Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-4456 (bodem) en FA RK 26-4466 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/704572 (bodem) en C/09/704583 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 24 september 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 4 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te ‘s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
de brief van de zijde van de vader van 16 juli 2026 met een wijziging/aanvulling van de verzoeken en aanvulling;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
de brief van de zijde van de moeder van 21 augustus 2025 met bijlagen.
Op 27 augustus 2026 is de zaak op de zitting terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities stukken overgelegd.
Feiten
-
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
-
Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
-
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
-
De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
-
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
-
Partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW op 1 juni 2023 een ouderschapsplan opgesteld, inhoudende (voor zover van belang): het volgende:
(…) Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort/nationaliteit
Artikel 2.1 [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij moeder en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan moeder komt daarom het recht toe om de kinderbijslag ten goede te innen.
Artikel 2.2 Partijen zullen niet eenzijdig en middels feitelijk achterhouden van het kind een wijziging aanbrengen of forceren in het hoofdverblijf tenzij het belang van het kind redelijkerwijs vergt. (…)
(…) Artikel 3 – Verzorging en opvoeding
Artikel 3.1. Zorg/contactregeling
De ouders zijn de volgende zorg/contactregeling overeengekomen: Vader zal het kind een keer in de veertien dagen vanaf donderdagavond 18.00 uur tot en met zondagavond 18.00 uur bij zich hebben. Vader zal [de minderjarige] donderdag van de kinderopvang in [plaats 1] ophalen. Mocht de donderdag een feestdag zijn dan haalt vader [de minderjarige] het eerste half jaar na het tekenen van het ouderschapsplan op bij de [straatnaam] . Moeder zal [de minderjarige] het eerste half jaar na het tekenen van dit ouderschapsplan op zondag bij de Mac Donalds in [plaats 2] ophalen.
(…)
(…)
Verzoek en verweer
In de zaak met kenmerk C/09/704572 (bodem)
De vader verzoekt:
te bepalen dat de moeder terugverhuist naar [plaats 3] , althans naar een plaats en adres niet verder gelegen dan op afstand van 80 kilometer van de woning van de vader te [plaats 4] binnen 8 weken na de ten deze af te geven beschikking, met veroordeling van de moeder tot betaling van een dwangsom van € 1.000, -- per dag dat de moeder met deze verhuizing in gebreke is.
Subsidiair: te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vader met ingang van de ten deze af te geven beschikking voorlopige voorzieningen, met vaststelling van een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] van een weekeinde per 14 dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] brengt en de moeder [de minderjarige] terugbrengt, alsmede de helft van de (school)vakanties en de feestdagen zoals nader door partijen af te spreken, met veroordeling van de moeder om toestemming te geven dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven als leerling van de [basisschool 1] te [plaats 5] , met dien verstande dat de ten deze af te geven beschikking treedt in de plaats van deze toestemming van de moeder wanneer Zij deze niet binnen 8 dagen na afgifte van de beschikking heeft gegeven;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
moeder vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , te verhuizen naar [plaats 6] in de gemeente [gemeente] (de huidige woonplaats) danwel gemeente [gemeente] ; subsidiair op een woonlocatie binnen een straal van 40 kilometer gemeten vanaf de woning van de ouders van moeder te [plaats 7] ; meer subsidiair: op een woonlocatie op maximaal 200 danwel 195 kilometer van [plaats 4] (woonplaats vader), gemeten via Google Maps danwel een afstand die de rechtbank in goede justitie juist acht;
te bepalen dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , zijn hoofdverblijfplaats heeft bij moeder;
te bepalen dat [de minderjarige] bij vader zal verblijven een weekend per veertien dagen van
