GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.369.471
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601484)
beschikking van 27 oktober 2026
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Y. Weggemans-Bruin,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. P. Wieringa.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 februari 2026, met onder meer zaaknummer 601484. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 mei 2026;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht namens de vrouw van 10 september 2026 met producties;
een journaalbericht namens de man van 16 september 2026 met producties;
een journaalbericht namens de vrouw van 16 september 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 september 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
3De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2023. [minderjarige] woont bij de vrouw.
3.2
De man en de vrouw hebben eerder afspraken gemaakt over de omgang en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie). Deze afspraken heeft de rechtbank vastgelegd in een beschikking van 12 februari 2024 en luiden als volgt:
de ouders gaan zich met behulp van Geynwijs inzetten voor begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] ;
de man betaalt € 350,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw;
de kinderalimentatie wordt voor het eerst geïndexeerd op 1 januari 2025.
3.3
De man heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht om:
hem naast de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
een opbouwende omgangsregeling vast te stellen;
de vastgestelde kinderalimentatie in die zin te wijzigen dat de man met ingang van 12 februari 2024 € 88,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.
3.4
De vrouw heeft de rechtbank gevraagd de verzoeken van de man af te wijzen.
4De omvang van het geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
de beschikking van 12 februari 2024 gewijzigd en de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 oktober 2025 vastgesteld op € 173,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 181,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
de beslissingen over het gezag en de omgangsregeling aangehouden in afwachting van rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject ouderschapsbemiddeling met begeleide omgang;
het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. De vrouw komt daarvan in hoger beroep (principaal hoger beroep). De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 458,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (23 oktober 2025) dan wel met ingang van de datum van het beroepschrift (26 mei 2026). Als het hof deze verzoeken niet toewijst, dan verzoekt de vrouw de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in eerste aanleg dan wel dit verzoek af te wijzen.
4.3
De man voert verweer. Daarnaast heeft de man ook zelf ook een verzoek geformuleerd (incidenteel hoger beroep). De man vraagt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek of dit verzoek af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de man de kinderalimentatie vanaf het moment dat hij gemiddeld twee dagen per week contact heeft met [minderjarige] vast te stellen op € 70,- per maand, kosten rechtens.
4.4
De vrouw vraagt in het incidenteel hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen.
4.5
In haar begeleidende brief bij het journaalbericht van 16 september 2026 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
primair: de kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg dan wel met ingang van 16 september 2026 vast te stellen op € 458,- per maand, subsidiair: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen;
de kinderalimentatie met ingang van de datum dat het kind van de vrouw wordt geboren vast te stellen op € 545,- per maand dan wel op € 383,- per maand dan wel op € 267,- per maand.
4.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar gewijzigde verzoek en grief VI (waarin zij het hof verzoekt bij de vaststelling van de alimentatie rekening te houden te houden met de kosten van haar nog ongeboren kind, zodra dit is geboren) ingetrokken, zodat het hof niet meer op deze verzoeken hoeft te beslissen.
5De motivering van de beslissing
Omvang van het geschil
5.1
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil:
de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie is 23 oktober 2025;
het inkomen van de man bedroeg in 2025 € 3.375,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, € 179,- per maand aan (aanvullende) pensioenpremies, € 12,- per maand aan WGA-premie en € 3,- per maand voor de premie van de aanvullende PA WW- verzekering;
het belastbaar inkomen van de vrouw bedroeg in 2025 volgens de jaaropgave € 39.379,-.
Wijziging van omstandigheden
5.2
In artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.3
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de hoogte van de kinderalimentatie rechtvaardigt. De man werkt namelijk niet langer als zzp’er, maar is in loondienst getreden. De vrouw is meer gaan verdienen en haar ziektewetuitkering is geëindigd.
Behoefte [minderjarige]
5.4
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 517,- per maand bedroeg. Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2026 € 541,- per maand.
Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of deze behoefte moet worden verhoogd met de netto opvangkosten die de vrouw voor [minderjarige] maakt.
