GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.246
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 10986316
arrest van 20 oktober 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn
en
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. E.T. van den Hout
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 16 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 april 2026 is gehouden.
1.2.
Daarna heeft het hof de zaak op verzoek van partijen aangehouden, zodat zij konden onderzoeken of zij een minnelijke regeling konden bereiken. Dit is niet gelukt en daarom hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] huurde een pand van [geïntimeerde] . In een deel van dat pand exploiteerde [appellant] een fietsenwinkel. [geïntimeerde] heeft op grond van een vonnis van de kantonrechter onder meer beslag gelegd op inventaris van de fietsenwinkel en het pand ontruimd. Dat vonnis is in hoger beroep vernietigd. Volgens [appellant] was die ontruiming onrechtmatig en moet [geïntimeerde] zijn schade vergoeden.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van in totaal € 245.436,36 onder meer bestaande uit vergoeding van gederfde winst en winkelinventaris. Ook vorderde [appellant] terugbetaling van teveel betaalde huur en proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] (het principaal hoger beroep) is dat alsnog schadevergoeding wordt toegewezen. [appellant] heeft zijn grief tegen afwijzing van de vordering ten aanzien van gederfde winst tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. [appellant] vordert in hoger beroep alleen nog schadevergoeding met betrekking tot de winkelinventaris. [geïntimeerde] heeft ook hoger beroep ingesteld (het incidenteel hoger beroep). Zijn doel is dat het hof vaststelt dat de ontruiming niet onrechtmatig was.
2.4.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] een schadevergoeding aan [appellant] moet betalen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter deels in stand en beslist voor een deel anders.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Achtergrond van de zaak
3.1.
[appellant] huurde vanaf 1 augustus 2014 een winkelruimte en bovenwoning in [plaats] van [geïntimeerde] . In de winkelruimte exploiteerde [appellant] een fietsenwinkel.
3.2.
[geïntimeerde] stelde zich op het standpunt dat [appellant] een huurachterstand had en vorderde bij de kantonrechter betaling daarvan en, als niet alsnog zou worden betaald, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Die vordering werd toegewezen bij vonnis van 18 september 2019 (hierna: het ontruimingsvonnis). [geïntimeerde] heeft op basis van dat vonnis op 21 november 2019 executoriaal beslag gelegd op alle roerende zaken in de winkel, waaronder fietsen (hierna: de winkelinventaris). De deurwaarder heeft hiervan proces-verbaal opgemaakt. Op 6 januari 2020 is het gehuurde door [geïntimeerde] ontruimd. In maart 2020 is de winkelinventaris executoriaal verkocht.
3.3.
Dit hof heeft in een arrest van 22 maart 2022 het ontruimingsvonnis vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] werden daarbij alsnog afgewezen.
De beoordeling
3.4.
In dit hoger beroep ligt alleen nog de vraag voor (i) of de executie van het ontruimingsvonnis door [geïntimeerde] onrechtmatig was ten opzichte van [appellant] en zo ja, (ii) of [appellant] recht heeft op schadevergoeding met betrekking tot de winkelinventaris en tot welk bedrag. Het hof zal deze vragen hierna behandelen. [geïntimeerde] heeft als voorafgaand verweer aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat niet het volledige procesdossier in eerste aanleg is overgelegd. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. Het klopt dat de producties die bij de dagvaarding horen niet zijn overgelegd (de huidige advocaat van [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat hij, en ook zijn cliënt die producties niet hebben). Dat heeft (alleen) tot gevolg dat die producties niet tot het procesdossier behoren. Het hof zal de zaak dus beoordelen op basis van het voorliggende procesdossier, zonder die producties.
(i) de onrechtmatigheid van de executie van het ontruimingsvonnis
3.5.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat met het arrest van 22 maart 2022 van dit hof vaststaat dat de executie van het ontruimingsvonnis onrechtmatig was. Volgens [geïntimeerde] was de executie niet onrechtmatig omdat er op het moment van de ontruiming een nieuwe huurachterstand was, die op zichzelf ontbinding en ontruiming rechtvaardigde.