vrijdag uit school tot zondagavond 18.00 uur, waarbij moeder op vrijdag uit school naar [plaats 8] brengt en zondags [de minderjarige] bij vader in [plaats 4] ophaalt;
ten aanzien van de vakanties en feestdagen verzoekt moeder de rechtbank vast te stellen dat vader in de zomer vakantie vier weken aaneengesloten [de minderjarige] bij zich zal hebben en dat vader jaarlijks als eerste mag bepalen of hij de laatste of eerste vier weken van de zomervakantie wenst. Daarnaast zal [de minderjarige] elk jaar de voorjaarsvakantie bij vader zijn en dat de overige vakanties worden verdeeld conform het aangehechte schema (vide productie 33);
te bepalen dat aan moeder vervangende toestemming wordt verleend om [de minderjarige] ingeschreven te laten op de [basisschool 2] te [plaats 9] ( [provincie] ), dan wel haar vervangende toestemming geeft om [de minderjarige] in te schrijven op deze school;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de zaak met kenmerk C/09/704583 (voorlopige voorziening)
De vader verzoekt:
te bepalen dat de moeder terugverhuist naar [plaats 1] , althans naar een plaats en adres niet verder gelegen dan op afstand van 80 kilometer van de woning van de vader te [plaats 4] binnen 6 weken na de ten deze af te geven beschikking maar uiterlijk 15 september 2026, met veroordeling van de moeder tot betaling van een dwangsom van € 1.000, -- per dag dat de moeder met deze verhuizing in gebreke is;
Subsidiair: te bepalen dat [de minderjarige] voor de duur van de bodemprocedure wordt toevertrouwd aan de vader, met ingang van de ten deze af te geven beschikking voorlopige voorzieningen, met vaststelling van een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] van een weekeinde per 14 dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] brengt en de moeder [de minderjarige] terugbrengt, alsmede de helft van de (school)vakanties en de feestdagen zoals nader door partijen af te spreken, met veroordeling van de moeder om toestemming te geven dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven als leerling van de [basisschool 1] te [plaats 5] , met dien verstande dat de ten deze af te geven beschikking treedt in de plaats van deze toestemming van de moeder wanneer zij deze niet binnen 8 dagen na afgifte van de beschikking heeft gegeven;
Meer subsidiair en tevens: 3. de moeder dient terstond na afgifte van de ter zake dienende beschikking aan de vader mededeling te doen van het adres waar de moeder met [de minderjarige] feitelijk woonachtig is en verblijft, en van de adressen waar de moeder in de toekomst met [de minderjarige] zal verblijven, ook wanneer [de minderjarige] wordt toevertrouwd aan dan wel zijn hoofdverblijf heeft bij de vader en tussen de moeder en [de minderjarige] sprake is van een zorgregeling, bij gebreke waarvan de moeder een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de moeder met het verstrekken van het verblijfsadres in gebreke is;
met veroordeling van de moeder in de volledige proceskosten van de vader en de advocaatkosten die de vader sedert de aanvang van het dossier heeft moeten maken, nader op te geven door de vader althans nader op te maken bij staat;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Op de zitting heeft de vader zijn meer subsidiaire verzoek ingetrokken.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
te bepalen dat [de minderjarige] hangende de procedure en in de zorgtijd van moeder met haar in [provincie] mag verblijven;
de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, althans vader te veroordelen in de kosten van het geding;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure voorliggen, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Wel zal de rechtbank een beslissing nemen over de door de man verzochte veroordeling in de proceskosten van de moeder, nu dit verzoek niet in de bodemprocedure is gedaan.
Instemming verhuizing
Tussen partijen is in geschil of de moeder al dan niet met de toestemming van de vader met [de minderjarige] naar [plaats 6] in de [provincie] is verhuisd.
De vader verzoekt primair te bepalen dat de moeder terug moet verhuizen naar [plaats 1] , althans naar een plaats en adres niet verder gelegen dan op afstand van 80 kilometer van de woning van de vader te [plaats 4] . Hij heeft niet ingestemd met de verhuizing naar [provincie] en deze verhuizing is ook niet in het belang van [de minderjarige] en de vader.