5.5
Uit de door de vrouw overlegde stukken blijkt dat de vrouw in 2025 € 19.285,89 heeft betaald aan kosten voor de kinderopvang. In datzelfde jaar ontving de vrouw € 16.656,- aan kinderopvangtoeslag (productie 18b bij het journaalbericht namens de vrouw van 10 september 2026). Daarmee bedroegen de netto kosten voor de kinderopvang in 2025 € 2.629,89 op jaarbasis en € 219,- per maand.
Over het jaar 2026 heeft de vrouw bankafschriften overgelegd van haar betalingen aan de kinderopvang.
5.6
In de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie is het volgende te lezen over de vaststelling van de behoefte van een kind:
“3.2.6 Bijzondere kosten
In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden. (…)
Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.”
5.7
Het hof zal de behoefte van [minderjarige] niet verhogen met de netto kosten kinderopvang. Hiertoe overweegt het hof allereerst dat de vrouw haar netto kosten kinderopvang over 2026 niet inzichtelijk heeft gemaakt. De vrouw heeft weliswaar bankafschriften overgelegd, maar facturen en de voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag over 2026 ontbreken. Dit is onder meer relevant omdat de ingangsdatum voor de gewijzigde kinderalimentatie (die tussen partijen niet in geschil is) eind oktober 2025 is. Daarbij komt dat de vrouw niet of in ieder geval onvoldoende heeft onderbouwd, en dit is ook anderszins niet gebleken, dat de netto kosten voor kinderopvang dusdanig hoog zijn dat zij niet in staat is om deze met andere kosten te compenseren.
5.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 517,- per maand bedroeg en in 2026 € 541,- per maand.
Draagkracht
5.9
De rechtbank heeft de draagkracht van de man becijferd op € 482,- per maand en de draagkracht van de vrouw op € 768,- per maand. Daarbij heeft de rechtbank bij de berekening van zowel de draagkracht van de man als de draagkracht van de vrouw het forfaitaire woonbudget toegepast.
5.10
De vrouw stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat bij de berekening van haar draagkracht en de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten. De man heeft volgens de vrouw namelijk in het geheel geen woonlasten, terwijl de vrouw juist woonlasten heeft die hoger zijn dan het forfait. Als wordt gerekend met de werkelijke woonlasten van partijen, dan beschikt hierdoor de man over een hogere draagkracht en de vrouw juist over een lagere draagkracht en dient de man dus een hoger aandeel in de kosten van [minderjarige] te betalen.
De man voert verweer en vindt dat de rechtbank terecht het forfaitaire woonbudget heeft toegepast.
5.11
Het hof overweegt dat bij de vaststelling van de draagkracht van partijen als uitgangspunt geldt dat wordt gerekend met forfaitaire woonlasten. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die maken dat bij de vaststelling van de draagkracht niet wordt gerekend met het forfaitaire woonbudget, bijvoorbeeld als sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van het kind te voorzien. Het hof is van oordeel dat dit laatste niet het geval is, beide partijen gezamenlijk beschikken over ruim voldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Het hof ziet in de door de vrouw aangevoerde omstandigheden verder onvoldoende reden om op andere gronden af te wijken van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. Dat betekent dat het hof, net als de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van partijen uitgaat van het forfaitaire woonbudget bij beide partijen.
Zorgkorting
5.12
De rechtbank heeft een zorgkorting van 5% toegepast. De man voert aan dat partijen een traject zijn gestart om de omgang tussen de man en [minderjarige] uit te breiden. Daarom vraagt de man het hof alvast rekening te houden met de situatie dat er gemiddeld twee dagen per week omgang zal zijn. Daarbij past volgens de man een zorgkorting van 25%.
5.13
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen eensluidend verklaard dat de man en [minderjarige] op dit moment een uur begeleide omgang per week hebben. Op dit moment is onduidelijk wanneer en in welke mate de omgangsregeling verder zal worden uitgebreid. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding een hogere zorgkorting toe te passen dan de rechtbank heeft gedaan.
Conclusie
5.14
Gelet op het voorgaande falen zowel de grieven van de vrouw als ook de grief van de man. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een oordeel over de vraag of de vrouw voor het eerst in hoger beroep kan verzoeken om de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] op een hoger bedrag vast te stellen dan de bijdrage die hij betaalde voorafgaand aan de beslissing van de rechtbank.
6De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 februari 2026;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 27 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.