Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260922.2N.2 (2026-09-22)
⚠ Alerte d'intégrité
Hof van Cassatie · n° CONC.20260922.2N.2 · 22 septembre 2026
Chronologie de l’affaire
Chronologie procédurale en cours de constitution pour cette décision. Les étapes (assignation, instances, appel, cassation, renvoi) sont reconstituées à partir des relations indexées et de l’analyse du texte.
Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260922.2N.2 (2026-09-22)
Samenvatting (NL) :
De schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of een wanbedrijf in de zin van de artikelen 66 en 67 oud Strafwetboek vereist het bewijs van het feit dat de deelnemer op een wijze zoals omschreven in een van die artikelen zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was, dat hij wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen; strafbare deelneming kan dan ook niet wettig worden afgeleid uit de enkele nalatigheid (1). (1) Zie gelijkluidende concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT ---
P.25.1690.N
Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:
Inhoud van het bestreden arrest
Eiser wordt vervolgd als dader of als mededader wegens verschillende inbreuken op de
wetgeving inzake douane en accijnzen, die verband houden met een grootscheepse handel in
namaaksigaretten op 16 juni 2023. In de rechtstreekse dagvaarding is de hoedanigheid van eiser
vermeld als “dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende”.
Het hof van beroep te Gent heeft in zijn arrest van 19 november 2025 de schuldigverklaring
van eiser in eerste aanleg bevestigd en de in eerste aanleg opgelegde geldboete van 100.000.000
euro met gedeeltelijk uitstel voor de duur van drie jaar behouden, met dit verschil dat het uitstel
wordt toegekend voor een bedrag van 99.900.000 euro in plaats van 99.500.000 euro. De
effectief verschuldigde geldboete is bijgevolg teruggebracht van 500.000 euro tot 100.000
euro.
Het bestreden arrest stelt vast dat op camerabeelden aangetroffen in het magazijn gebruikt
voor de productie van namaaksigaretten te zien is dat machines werden verplaatst door
medebeklaagde Z. De medebeklaagde maakte daarbij gebruik van een VW Caddy,
ingeschreven op naam van eiser (blz. 18). Daarover verklaarde eiser dat hij op vraag van B.
(dit is een naam toegeschreven aan de medebeklaagde) de wagen op zijn naam liet inschrijven
en de verzekering regelde (blz. 18).
Het hof van beroep merkt op dat de registratieperiode van het voertuig naadloos aansluit bij de
duur van de illegale operatie en in de GSM van eiser het oproepnummer is opgeslagen van Z.
(blz. 18). Daaruit volgt volgens het arrest dat eiser ‘wetens en willens het noodzakelijke
transportmiddel ter beschikking stelde” (blz. 18) en “wetens en willens de criminele activiteiten
heeft gefaciliteerd”. Uit de vaststellingen blijkt dat “de ontkenningen van eiser
ongeloofwaardig zijn”, zodat het “materieel bestanddeel van de tenlasteleggingen” vaststaat.
Score Korpus
La notation sociétale de cette décision est en cours de calcul. Elle apparaîtra ici une fois l’analyse multi-axes effectuée. Méthodologie.
Citations & relations
Toutes les decisions citees par cet arret + decisions qui le citent. Enrichi automatiquement par Korpus AI (Sprint 4.6 KeyCite-style).
Parcours procédural
Hof van Cassatie
premier_degre
Textes de loi cités
Aucune citation de texte normatif n’a été détectée dans cette décision. Les références apparaîtront ici une fois l’analyse des citations effectuée.
Sources citées
1 référence
Jurisprudence (1)
[1]
Hof van Cassatie, n° CONC.20260922.2N.2 — Décision commentée
Ce hash permet aux LLM (Claude, GPT, Gemini, Perplexity) de vérifier qu'ils citent la version EXACTE de cette publication. Empreinte SHA-256 du contenu intégral de la publication.
Korpus Éditorial, « Hof van Cassatie — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260922.2N.2 (2026-09-22) », Korpus, 2026, accessible sur https://www.korpus.lu/articles/hof-van-cassatie-ecli-be-cass-2026-conc-20260922-2n-2-2026-09-22.
Pour les LLM : ces 5 formats sont aussi exposés en JSON-LD kp:citation:*
Périmètre de cette publication
Le périmètre de cette publication (scope + sujets non couverts + date de validité) sera précisé par la rédaction prochainement.
Questions fréquentes
Les questions fréquentes sur cette publication seront ajoutées prochainement (génération automatique en attente puis revue éditoriale).
