de rente en alle redelijke kosten verschuldigd - inclusief, doch niet uitsluitend, incassokosten en wettelijke kosten voor rechtsbijstand - die DebitRoom moet maken ter verkrijging van de betaling voor zijn rekening. De buitengerechtelijke kosten die DebitRoom bij u in rekening brengt zijn in lijn met de geldende Wet normering buitengerechtelijke incassokosten.”
2.3.
Als zekerheid voor de terugbetaling van het krediet hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op 12 respectievelijk 9 juni 2023 met Debitroom een overeenkomst van borgtocht gesloten. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn indirect (ieder via hun eigen holding) bestuurder van [gedaagde 1] .
“In artikel 1 van beide borgtochten is bepaald: “De Borg verbindt zich bij deze jegens Schuldeiser, hoofdelijk als borg voor de Contractant, zulks tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Schuldeiser van Contractant te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de in de considerans genoemde Raamovereenkomst, een en ander tot een maximumbedrag van vijfenzeventig duizend euro te vermeerderen met wettelijke renten en kosten overeenkomstig artikel 7:856 BW, alsmede te vermeerderen met eventuele andere kosten tot maximaal € 75.000.”
2.4.
Debitroom heeft [gedaagde 1] op 20 augustus 2024 gesommeerd om een bedrag van € 76.694,91 te betalen. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:
2.5.
[gedaagde 1] en Debitroom hebben vervolgens een betalingsregeling afgesproken. In de periode vanaf september 2024 tot en met januari 2025 heeft [gedaagde 1] € 40.000,00 aan Debitroom betaald.
2.6.
[gedaagde 1] is op 17 april 2025 in staat van faillissement verklaard.
3Het geschil
3.1.
Debitroom vordert [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan Debitroom te betalen een bedrag van € 41.261,76, te vermeerderen met de contractuele rente daarover vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de kosten
van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Debitroom vordert nakoming van de raamovereenkomst en de borgtochten. Zij heeft de
ontvangen betalingen overeenkomstig artikel 6:44 BW in mindering gebracht op haar vordering, die zij als volgt specificeert:
3.2.
[gedaagde 2] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Debitroom, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Debitroom in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ten aanzien van [gedaagde 1]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de procedure tegen [gedaagde 1] op grond van
artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst.
Ten aanzien van [gedaagde 2]
Geen vordering op [gedaagde 1]
4.2.
[gedaagde 2] stelt zich primair op het standpunt dat Debitroom geen vordering heeft op [gedaagde 1] , omdat Debitroom niet heeft gesteld wat de hoogte van het verstrekte krediet is en ook in de Raamovereenkomst geen enkel bedrag wordt genoemd.
4.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Debitroom heeft als nadere productie 12 een
e-mailbericht van 6 juni 2023 van Debitroom aan tussenpersoon [A] (Capitalb2b) overgelegd, waarin zij haar aanbod voor [gedaagde 1] bevestigt: een rekening courant faciliteit van € 150.000,00 tegen een kostenpercentage van 1,00% per 30 dagen. Ook in de borgtocht van [gedaagde 2] is vermeld dat Debitroom aan [gedaagde 1] uit hoofde van de Raamovereenkomst een krediet heeft verstrekt tot maximaal € 150.000,00. [gedaagde 2] heeft deze stukken niet betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat Debitroom aan [gedaagde 1] een krediet van € 150.000,00 heeft verstrekt.
Zorgplicht
4.4.
[gedaagde 2] voert daarnaast aan dat hij de borgtocht digitaal heeft ondertekend zonder voldoende geïnformeerd te zijn over de risico’s die hieraan verbonden waren. Debitroom had hem op duidelijke wijze moeten informeren over de aard en omvang van de risico's, aldus [gedaagde 2] .
4.5.
De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] wist hoe de onderneming er (financieel) voor stond. Bovendien blijkt uit de hiervoor vermelde (onweersproken) e-mails dat [gedaagde 2] betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten en het verstrekken van het krediet (productie 12). Hij heeft ook de Raamovereenkomst namens [gedaagde 1] gesloten. Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank de stelling van [gedaagde 2] dat Debitroom hem extra had moeten waarschuwen voor het risico van borg zijn, onvoldoende geconcretiseerd. Voor zover [gedaagde 2] zich beroept op een schending van de zorgplicht door Debitroom, gaat dat beroep dus niet op.
Niet voldaan aan verplichtingen in artikel 7:855 BW
4.6.
