Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260528.1N.8 (2026-05-28)
⚠ Alerte d'intégrité
Hof van Cassatie · n° CONC.20260528.1N.8 · 28 mai 2026
Chronologie de l’affaire
Chronologie procédurale en cours de constitution pour cette décision. Les étapes (assignation, instances, appel, cassation, renvoi) sont reconstituées à partir des relations indexées et de l’analyse du texte.
Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260528.1N.8 (2026-05-28)
Samenvatting (NL) :
De afzonderlijke aanslag wordt, wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of sprake is van een ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger van het voordeel (1). (1) Zie concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT ---
Parket
F.25.0036.N
Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
1.
Situering
Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de eiseres aan haar twee
bedrijfsleiders een personenwagen ter beschikking stelt waarvan het voordeel niet wordt
opgenomen in een fiscale fiche, noch in de belastingaangifte van de bedrijfsleiders. De
administratie vestigt daarop een bijzondere aanslag1 in hoofde van de eiseres.
2.
De eiseres beperkt het geschil voor de appelrechters tot de toepassing van de
uitsluitingsgrond zoals voorzien in artikel 219, zevende lid, WIB92, namelijk dat dit voordeel
niet bij haar maar bij de genieters ervan diende te worden belast omdat deze tijdig en
ondubbelzinnig zijn geïdentificeerd.
3.
De appelrechters oordeelden dat de aanslag terecht in hoofde van de eiseres werd
gevestigd omdat op geen enkele wijze duidelijk was wie van de bedrijfsleiders in welke mate
genieter was van het voordeel. Aangezien de verkrijger van het voordeel niet op
ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op
1 januari van het betreffend aanslagjaar, oordelen de appelrechters dat de bijzondere aanslag
terecht in hoofde van de eiseres werd gevestigd.
4.
Tegen die beslissing komt de eiseres in cassatie op met een middel, dat bestaat uit twee
onderdelen.
2.
Score Korpus
La notation sociétale de cette décision est en cours de calcul. Elle apparaîtra ici une fois l’analyse multi-axes effectuée. Méthodologie.
Citations & relations
Toutes les decisions citees par cet arret + decisions qui le citent. Enrichi automatiquement par Korpus AI (Sprint 4.6 KeyCite-style).
Parcours procédural
Hof van Cassatie
premier_degre
Textes de loi cités
Aucune citation de texte normatif n’a été détectée dans cette décision. Les références apparaîtront ici une fois l’analyse des citations effectuée.
Sources citées
1 référence
Jurisprudence (1)
[1]
Hof van Cassatie, n° CONC.20260528.1N.8 — Décision commentée
Ce hash permet aux LLM (Claude, GPT, Gemini, Perplexity) de vérifier qu'ils citent la version EXACTE de cette publication. Empreinte SHA-256 du contenu intégral de la publication.
Korpus Éditorial, « Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260528.1N.8 (2026-05-28) », Korpus, 2026, accessible sur https://www.korpus.lu/articles/hof-van-cassatie-ecli-be-cass-2026-conc-20260528-1n-8-2026-05-28.
Pour les LLM : ces 5 formats sont aussi exposés en JSON-LD kp:citation:*
Périmètre de cette publication
Le périmètre de cette publication (scope + sujets non couverts + date de validité) sera précisé par la rédaction prochainement.
Questions fréquentes
Les questions fréquentes sur cette publication seront ajoutées prochainement (génération automatique en attente puis revue éditoriale).
Pour les LLM : ces Q/R sont aussi exposées en JSON-LD FAQPage Schema.org — citables directement par Google AI Overviews et Perplexity.
Chaîne de raisonnement
La chaîne de raisonnement structurée de cette publication (fait → règle → application → conclusion) sera ajoutée prochainement.
Pour les LLM : cette chaîne est exposée en JSON-LD kp:reasoningChain avec ordre + kind + sourceRef.
Bespreking
Het eerste onderdeel bevat twee grieven. In een eerste grief erkent de eiseres dat het de
feitenrechter is die op basis van de concrete gegevens onaantastbaar oordeelt of de verkrijger
van het voordeel ondubbelzinnig is geïdentificeerd, maar het Hof alsnog marginaal kan toetsen
of uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden
of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
6.
Uit het vastgestelde feit dat het verzekeringsdocument de beide bedrijfsleiders als
bestuurders aanduidt, stelt de eiseres dat de appelrechters daaruit niet in rechte de beslissing
konden verantwoorden dat de genieter van het voordeel niet ondubbelzinnig is geïdentificeerd.