Pour les LLM : ces Q/R sont aussi exposées en JSON-LD FAQPage Schema.org — citables directement par Google AI Overviews et Perplexity.
Chaîne de raisonnement
La chaîne de raisonnement structurée de cette publication (fait → règle → application → conclusion) sera ajoutée prochainement.
Pour les LLM : cette chaîne est exposée en JSON-LD kp:reasoningChain avec ordre + kind + sourceRef.
De appelrechters oordeelden verder dat “in hoofde van eiser ook het moreel element van de
voorliggende douanemisdrijven is bewezen” (blz. 27) en eiser zijn “onontbeerlijke
medewerking heeft verleend aan het scheppen en/of bevorderen van de voorliggende
douanemisdrijven en dat hij hierbij wist, minstens redelijkerwijze had moeten weten, dat zijn
handelen in het systeem van de illegale sigaretten en illegale versneden rooktabak kaderde,
terwijl hij niet aannemelijk maakt dat er in zijn hoofde sprake zou zijn geweest van overmacht
of onoverwinnelijke dwaling (blz. 27)”.
Het arrest oordeelt verder (blz. 24) dat eisers “handelingen pasten in een vooraf bestudeerd
plan” en hij “zijn deel heeft bijgebracht tot de uitvoering van dat plan”. Minstens heeft hij “bij
zijn handelen bewust een meer concrete kennis en opzet van de voorgenomen misdrijven
verzaakt, waardoor hij met kennis van zaken heeft willen bijdragen tot om het even welk
bepaald misdrijf”. Overigens heeft eiser door gedragingen “deelgenomen aan de voormelde
misdrijven, vermits hij zich bewust dient te zijn van de kans, de mogelijkheid of het risico dat
hij door zijn gedragingen heeft bijgedragen tot welbepaalde misdrijven, en dit gevolg a priori
heeft aanvaard”. Voor zoveel nodig heeft hij door “die gedragingen de fraude vergemakkelijkt
of toegelaten dat ze blijft voortbestaan” (blz. 24).
Tenslotte oordeelt het arrest dat het ‘eventueel opzet kan worden aanvaard als modaliteit van
het deelnemingsopzet’ (blz. 22), wat inhoudt dat de deelnemer al strafbaar is “als hij wetens en
willens een gedraging verricht zonder dat hij daarbij de bedoeling heeft door die gedraging
1/5
Hofvancassatie.be
Parket
deel te nemen aan een welbepaald misdrijf, maar waarbij hij zich bewust is van de kans, de
mogelijkheid of het risico dat hij door die gedraging bijdraagt tot een welbepaald misdrijf, en
dit gevolg a priori aanvaardt”. Het volstaat voor de schuldigverklaring vast te stellen dat men
het risico dat men deelneemt heeft aanvaard (blz. 23). Voorwaarde is dat de mededaderschap
niet wordt uitgebreid tot “iemand die niet alleen niet met zekerheid weet of er een misdrijf zal
worden gepleegd, maar ook niet weet welk misdrijf eventueel zou kunnen worden gepleegd”.
Verder mag er geen sprake zijn van onachtzaamheid in plaats van eventueel opzet. Het moet
vaststaan dat de mededader daadwerkelijk de mogelijkheid heeft voorzien dat hij deelneemt en
dit a priori heeft aanvaard. De situatie dat de deelnemer deze mogelijkheid had kunnen en
moeten voorzien volstaat niet1 (blz. 23).
2) Het deelnemingsopzet
7. Uit het bestreden arrest (blz. 19) kan worden afgeleid dat eiser is veroordeeld als mededader
aan de bewezenverklaarde misdrijven, wegens het verstrekken van noodzakelijke hulp (art. 66,
lid 3 Oud Strafwetboek). Weliswaar geeft het arrest ook aan dat eiser handelingen stelde die de
criminele activiteiten van medebeklaagde Z. hebben ‘gefaciliteerd’ (blz. 18) of dat hij door die
handelingen de fraude heeft “vergemakkelijkt of toegelaten dat de fraude blijft voortbestaan”
(blz. 24). Deze beschouwingen zouden kunnen worden opgevat als het vergemakkelijken van
het misdrijf zonder de noodzakelijke hulp te leveren, als vorm van medeplichtigheid (art. 67,
vierde lid, Oud Sw.).
8. Eén van de componenten van strafbare deelneming is het deelnemingsopzet. Volgens vaste
rechtspraak moet het bewezen zijn dat de deelnemer op een specifieke wijze (zoals omschreven
in de artt. 66 of 67 Oud Sw.) zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een
bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was. De vonnisrechter moet dus vaststellen dat
de deelnemer wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat
hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen2.