De moeder voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat de vader op 9 december 2025 telefonisch nadrukkelijk en zonder voorbehoud zijn toestemming heeft gegeven voor de verhuizing met [de minderjarige] naar [provincie] . In het geval de rechtbank hier anders over oordeelt, verzoekt zij haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overeenkomsten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex). Bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf zijn niet alleen de bewoordingen van een overeenkomst van belang, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarnaast heeft een overeenkomst niet alleen de gevolgen die partijen hebben afgesproken, maar ook de gevolgen die naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid volgen (artikel 6:248 lid 1 BW). Dit brengt mee dat bij de redelijke uitleg van een overeenkomst over minderjarigen ook de belangen van de kinderen moeten worden betrokken.
De rechtbank stelt vast, op basis van wat partijen hebben aangevoerd, dat op 9 december 2025 een viergesprek tussen de partijen en hun advocaten heeft plaatsgevonden in Wadenoijen, dat de vader dit viergesprek vroegtijdig heeft verlaten en dat partijen die middag vanaf 14:47 uur telefonisch met elkaar hebben gesproken. Volgens de moeder heeft de vader in dit gesprek gezegd dat hij in kan stemmen met de verhuizing naar [provincie] . Hieruit heeft zij begrepen dat hij onvoorwaardelijk en onherroepelijk daarmee heeft ingestemd. De vader betwist dat hij tijdens dit telefoongesprek, of op enig ander moment, heeft ingestemd met de verhuizing. Hij heeft hier enkel over willen praten en mee willen denken met de moeder, maar zou pas zijn toestemming geven als alle afspraken in een nieuw ondertekend ouderschapsplan vast lagen. Het gesprek is niet opgenomen, dus gelet op de stellingen van partijen kan de rechtbank niet vaststellen wat precies door de partijen over en weer is gezegd. Het ‘steunbewijs’ dat de moeder voor haar standpunt omtrent de gebruikte bewoordingen heeft aangevoerd, te weten een bericht van moeder aan vader van 14 december 2025, en een beweerdelijk akkoord van de vader op het voorstel voor een kinderopvang in [provincie] , biedt voor de stellingen van moeder onvoldoende houvast.
Tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat partijen zeer moeizaam met elkaar communiceren. De vader heeft hierover onder andere gezegd dat de ouders vastlopen in de communicatie en dat zij elkaar niet begrijpen. De moeder heeft aangegeven dat zij is opgevoed met taal en de vader met acties, en dat het lastiger wordt als zij de taal letterlijk neemt. Voor de rechtbank is duidelijk geworden dat partijen elkaars taal niet spreken. Gelet op het voorgaande is het naar oordeel van de rechtbank goed mogelijk dat in genoemd telefoongesprek sprake is geweest van (gedeeltelijke) miscommunicatie. Zelfs gesteld dat de door de moeder gestelde woorden zijn gebruikt, dan kon de moeder naar oordeel van de rechtbank, gelet op de – haar kennelijk bekende – moeizame communicatie met de vader, er niet zonder meer op vertrouwen dat vader in dit telefoongesprek hetzelfde bedoelde als zij. Het had voor de hand gelegen dat zij, ook gezien de betrokkenheid van de advocaten aan beide kanten, had gevraagd aan de vader om zijn toestemming voor de verhuizing met [de minderjarige] naar [provincie] onvoorwaardelijk en onherroepelijk via de mail te (laten) bevestigen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat van instemming van de vader voor de verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar [plaats 6] geen sprake was. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor de verhuizing zal dienen te beoordelen.
Vervangende toestemming verhuizing / terugverhuizing
De moeder verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [plaats 6] te verhuizen, subsidiair op een woonlocatie binnen een straal van 40 kilometer gemeten vanaf de woning van de ouders van moeder te [plaats 7] ; meer subsidiair: op een woonlocatie op maximaal 200 danwel 195 kilometer van [plaats 4] (woonplaats vader), gemeten via Google Maps. De verhuizing heeft feitelijk al plaatsgevonden.
De vader voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat de moeder terug moet verhuizen.
Juridisch kader
Als de ouders het niet eens worden over (de toestemming voor) een verhuizing, kan dit geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voorgelegd aan de rechter. De rechtbank zal, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5901), bij haar beoordeling alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen. Hoewel het belang van de kinderen een overweging van eerste orde is, neemt dat niet weg dat – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank zal alle belangen moeten afwegen. Dat zijn onder meer:
het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
de noodzaak om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
de extra kosten van het contact na de verhuizing.