3.6.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de executie (zoals beslag en ontruiming) van een later vernietigd vonnis, behoudens bijzondere omstandigheden, als een onrechtmatige daad is aan te merken jegens degene op wiens recht de executie inbreuk heeft gemaakt. Iemand die een vonnis executeert, zonder dat er een einduitspraak in hoger beroep is, doet dat dus op eigen risico. In dit geval heeft [geïntimeerde] het hoger beroep niet afgewacht voordat hij de onder 3.2 beschreven stappen ondernam. Het hof is van oordeel dat de executie van het ontruimingsvonnis door [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig was. Met de vernietiging van het ontruimingsvonnis door het arrest van dit hof van 22 maart 2022 is de onrechtmatigheid komen vast te staan. Daarvoor was immers achteraf gezien geen titel. Het betoog van [geïntimeerde] dat de ontruiming rechtmatig was omdat er een nieuwe betalingsachterstand was, volgt het hof niet. [geïntimeerde] is namelijk geen procedure gestart om alsnog een (nieuwe) titel te krijgen voor ontruiming. Zonder een titel is de ontruiming onrechtmatig, ook al staat de huurachterstand vast. [geïntimeerde] heeft geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen en daarvan is ook niet gebleken. [geïntimeerde] is dus aansprakelijk voor de door de executie geleden schade van [appellant] .
(ii) de hoogte van schade
3.7.
In dit hoger beroep vordert [appellant] alleen nog de schade die hij heeft geleden met betrekking tot de winkelinventaris. Kort gezegd komt de stelling van [appellant] erop neer dat de winkelinventaris door de beslaglegging, ontruiming en executoriale verkoop uit zijn macht is gebracht. Hij heeft deze niet teruggekregen en ook geen opbrengst ontvangen uit de executoriale verkoop. Zijn schade bestaat daarom uit de waarde van de voorraad waarop beslag is gelegd. [appellant] heeft (pas) in hoger beroep ter onderbouwing van deze vordering een taxatierapport overgelegd van een beëdigd Register Makelaar-Taxateur (het taxatierapport). Dit taxatierapport waardeert de voorraad op in totaal € 31.250 en is gebaseerd op de inventaris zoals opgenomen in het proces-verbaal van beslaglegging van de deurwaarder. [geïntimeerde] betwist dat [appellant] schade heeft geleden ten gevolge van het verlies van de winkelinventaris. Hij betoogt in dat kader dat [appellant] inventaris aan het beslag heeft onttrokken, hetgeen [appellant] op zijn beurt betwist. Ook verwijt [geïntimeerde] [appellant] dat hij geen informatie heeft gegeven over de aanschaf van de winkelinventaris en geen inzicht heeft gegeven in de opbrengst van de executoriale verkoop. [geïntimeerde] plaatst ten slotte vraagtekens bij het feit dat het rapport op 27 maart 2025 is opgemaakt, terwijl de ontruiming 5 jaar eerder heeft plaatsgevonden.
3.8.
Het hof overweegt als volgt. In de procedure bij de kantonrechter heeft [appellant] een bedrag van € 25.766,26 gevorderd ten aanzien van de in beslag genomen fietsen. Nu [appellant] zijn eis in hoger beroep niet heeft vermeerderd, zal het hof daarvan uitgaan, met die opmerking dat het hof de vordering zo begrijpt dat niet alleen fietsen, maar ook ander winkelinventaris (zoals helmen en fietstassen) wordt bedoeld. Het hof zal dit bedrag toewijzen en licht dat hierna toe.
3.9.
Het uitgangspunt is dat de hoogte van de schade wordt vastgesteld door de situatie waarin [appellant] daadwerkelijk verkeert te vergelijken met de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de executie niet had plaatsgevonden. Bij de beslaglegging op 21 november 2019 heeft de deurwaarder een lijst met roerende zaken opgesteld. Deze lijst is naar het oordeel van het hof terecht als uitgangspunt genomen in het taxatierapport voor de berekening van de waarde van de winkelinventaris, omdat volgens het proces-verbaal op die zaken beslag is gelegd. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] tussen het moment van beslaglegging (toen de winkelinventaris nog onder [appellant] berustte) en de ontruiming in januari 2020 (toen de voorraad door de deurwaarder uit het beheer van [appellant] is gebracht) zaken aan het beslag onttrokken, zodat zijn daadwerkelijke schade niet de waarde van de voorraad op het moment van beslaglegging zou zijn.