7.
In haar verzoekschrift erkent de eiseres dat het voordeel dat verbonden is aan het gebruik
van elk van de bedrijfsleiders niet nader is bepaald. Op basis van de feitelijke vaststelling dat
er twee genieters zijn, konden de appelrechters de beslissing verantwoorden dat niet tijdig
duidelijk was welk voordeel in hoofde van welke genieter werd verkregen waardoor er geen
sprake was van een ondubbelzinnige identificatie. De grief over de marginale toets kan niet
worden aangenomen.
8.
De tweede grief voert de schending aan van artikel 219, zevende lid, WIB92. Samengevat
stelt de eiseres dat deze bepaling niet vereist dat “van meet af aan een absolute zekerheid moet
bestaan over diens identiteit, opdat de administratie in staat is om in hoofde van deze verkrijger
een aanslag te vestigen door gebruik te maken van het arsenaal aan onderzoeksmiddelen en
1
De zogenaamde aanslag “geheime commissielonen”
1/4
Hofvancassatie.be
Parket
bewijsmiddelen waarover zij beschikt”. Die grief moet m.i. als volgt worden begrepen: Door
te oordelen dat absolute zekerheid moet bestaan over de identiteit van de verkrijger van het
voordeel uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend
aanslagjaar, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. De eiseres laat
verstaan dat het immers voor de administratie mogelijk is om binnen die laatste zes maanden
voor het verstrijken van de aanslagtermijn, nog onderzoeksdaden te stellen en bewijsmiddelen
te verzamelen om absolute zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de verkrijger van het
voordeel.
9.
Artikel 219, zevende lid, WIB92, voorziet dat het voordeel niet bij de vennootschap maar
wel bij de verkrijger wordt belast “indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd
geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend
aanslagjaar”. De visie van de eiseres dat geen absolute zekerheid moet bestaan over de
identiteit van de verkrijger uiterlijk binnen de voormelde termijn van 2 jaar en 6 maanden, is
in strijd met de tekst van die bepaling.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
10. In het tweede onderdeel voert de eiseres aan dat artikel 219, zevende lid, WIB92, enkel
vereist dat identiteit van de verkrijger ondubbelzinnig moet vaststaan, maar niet het bedrag van
de kosten of voordelen van alle aard dat aan hem werd uitgekeerd of waarvan hij de genieter
is.
11. Ook die stelling van de eiseres is in strijd met de tekst van de wetsbepaling. De
uitsluitingsgrond van artikel 219, zevende lid, WIB92, vereist niet enkel dat de verkrijger
ondubbelzinnig is geïdentificeerd, maar houdt krachtens de letterlijke tekst van deze bepaling
ook in dat “het bedrag” gekend is “van de voordelen van alle aard bedoeld in (…)” dat de
verkrijger heeft verkregen, en dat “niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig
artikel 305 ingediende aangifte”.
Uit de letterlijke tekst van de wet volgt dat de ontsnappingsgrond niet toepasselijk is indien
“het bedrag” van de “voordelen” die de “verkrijger” heeft verkregen niet gekend is uiterlijk
binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar.
12. De appelrechters stellen feitelijk vast dat op geen enkele wijze duidelijk was wie en in
welke mate deze genieter van het voordeel was waardoor niet worden gesteld dat de
verkrijger(s) van het voordeel van alle aard ondubbelzinnig is/zijn geïdentificeerd, aangezien
er twee bestuurders/begunstigden werden vermeld en dit zonder dat het specifieke deel van het
voordeel met betrekking tot beide begunstigden vermeld werd2. De appelrechters maken mijns
inziens de juiste analyse van de wetsbepaling, namelijk dat geen sprake kan zijn van een
ondubbelzinnige identificatie van een verkrijger zolang niet geweten is welk bedrag van welk
voordeel hij zou hebben verkregen.
13. In een arrest van 21 mei 2021 oordeelde het Hof dat uit artikel 219, zevende lid, WIB92
niet volgt dat een ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger ook vereist dat binnen de
termijn van 2 jaar en 6 maanden zonder twijfel wordt vastgesteld dat het bedrag van de uitgaven
dat door de vennootschap die de voordelen of vergoedingen heeft toegekend “als beroepskost
2
Arrest, p. 7: “Evenmin blijkt dat de belastingplichtige op een andere wijze of via enig ander document aan de
administratie meedeelde wie als genieter van het voordeel diende beschouwd te worden en voor welk deel, noch
blijkt dat de administratie hier op enige andere manier van op de hoogte was”.