Een beoordeling betekent niet dat alle stappen moeten worden doorlopen; slechts die criteria die relevant zijn bij de beoordeling van in een voorliggende situatie aanwezige feiten en omstandigheden worden door de rechtbank in aanmerking genomen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de ouders samen belast zijn met het gezag over [de minderjarige] maakt dat de moeder voor het veranderen van de woonplaats van [de minderjarige] toestemming van de vader nodig heeft.
Alle belangen tegen elkaar afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat de moeder toestemming krijgt voor de verhuizing met [de minderjarige] naar [plaats 6] in [provincie] .
De rechtbank overweegt dat de moeder de noodzaak tot verhuizen onvoldoende heeft onderbouwd. De moeder heeft twee zusjes die in de regio van haar ouders wonen met hun gezin en zij ook betrokken zijn bij het familiebedrijf. Niet is vast komen te staan waarom het juist de moeder is die de aangewezen persoon is om te helpen met de mantelzorg, het verrichten van de werkzaamheden op de boerderij en het runnen van het boerenbedrijf. De rechtbank is van oordeel dat veel taken die komen kijken bij het bedrijf ook op afstand kunnen worden uitgeoefend. Dat de moeder met [de minderjarige] naar [provincie] is vertrokken en samen is gaan wonen met haar nieuwe partner is meer een ‘aangeklede wens’ dan een noodzaak. Naar het oordeel van de rechtbank is er kortom geen echte noodzaak voor de verhuizing.
De rechtbank overweegt dat de moeder de verhuizing wel heeft doordacht en voorbereid. Zij heeft haar verhuiswens tijdig kenbaar gemaakt bij de vader. Zij is op zoek gegaan naar een school met een continue-rooster, zodat de vader [de minderjarige] op vrijdagen tijdig kan ophalen. De vader heeft geen toestemming gegeven voor de inschrijving van [de minderjarige] bij de school, maar wel voor de inschrijving van [de minderjarige] voor de opvang. Inmiddels is [de minderjarige] ook al gestart op de school. Door de verhuizing verandert de frequentie van de zorgregeling niet. De duur zal wel gewijzigd moeten worden, nu [de minderjarige] vanaf dit schooljaar naar school gaat en een regeling vanaf de donderdagavond bij de vader niet langer uitvoerbaar is. De moeder heeft voor de inperking van de zorgregeling voldoende compensatie geboden. Zo heeft zij voorgesteld dat [de minderjarige] een groter deel van de vakanties bij de vader zal doorbrengen, zij het grootste deel van het rijden van het halen / brengen voor haar rekening neemt en hoeft de man niet langer een kinderalimentatie te voldoen om hem te compenseren voor de benzinekosten.
De rechtbank acht een verhuizing van de moeder met [de minderjarige] ondanks het ontbreken van een noodzaak, in het belang van [de minderjarige] . De verhuizing is inmiddels een feit en [de minderjarige] gaat ook inmiddels naar school. [de minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel tijd doorgebracht in [provincie] en is daar geworteld. Hij kent de omgeving en zat daar ook al op de opvang. Bovendien zou de door partijen afgesproken weekendregeling vanaf donderdagavond ook lastig uitvoerbaar zijn indien de moeder in [plaats 1] / [plaats 3] zou zijn blijven wonen, gezien de vader op afstand woont. De vader heeft aangevoerd dat hij bij zijn dochter in de regio kon overnachten vanaf donderdagavond als [de minderjarige] naar school zou gaan, maar heeft geen stukken ter onderbouwing van deze stelling ingediend.
Wijziging hoofdverblijfplaats
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (één van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is niet gelukt om tot een vergelijk tussen de ouders te komen, zodat de rechtbank een zodanige beslissing zal nemen als haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
De vader verzoekt om wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] naar hem wanneer de moeder niet vóór 15 september 2026 is terugverhuisd naar [plaats 1] althans naar een woning binnen een straal van 80 kilometer van [plaats 4] .