[gedaagde 2] beroept zich er ook op dat sprake is van een particuliere borgtocht en dat artikel 7:855 BW daarom van dwingend recht is. Volgens [gedaagde 2] kan een borg slechts worden aangesproken nadat de hoofdschuldenaar ( [gedaagde 1] ) in de nakoming is tekortgeschoten (lid 1) en voldoet Debitroom niet aan haar stel- en motiveringsplicht over het verzuim van [gedaagde 1] . Verder heeft de advocaat van Debitroom [gedaagde 1] wel in gebreke gesteld, maar is [gedaagde 2] niet gelijktijdig geïnformeerd, terwijl artikel 7:855 lid 2 BW bepaalt dat op het moment dat de schuldeiser de hoofdschuldenaar in gebreke stelt, de schuldeiser verplicht is daarvan tegelijkertijd mededeling te doen aan de borg. Door niet geïnformeerd te worden alsmede het feit dat de hoofdschuldenaar [gedaagde 1] inmiddels in staat van faillissement is komen te verkeren, heeft [gedaagde 2] geen maatregelen kunnen treffen om te voorkomen dat hij zou kunnen worden aangesproken. Debitroom is als gevolg hiervan aansprakelijk voor de schade die [gedaagde 2] hierdoor lijdt en dat bedrag staat gelijk aan het bedrag waarvoor hij door Debitroom aangesproken kan worden. [gedaagde 2] beroept zich dan ook expliciet op verrekening.
4.7.
Op de zitting heeft Debitroom betwist dat sprake is van een particuliere borgtocht. Omdat [gedaagde 2] bestuurder is van [gedaagde 1] is volgens Debitroom ingevolge artikel 7:857 BW geen sprake van een particuliere borgtocht.
4.8.
De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 7:857 BW is sprake van een particuliere borgtocht als deze is aangegaan door een natuurlijk persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft. De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 2] van [gedaagde 1] ‘alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft’ en gaat er, alleen al daarom, vanuit dat sprake is van een particuliere borgtocht, zoals ook bovenaan de borgtocht is vermeld.
4.9.
De rechtbank volgt [gedaagde 2] niet in zijn stelling dat Debitroom niet heeft voldaan aan haar stel- en motiveringsplicht over het verzuim van [gedaagde 1] . Debitroom heeft (onweersproken) gesteld en onderbouwd dat een klant zelf bepaalt hoe hij een lening wil terugbetalen en dat op 20 augustus 2024 twee incasso’s bij [gedaagde 1] mislukt waren, te weten een bedrag van € 35.232,00 op 3-8-2024 en een bedrag van € 29.568,00 op 19-8-2024 (zie productie 6). Op grond van artikel 6.4 Raamovereenkomst (zie 2.1) was [gedaagde 1] op dat moment direct in verzuim. Dat betekent dat de verbintenis van de borgen tot betaling van de hoofdsom (in ieder geval) vanaf 20 augustus 2024 opeisbaar was.
4.10.
Volgens artikel 7:855 lid 2 BW is de schuldeiser die de hoofdschuldenaar overeenkomstig artikel 82 van Boek 6 in gebreke stelt, verplicht hiervan tegelijkertijd de borg mededeling te doen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat Debitroom [gedaagde 1] niet in gebreke hoefde te stellen om haar verzuim te bewerkstelligen, zodat daarvan ook geen mededeling aan [gedaagde 2] gedaan hoefde te worden. Aangezien [gedaagde 1] al direct in verzuim en schadeplichtig (zie 2.1 en 2.2) was, is het verder nog maar de vraag welke schade [gedaagde 2] had kunnen voorkomen. [gedaagde 2] heeft daarover alleen in het algemeen iets gezegd, zonder concrete onderbouwing. Dit verweer slaagt niet en verrekening met schadevergoeding is dan ook niet aan de orde.
Wettelijke rente
4.11.
[gedaagde 2] voert aan dat voor zover hij al rente verschuldigd zou zijn, dit slechts de wettelijke rente kan zijn en niet de contractuele rente (en dan alleen over het tijdvak dat hij zelf in verzuim is), zoals ook volgt uit artikel 7:856 lid 1 BW. Volgens [gedaagde 2] is hij nooit in verzuim komen te verkeren, omdat hij nooit is aangesproken en in gebreke is gesteld.
4.12.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:856 lid 1 BW is de borg slechts wettelijke rente verschuldigd over het tijdvak dat hij zelf in verzuim is. Gesteld noch gebleken is dat Debitroom [gedaagde 2] in gebreke heeft gesteld. De sommatie van 20 augustus 2024 is alleen aan [gedaagde 1] en niet aan de borgen gericht. [gedaagde 1] heeft na die sommatie ook een betalingsregeling met Debitroom gesloten, waarna zij meer dan de helft van het openstaande bedrag heeft voldaan. In de overeenkomst van borgtocht kan in afwijking van artikel 7:856 lid 1 BW worden bedongen dat de borg ook gehouden is de vertragingsschade te vergoeden die de schuldeiser lijdt doordat de hoofdschuldenaar in verzuim is. Maar met een ‘particuliere borg’ kan dit beding niet rechtsgeldig worden overeengekomen (art. 7:862, aanhef en onder a BW). Een en ander heeft tot gevolg dat de gevorderde contractuele rente zal worden afgewezen. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen en wel vanaf de datum van de dagvaarding.
Boete
4.13.
[gedaagde 2] betwist ook de boete van € 9.720,00. Hij voert aan dat die boete is gebaseerd op artikel 4.3 algemene voorwaarden MKB, die onderdeel uitmaken van de Raamovereenkomst. Deze algemene voorwaarden MKB zijn van toepassing verklaard op de borgtocht, maar niet aan hem ter hand gesteld. [gedaagde 2] roept daarom de vernietiging in van de algemene voorwaarden MKB.