3.10
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat [appellant] zaken aan het beslag heeft onttrokken. [appellant] heeft tuchtklachten ingediend tegen de door [geïntimeerde] ingeschakelde deurwaarder over diens handelwijze rond en na het beslag. Die klachten zijn (gedeeltelijk) gegrond verklaard en de deurwaarder heeft daarvoor een tuchtmaatregel opgelegd gekregen: een schorsing voor de duur van één week. Uit de beslissing van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders van 19 maart 2021 naar aanleiding van de klachten blijkt dat de deurwaarder “naar willekeur is omgegaan met de beslaglegging en de omstandigheden rondom de beslagen zaken”. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen over de beslagen zaken, de beslagen zaken uit het beheer van [appellant] gebracht en hij heeft na de ontruiming [geïntimeerde] de feitelijk macht gegeven over de beslagen goederen. De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders oordeelt dat de deurwaarder op geen enkel vlak verantwoordelijkheid lijkt te hebben willen nemen om een deugdelijk proces (van inbeslagname, bewaring en executieverkoop) te voeren. Door de onzorgvuldige wijze waarop de deurwaarder in dit proces heeft gehandeld, is niet meer te construeren wat er na het beslag met de winkelinventaris is gebeurd. Het hof begrijpt dat het voor [geïntimeerde] vervelend is dat de deurwaarder grote fouten heeft gemaakt bij de executie. Maar hij is de opdrachtgever van de deurwaarder. De gevolgen van deze “onwenselijke situatie”, zoals de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders het kwalificeert, komen daarom voor risico van [geïntimeerde] . Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de situatie waarin [appellant] verkeerde na de onrechtmatige executie is dat hij de beschikking was verloren (en niet heeft teruggekregen) over de volledige winkelinventaris zoals omschreven op de lijst met roerende zaken zoals opgenomen in het proces-verbaal van de beslaglegging.
3.10.
Het hof neemt de lijst met beslagen zaken dus als uitgangspunt voor de schadebegroting. In het taxatierapport zijn die zaken getaxeerd naar de waarde ten tijde van de beslaglegging. Dat is een juist uitgangspunt. Het betoog van [geïntimeerde] dat het taxatierapport pas in 2025 is opgemaakt en niet bruikbaar is voor de schadebegroting gaat daarom niet op. [geïntimeerde] heeft ook overigens de juistheid van het taxatierapport onvoldoende gemotiveerd betwist. Het getaxeerde totaalbedrag komt het hof redelijk voor. In het proces-verbaal van beslaglegging is van slechts een deel van de beslagen fietsen de winkelwaarde vermeld. Als alleen al die bedragen worden opgeteld gaat het om een totale waarde van ongeveer € 21.500. Het beslag trof nog meer fietsen en bovendien accessoires zoals tientallen fietstassen en fietshelmen. Het bedrag uit het taxatierapport van ruim € 25.000 is dus alleszins redelijk. [geïntimeerde] betoogt ten slotte nog dat [appellant] zou moeten bewijzen hoe hoog de opbrengst was van de executieveiling en waar deze opbrengst naartoe is gegaan. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit argument. Deze verkoop is immers door de deurwaarder in opdracht van [geïntimeerde] gedaan en [appellant] was daarbij niet betrokken. Het hof gaat er vanuit dat [geïntimeerde] de executieopbrengst heeft ontvangen. In elk geval is gesteld noch gebleken dat die opbrengst naar [appellant] is gegaan en dat zou ook zeer ongebruikelijk zijn. Kortom, het hof gaat bij de begroting van de schade van [appellant] uit van de waarde van de winkelinventaris zoals beschreven in het taxatierapport. Gelet op het feit dat de vordering van [appellant] op dit punt € 25.766,26 bedraagt, wijst het hof dit bedrag toe.
De conclusie
3.11.
Het principaal hoger beroep slaagt deels. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet. Het hof bepaalt dat in principaal hoger beroep iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels (on)gelijk hebben gekregen. Omdat [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof laat de beslissingen van de kantonrechter over de proceskosten in stand omdat [appellant] de onderbouwing van de vordering die met dit arrest wordt toegewezen, pas in hoger beroep heeft ingebracht. Aangezien [appellant] in het kader van het vonnis van 16 oktober 2024 alleen de proceskosten heeft betaald, zal het hof de vordering van [appellant] tot terugbetaling van alles wat [appellant] op grond van het vonnis van 16 oktober 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald, afwijzen.
3.12.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 16 oktober 2024, met uitzondering van de veroordeling in de proceskosten onder 4.2 die hierbij wordt bekrachtigd en beslist:
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 25.766,26 aan [appellant] ;
4.3.
bepaalt in principaal hoger beroep dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 1.670 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x de helft van het toepasselijke tarief III );
4.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, A.E.F. Hillen en D.W.J.M. Kemperink, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
Vgl. o.a. HR 26 januari 1964, NJ 1965, 33 en HR 5 december 2003, ECLI: NL:HR:2003:AL7059
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.