9. De vonnisrechter oordeelt onaantastbaar of de als mededader vervolgde beklaagde handelde
met het vereiste deelnemingsopzet en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen
1
Met verwijzing op deze punten naar J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 455-456.
Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11, met concl. van advocaatgeneraal
D.
SCHOETERS.
Zie
ook
Cass.
2
december
2025,
AR
P.25.0776.N,
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.13, NC 2026, 289; Cass. 25 november 2025, AR P.25.0711.N,
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.7;
Cass.
26
september
2023,
AR
P.23.0586.N,
ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.1;
Cass.
15
november
2022,
AR
P.22.0952.N,
ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, RW 2023-24, 58 noot S. MELIS; Cass. 14 juni 2022, AR
P.22.0276.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1056.N,
ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7, RW 2022-23, 149 noot K. BEIRNAERT; Cass. 3 november 2020, AR
P.20.0672.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5; Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N, AC 2004, nr. 344;
J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 351-457; E. VAN DOOREN, “Douane & Accijnzen: moreel
element van het misdrijf”, in Comm. Straf. 2018, 12; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST,
Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 385-387; T. MOREAU en
D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 143-146; S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door
onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, 36-39; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, tome III,
Larcier, 2026, 278-306. Vanaf 1 september 2026 geldt art. 19 Strafwetboek (Wet 29 februari 2024), waarin het
deelnemingsopzet is omschreven als het “wetens en willens op betekenisvolle wijze bijdragen tot het misdrijf”,
onder meer door het vergemakkelijken van de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf.
2
2/5
Hofvancassatie.be
Parket
geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden
verantwoord3.
10. Hieruit volgt ten eerste dat het “moeten weten” dat een daad bijdroeg tot het misdrijf begaan
door de dader niet volstaat voor het deelnemingsopzet. Strafbare deelneming kan niet wettig
worden afgeleid uit de enkele nalatigheid van de betrokkene4. Een verregaande, grove
onachtzaamheid kan weliswaar een vermoeden inhouden van een deelnemingsopzet, maar is
nog geen bewijs van dergelijk opzet5.
11. Met de aangehaalde redenen over het “minstens redelijkerwijze had moeten weten” dat eiser
“zijn handelingen kaderden in een systeem van illegale sigaretten”, sluit het arrest naar mijn
mening niet uit dat eiser alleen door nalatigheid of lichtzinnigheid de noodzakelijke hulp
leverde aan de bewezenverklaarde feiten. Deze visie strookt niet met de vermelde beginselen
van deelnemingsopzet. Het feit dat in douanezaken “schuld door wetsinbreuk” in de regel
volstaat voor het plegen van het misdrijf zelf, neemt niet weg dat de deelnemer pas strafbaar is
als hij daadwerkelijk wist dat hij door zijn gedraging de noodzakelijke hulp verleende aan het
douanemisdrijf en hij vrijwillig tot het misdrijf bijdroeg6.
12. Ten tweede lijkt mij het arrest door zijn interpretatie van de leer van het eventueel
(deelnemings)opzet aan te geven dat risicoaanvaarding al zou volstaan voor strafbare
deelneming. Hierdoor wordt ten onrechte de drempel verlaagd van deelnemingsopzet naar een
vorm van onachtzaamheid.
Het ‘eventueel deelnemingsopzet’ is een constructie in de rechtsleer die erop neerkomt dat de
deelnemer strafbaar is als hij wetens en willens een gedraging stelde zonder dat hij daarbij de
bedoeling heeft door die gedraging deel te nemen aan een welbepaald misdrijf. Hij is zich wel
bewust van de kans, de mogelijkheid of het risico dat hij door die gedraging bijdraagt tot een
welbepaald misdrijf, waarbij hij gevolg op voorhand (a priori) aanvaardt7. Deze bredere
invulling van de strafbare deelneming lijkt mij geen steun te vinden in de rechtspraak van het
Hof.
3
Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N, AC 2016, nr. 342; Cass. 29 september 2015, AR P.15.1169.N, AC 2015, nr.
567; Cass. 29 november 2011, AR P.11.1250.N, AC 2011, nr. 656; Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N, AC 2004,
nr. 344; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 145.
4
Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 12 september
2006, AR P.06.0416.N, AC 2006, nr. 406; Cass. 28 september 2010, AR P.10.0099.N, AC 2010, nr. 554, met concl.
van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; F. ROGGEN, “La participation criminelle”, Droit pénal et procédure
pénale, Kluwer, 2017, 7-10; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 144;
S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, nr. 54; F. KUTY, Principes
généraux du droit pénal belge, tome III, Larcier, 2026.