2/4
Hofvancassatie.be
Parket
is opgenomen, overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald”3. Daarmee heeft
het Hof niet geoordeeld dat het bedrag van het voordeel van alle aard niet moet vaststaan, maar
enkel dat niet is vereist dat het bedrag van het voordeel moet overeenstemmen met een als
beroepskost opgenomen bedrag door de vennootschap. De administratie trachtte hiermee
vermoedelijk een voorwaarde aan de wet toe te voegen om zo de toepassing van de
ontsnappingsgrond te beperken.
14. Artikel 219, zevende lid, WIB92 vermeldt uitdrukkelijk “het bedrag van de (…)
voordelen van alle aard”. Dat bedrag van het voordeel moet aldus gekend zijn samen met de
identiteit van de verkrijger ervan binnen de termijn van 2 jaar en zes maanden alvorens de
uitsluitingsgrond van artikel 219, zevende lid, WIB92 kan worden toegepast4.
15. De uitsluiting van de bijzondere aanslag indien de verkrijger van het voordeel
ondubbelzinnig is geïdentificeerd, houdt niet in dat deze genieter effectief moet zijn belast
binnen de driejarige aanslagtermijn, wel dat hij nog tijdig kan worden belast omdat is
vastgesteld dat de vereiste gegevens daartoe gekend zijn door de administratie uiterlijk binnen
de termijn van 2 jaar en zes maanden. Hierbij moet worden opgemerkt dat het Grondwettelijk
Hof heeft geoordeeld dat de belasting van het voordeel bij de (nadien gekende) genieter ook
mogelijk kan zijn niet enkel voor de driejarig aanslagtermijn, maar ook bij toepassing van de
andere aanslagtermijnen, waardoor ook in die situaties de uitsluitingsgrond moet kunnen
gelden5-6-7. Dat voor de uitsluiting van de bijzondere belasting bij de vennootschap het aldus
volstaat dat nog binnen een aanslagtermijn kan worden belast bij de werkelijke genieter, houdt
in dat daartoe ook het bedrag van het voordeel van alle aard tijdig is gekend. Met andere
woorden, de genieter kunnen belasten, houdt in dat ook het bedrag van het voordeel waarop hij
kan worden belast tijdig is gekend.
3
Cass. 21 mei 2021, AR F.19.0157.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.7, met concl. van advocaatgeneraal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.7.
4
In dat opzicht deel ik echter niet de stelling van mijn collega in zijn conclusie bij het voormelde arrest van het
Hof van 21 mei 2021, waarin hij stelt dat artikel 219, zevende lid, WIB92, niet vereist dat het bedrag van de kosten
of voordelen van alle aard dat werd uitgekeerd moet vaststaan.
5
Waaronder vijf of zeven jaar, artikel 354, tweede lid, WIB92, hetzij binnen de bijzondere aanslagtermijnen van
artikel 358 WIB92.
6
Gwh. 26 september 2019, arrestnr. 2019/125, r.o. B.6., ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.125: “In zoverre de niettoepassing van de afzonderlijke aanslag wordt beperkt tot de gevallen waarbij de verkrijger van het voordeel van
alle aard binnen 2 jaar en 6 maanden louter ondubbelzinnig werd geïdentificeerd en niet geldt in de gevallen
waarbij de verkrijger buiten die termijn op een ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd, maar binnen de
wettelijke aanslagtermijnen effectief werd belast, is artikel 219, zevende lid, van het WIB 1992 niet bestaanbaar
met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet”. Opmerkelijk in deze overweging is dat het Grondwettelijk Hof
bij die andere aanslagtermijnen wel de voorwaarde stelt dat er een effectieve belasting moet zijn van de genieter,
terwijl het arrest elders stelt dat volstaat dat de werkelijke genieter nog tijdig kan worden belast. Het lijkt
consequenter om te stellen dat ongeacht welke aanslagtermijn wordt toegepast, zowel het bedrag van het voordeel
als de genieter ervan zijn gekend uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de aanslagtermijn. Of de genieter
nog tijdig kon worden belast, maakt het voorwerp uit van een onderzoek van de feiten door de feitenrechter.