De moeder voert verweer. Tevens verzoekt zij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen.
Het verzoek van de moeder om haar toestemming te verlenen voor de verhuizing wordt toegewezen, zodat de rechtbank aan dit oordeel niet toe komt. [de minderjarige] staat al bij de moeder ingeschreven. De rechtbank acht het bovendien niet in het belang van [de minderjarige] om de huidige situatie volledig om te draaien door het hoofdverblijf bij de vader te bepalen.
Wijziging zorgregeling
Op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank onder meer op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang of een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Sinds de vaststelling van de zorgregeling in het ouderschapsplan van 1 juni 2023 hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan. Zo is de moeder met [de minderjarige] naar [provincie] verhuisd, waar zij thans met hem verblijft en zij ook toestemming voor heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van gewijzigde omstandigheden, waardoor een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met de ouders gesproken over de huidige situatie. Duidelijk is dat het niet mogelijk is om uitvoering te blijven geven aan de regeling die nu tussen de ouders is afgesproken. [de minderjarige] gaat vanaf dit schooljaar naar school en zijn vader woont op dusdanige afstand dat het niet mogelijk is dat vader hem op donderdagmiddag ophaalt, dan vrijdag weer naar schoolt brengt en hem daar vervolgens weer ophaalt om het weekend met hem door te brengen.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen, waarbij [de minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond bij zijn vader is. De moeder brengt hem op vrijdag uit school naar [plaats 8] en op zondag haalt zij [de minderjarige] op in [plaats 4] . Dit betekent dat de eerder afgesproken regeling wordt ingeperkt, waarvoor compensatie zal worden geboden. De moeder heeft hiertoe een voorstel gedaan. De vader heeft daar geen eigen verzoek tegenover gesteld, zodat het verzoek van de moeder wordt toegewezen.
Inschrijving basisschool
De uit- en inschrijving van kinderen op scholen betreft ook de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zodat het geschil hierover ook op grond van artikel 1:253a BW aan de rechtbank kan worden voorgelegd en de rechtbank ook hierover de beslissing zal nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Nu aan de moeder vervangende toestemming is verleend voor de verhuizing en [de minderjarige] al staat ingeschreven op de [basisschool 2] in [plaats 9] , zal de rechtbank dit verzoek afwijzen. De moeder heeft immers geen belang meer bij een beslissing op dit onderdeel.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
In de zaak met kenmerk C/09/704583:
wijst de verzoeken van de vader af;
wijst de verzoeken van de moeder af;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de zaak met kenmerk C/09/704572:
verleent de moeder toestemming om met [de minderjarige] naar [plaats 6] te verhuizen;
wijzigt artikel 3.1 en 3.2. van het ouderschapsplan in die zin, dat [de minderjarige] bij vader zal verblijven een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18.00 uur, waarbij moeder op vrijdag uit school naar [plaats 8] brengt waar de vader hem ophaalt en de moeder op zondagen [de minderjarige] bij vader in [plaats 4] ophaalt;
wijzigt artikel 3.1. van het ouderschapsplan in die zin, dat de vakanties en feestdagen als volgt tussen partijen worden verdeeld:
-
voorjaarsvakantie: [de minderjarige] is jaarlijks de gehele vakantie bij de vader;
-
meivakantie: in de even jaren is [de minderjarige] bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
-
zomervakantie: [de minderjarige] is vier weken aaneengesloten bij de vader. De andere twee weken is [de minderjarige] bij de moeder. De vader mag jaarlijks vóór 1 maart van dat jaar als eerste bepalen of hij de eerste of laatste vier weken van de zomervakantie wenst;
-
herfstvakantie: in de even jaren is [de minderjarige] bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
-
kerstvakantie: in de oneven jaren is [de minderjarige] in de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de even jaren is [de minderjarige] in de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
-
een eventuele extra vakantie wordt in overleg tussen de ouders verdeeld;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2026.