5
Zie hierover S. VAN OVERBEKE, “Deelneming door onthouding” in Comm. Straf., Kluwer 2024, 38-39.
6
Over het verschil tussen het vereiste opzet van de dader aan de meeste douanemisdrijven (schuld door
wetsinbreuk) en de schuld van een deelnemer aan een douanemisdrijf, die aansluit op het deelnemingsopzet voor
een gemeenrechtelijk misdrijf, zie E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane en accijnsstrafrecht”, in
Actuele problemen van het fiscaal strafrecht (M. MAUS en M. ROZIE, eds.), Intersentia, 2011, 485-489; Concl.
van advocaat-generaal D. SCHOETERS in de zaak Cass. 3 februari 2026, AR P.25.1326.N
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11.
7
J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 451. Over het ontstaan, de betekenis en de draagwijdte
van de theorie van het eventueel deelnemingsopzet zie blz. 441-457 en verder J. VANHEULE, “Erkenning van het
eventueel deelnemingsopzet in het Belgisch strafrecht?”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De
Nauw, Kluwer, 2011, 899-906. Deze auteur stelt in zijn besluit (p.906) dat de erkenning van het eventueel
deelnemingsopzet door de rechtspraak tot de mogelijkheden behoort, zonder dat er daartoe een verplichting
bestaat.
3/5
Hofvancassatie.be
Parket
Het Hof nam reeds aan: “De wilsovereenstemming, onder haar tweevoudige aspect van
kennis en wil, moet betrekking hebben op een welbepaald misdrijf en niet op een willekeurig
misdrijf. Hoewel mededaders weet moeten hebben van het doel en de aard van de daad
waaraan ze hebben deelgenomen, vereist de wet echter niet dat zij op de hoogte moeten zijn
van alle details betreffende de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf om te kunnen
worden bestraft”8. De leer van het eventueel opzet staat op gespannen voet met de voorwaarde
van het wetens en willens handelen van de deelnemer dat is gericht op een “welbepaald
misdrijf” dat overeenstemt met het opzettelijk misdrijf begaan door de dader. Het gevaar van
deze leer is dat de kenniscomponent afzwakt tot het mogelijk door een derde te plegen
onbepaald hoofdmisdrijf en daarmee ook de vereiste wegvalt van een doelgericht handelen van
de deelnemer dat is afgestemd op het hoofdmisdrijf9. Op die manier vervaagt de grens tussen
het eventueel (of onrechtstreeks) opzet en de onachtzaamheid als moreel bestanddeel van het
misdrijf. Er is in de rechtsleer ook verdeeldheid over het kunnen voorzien van de ongewilde
gevolgen van het handelen, als onderdeel van het eventueel opzet. Moet de dader deze
ongewilde gevolgen goed hebben ingeschat en effectief hebben aanvaard, of volstaat het dat
hij die gevolgen er op de koop toe bijnam, vanuit een soort nonchalance, waardoor er al opzet
is bij het niet bij voorbaat uitsluiten van de gevolgen?10
Hierbij valt op te merken dat het nieuwe Strafwetboek (art. 7, § 2), van toepassing vanaf
1 september 2026, geen steunpunt vormt voor de leer van het eventuele opzet. De wetgever
was gekant tegen het eventueel opzet omdat dit concept over de aanvaarding van een
aanvankelijk ongewenst gevolg onnodige verwarring zaait en een te ruime invulling heeft aan
het algemeen opzet, wat indruist tegen de kernbeginselen van het strafrecht11. Voor toepassing
van art. 19 Sw. over strafbare deelneming, zoals van toepassing vanaf 1 september 2026, wordt
als vereiste aangenomen dat de deelnemer een bijdrage wil leveren aan een bepaald misdrijf,
zonder daarbij noodzakelijk kennis te hebben van de uitvoeringsmodaliteiten van dat misdrijf12.