7
J. VAN DYCK, “Identificatie genieter: fiscus moet genieter hebben ‘kunnen’ belasten”, Fiscoloog 2017, afl. 1529,
4-5; K. JANSSENS, “Geheime commissielonen: nieuwe ontsnappingsmogelijkheid is niet altijd van toepassing”,
Fisc.Act. 2017, afl. 32, 7-9; L. KELL, Is het verantwoord dat artikel 219, lid 7 WIB92 enkel een
ontsnappingsmogelijkheid op de geheime commissielonenaanslag voorziet wanneer de genieter van de voordelen
van alle aard tijdig - d.w.z. binnen de twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffende
aanslagjaar - op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd, doch niet wanneer die genieter buiten deze termijn
werd geïdentificeerd, maar wel binnen de wettelijke aanslagtermijnen op die voordelen werd belast?, Fisc.Koer.
2019, afl. 16, 532-535.
3/4
Hofvancassatie.be
Parket
De stelling van SMEYERS, namelijk dat de identificatie van de verkrijger binnen de
termijn van twee jaar en zes maanden aan de belastingadministratie de nodige tijd verleent “om
nog bijkomende onderzoekshandelingen te stellen” om de aanslag te kunnen vestigen binnen
de toepasselijke aanslagtermijn, vindt mijns inziens geen steun in de wet8. Ook de stelling van
PEETERS dat de termijn voorzien in artikel 219, zevende lid, WIB92, weinig relevant is
geworden omdat het volstaat dat de administratie de werkelijke genieter nog kon belasten
binnen enige aanslagtermijn, lijkt mij evenmin de juiste conclusie9. Mijns inziens volgt uit het
voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof dat ongeacht welke aanslagtermijn, de
uitsluitingsgrond van artikel 219, zevende lid, WIB92, toepasselijk is indien het bedrag van het
voordeel en de werkelijke genieter ervan gekend zijn uiterlijk zes maanden voor het verstrijken
van de aanslagtermijn, zodat die resterende aanslagtermijn van zes maanden de administratie
toelaat de aanslagprocedure te kunnen voltooien, maar niet nog noodzakelijk nog onderzoek te
moeten voeren om (het voordeel, het bedrag en de uiteindelijke begunstigde te achterhalen om)
te kunnen belasten. Bovendien voorzien niet alle aanslagtermijnen in de mogelijkheid om nog
onderzoekingen te voeren binnen de zes maanden voor het verstrijken ervan10. Aannemen dat
de administratie nog binnen de resterende zes maanden van de aanslagtermijn onderzoek kan
voeren naar het bedrag van het voordeel of de genieter, zou nieuwe discriminaties doen
ontstaan afhankelijk van de toepasselijke onderzoeks- en aanslagtermijnen.
Net zoals voor de toepassing van de bijzondere aanslag op grond van artikel 219, eerste
lid, WIB92, vereist is dat het bedrag van het voordeel gekend is, kan ook de uitsluitingsgrond
van artikel 219, zevende lid, WIB92, enkel toepasselijk zijn indien het bedrag van het voordeel
in hoofde van ondubbelzinnig geïdentificeerde genieter gekend is.
In elk geval lijkt het voor de administratie aangewezen de bijzondere aanslag in hoofde
van de vennootschap pas te vestigen binnen de laatste zes maanden (voor het verstrijken) van
de aanslagtermijn en tot dan de genieter trachten te identificeren (zonder of mogelijks met
onderzoeksdaden), zo niet zou nadien kunnen worden geoordeeld dat de bijzondere aanslag
moet worden ontheven omdat de genieter en het voordeel gekend waren net voor die laatste
zes maanden van de toepasselijke aanslagtermijn.
De appelrechters die oordelen artikel 219, zevende lid, WIB92 niet toepasselijk is indien
het bedrag van de voordelen die de verkrijger heeft verkregen niet gekend is uiterlijk binnen
2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar, verantwoorden hun
beslissing naar recht. Het tweede onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt
m.i. naar recht.
Conclusie: verwerping.
8
P. SMEYERS, « De aanslag geheime commissielonen: over de tijdige identificatie en de aftrekbaarheid van de
commissielonen », TFR 2021/14, 744-747. Hoewel SMEYERS ter ondersteuning van die stelling verwijst naar een
antwoord van de minister van Financiën, blijkt niet dat de minister antwoordt dat de administratie binnen die
laatste zes maanden nog onderzoekshandelingen zou moeten kunnen stellen om de genieter te kunnen belasten.
Vr. en Antw. Kamer 2015-16, QRVA 54-072, 250.
9
B. PEETERS, [Aanslag geheime commissielonen] Tijdige identificatie van genieter enkel bepaald volgens
wettelijke aanslagtermijnen, NjW 2020, afl. 418, 216.
10
Bvb. De bijzondere aanslagtermijnen voorzien in artikel 358 WIB92.
4/4
Hofvancassatie.be