4.14.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De borg is slechts in zeer beperkte mate gehouden tot vergoeding van bijkomende schade die de schuldeiser lijdt doordat de hoofdschuldenaar toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de gewaarborgde verbintenis. Ingevolge artikel 7:856 lid 2 BW hoeft hij slechts de kosten van rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar te vergoeden mits de schuldeiser hem tijdig van zijn voornemen tot rechtsvervolging op de hoogte heeft gesteld. Als de hoofdschuldenaar tekortschiet in de nakoming van de gewaarborgde verbintenis, kan dat er ook toe leiden dat de schuldeiser bijkomende schade lijdt. Voor zover schuldeiser en borg niet anders zijn overeengekomen – artikel 7:862, aanhef en onder a BW sluit dat uit als het om een ‘particuliere borg’ gaat – strekt de overeenkomst van borgtocht niet tot vergoeding van deze bijkomende schade noch tot vergoeding van de boete die de hoofdschuldenaar wegens zijn tekortkoming verschuldigd wordt.
4.15.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat Debitroom geen aanspraak heeft op betaling door [gedaagde 2] van de boete die [gedaagde 1] aan Debitroom verschuldigd is geworden op grond van artikel 4.3 algemene voorwaarden MKB. De boete wordt daarom afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.16.
[gedaagde 2] stelt zich verder op het standpunt dat hij nooit door Debitroom is geïnformeerd, laat staan is gesommeerd tot betaling over te gaan. Volgens hem moeten daarom ook de buitengerechtelijke kosten buiten beschouwing worden gelaten.
4.17.
De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 7:856 lid 2 BW beperkt de verplichting van de borg om de bijkomende schade die een gevolg is van de tekortkoming van de hoofdschuldenaar te vergoeden tot de ‘kosten van rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar’, en stelt daaraan de voorwaarde dat de schuldeiser de borg tijdig op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen tot rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar. Het is niet duidelijk welke kosten van rechtsvervolging de schuldeiser op de borg kan verhalen. In de literatuur wordt wel het standpunt ingenomen dat ook de redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsmaatregelen tegen de hoofdschuldenaar (artikel 6:96 lid 2 onder c BW) daaronder vallen, maar dit volgt niet uit de wet en de rechtsgeschiedenis. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor de buitengerechtelijke kosten die Debitroom heeft gemaakt tegen [gedaagde 1] . Er wordt in de literatuur verdedigd dat dergelijke kosten in het belang van de borg worden gemaakt, maar het is allereerst het belang van de schuldeiser dat de schuldenaar betaalt, zeker in gevallen (die vaak voorkomen) dat de borgtocht veel lager is dan het bedrag dat de schuldenaar aan de schuldeiser moet betalen. Bovendien is in dit geval geen sprake van een mededeling zoals bedoeld in artikel 7:856 lid 2 BW (of artikel 7:855 lid 2 BW). De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
4.18.
De conclusie is dat [gedaagde 2] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van
€ 24.800,00. Dit is de hoofdsom van € 64.800,00 minus de door [gedaagde 1] verrichte betalingen van in totaal € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.
4.19.
Voor een beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft [gedaagde 2] onvoldoende gesteld.
Ten aanzien van [gedaagde 3]
4.20.
De overwegingen onder 4.12, 4.14, 4.15 en 4.17 gaan ook op ten aanzien van [gedaagde 3] .
4.21.
Voor het overige komt de vordering van Debitroom op [gedaagde 3] de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering van Debitroom op [gedaagde 3] zal dan ook overeenkomstig 4.18 worden toegewezen.
Ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
Hoofdelijkheid
4.22.
Debitroom heeft in de dagvaarding gesteld dat zij “in totaal” een bedrag van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te vorderen heeft. Zij vordert niet de drie gedaagden elk tot betaling van dat bedrag te veroordelen. Dat zou ook niet kunnen, omdat dan het gevorderde hoger zou zijn dan de uitstaande som. De vorderingen zullen hoofdelijk worden toegewezen, in die zin dat zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd. Dit is weliswaar niet expliciet tot uitdrukking gebracht in het petitum, maar uit de strekking van de dagvaarding blijkt dat hoofdelijkheid de bedoeling is, en niet dat ieder een deel van de vordering moet betalen.
Proceskosten
4.23.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 3] niet is verschenen, hoeft hij niet de proceskosten van Debitroom met betrekking tot de mondelinge behandeling te betalen. De proceskosten van Debitroom worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,43
€
2.281,00
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.288,43
Voor wat betreft [gedaagde 3] gaat het dus om € 3.452,43. Voor dat bedrag zijn hij en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk. Het meerdere van € 836,00 moet alleen [gedaagde 2] betalen.
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
stelt vast dat de procedure tegen [gedaagde 1] op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan Debitroom te betalen een bedrag van € 24.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.452,43 en [gedaagde 2] verder nog in de proceskosten van € 836,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis -behoudens 5.1.- tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.
Zie Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/83.
Zie Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/83.