Artikel 66, derde lid, Oud Sw. bestraft de beklaagde die wist dat hij noodzakelijke hulp
leverde aan een opzettelijk misdrijf en handelde met de bedoeling om deel te nemen aan dat
misdrijf, in overeenstemming met de dader13. Het enkele feit dat de handelingen van eiser in
cassatie (namelijk het inschrijven en laten verzekeren van de wagen op naam van de dader)
8
Cass. 18 mei 2022, AR P.22.0113.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220518.2F.3. Zie ook Cass. 26 september
2023, AR P.23.0586.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.1; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N,
ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, RW 2023-24, 58 noot S. MELIS; Cass. 14 juni 2022, AR
P.22.0276.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1056.N,
ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7, RW 2022-23, 149 noot K. BEIRNAERT; Cass. 18 september 2018, AR
P.17.1138.N, AC 2018, nr. 473, NC 2018, 599; Cass. 9 december 1986, AC 1986-87, 472, RW 1987-88, 856 noot
M. DE SWAEF.
9
B. SPRIET, “Het materieel en moreel bestanddeel van een strafbare deelneming aan diefstal”, RW 1994-95, 363;
J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 456.
10
Zie hierover C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in
hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 335.
11
Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, Parl. St. Kamer, Doc 55-337/001, 44 en Doc 55337/004, 255 en 276; J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe strafwetboek, die
Keure, 2024, 74-76; R. VERSTRAETEN, “Bedenkingen bij de (her)structurering in het nieuwe Strafwetboek van
het moreel bestanddeel van een misdrijf en de burgerrechtelijke gevolgen”, NC 2026, 6 en 16.
12
J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe strafwetboek, die Keure, 2024, 157-159;
T. VANDER BEKEN, Handboek strafrecht, Gompel&Svacina 2024, 211; F. KUTY, Précis de droit pénal.
Commentaire du livre Ier du Code pénal, Larcier, 2025, 392-393.
13
In die zin J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 447; C. VAN DEN WYNGAERT,
S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 385.
4/5
Hofvancassatie.be
Parket
voor de dader van accijnsfraude een noodzakelijke hulp inhielden, laten niet toe deze
handelingen op te vatten als strafbare deelneming.
16. Ook in hun overwegingen over het eventueel opzet sluiten de appelrechters m.i. niet uit dat
eiser handelde uit nalatigheid of naïviteit, zonder enige wilsovereenstemming met de dader van
het misdrijf14. Het feit dat de deelnemer zich bewust diende te zijn van de kans of het risico dat
zijn gedragingen bijdragen tot welbepaalde misdrijven, en dit gevolg op voorhand heeft
aanvaard (blz. 24), kan niet volstaan voor het vaststellen van het deelnemingsopzet. Ook op dit
punt lijkt mij het arrest niet naar recht verantwoord.
17. Het komt mij aangewezen voor een ambtshalve middel aan te voeren dat gesteund is op de
artikelen 66 en 67 Oud Strafwetboek. Dit middel sluit aan op het tweede middel van eiser, dat
stelt dat de appelrechters aan de hand van hun feitelijke vaststellingen en algemene
beschouwingen over mededaderschap niet konden oordelen dat eiser door zijn gedragingen
kon voorzien dat hij bijdroeg aan een bepaald misdrijf. Meer bepaald stelt het arrest volgens
eiser niet vast dat hij wist dat het door hem ingeschreven voertuig werd of zou worden gebruikt
voor de bewezenverklaarde misdrijven.
18. De (overige) grieven aangehaald in de memorie van eiser kunnen niet leiden tot een cassatie
zonder verwijzing van de zaak en behoeven aldus geen antwoord.
19. Ondergeschikt, indien het Hof meent dat de deelnemingsvorm omschreven in artikel 66,
derde lid, Oud Strafwetboek niet duidelijk is vastgesteld, omdat het bestreden arrest ook termen
gebruikt die wijzen op medeplichtigheid (art. 67 Oud Sw.), kan het arrest m.i. eveneens worden
verbroken op basis van een ambtshalve middel over een motiveringsgebrek15.
Conclusie: Cassatie met verwijzing van de zaak, behalve de beslissing over het toelaatbaar
hoger beroep van eiser.
14
Over het vereiste van wilsovereenstemming voor mededaderschap, ook in douanezaken zie E. VAN DOOREN,
“Douane & Accijnzen: moreel element van het misdrijf”, in Comm. Straf. 2018, 12.
15
Vb. Cass. 3 oktober 2023, AR P.23.0719.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.2: “Uit artikel 149
Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer aan een misdrijf, de
verplichting om in de bewoordingen van de artikelen 66 of 67 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de
deelnemingsvorm vast te stellen die hij bewezen acht”. Zie ook Cass. 25 april 2012, AR P.12.0125.F, AC 2012, nr.
254, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RABG 2013, 1039 noot
J. VANHEULE, T. Strafr. 2013, 299 noot B. MEGANCK.
5/5
Hofvancassatie.be