Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260611.1N.3 (2026-06-11)
⚠ Alerte d'intégrité
Cour de cassation · n° CONC.20260611.1N.3 · 11 juin 2026
Chronologie de l’affaire
Chronologie procédurale en cours de constitution pour cette décision. Les étapes (assignation, instances, appel, cassation, renvoi) sont reconstituées à partir des relations indexées et de l’analyse du texte.
Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260611.1N.3 (2026-06-11)
Sommaire (FR) :
Nog niet beschikbaar
Samenvatting (NL) :
Het antwoord op de vraag of de verjaring van de vordering van tenuitvoerlegging van een veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing behoort tot de “procedure tot tenuitvoerlegging” zoals bedoeld in artikel 41.1 Brussel Ibis Vo, en aldus wordt beoordeeld volgens het recht van de aangezochte lidstaat (lex fori), dan wel of de verjaring van deze zogenaamde actio judicati dient te worden beoordeeld volgens het recht van de lidstaat van herkomst (lex causae), noopt het Hof, overeenkomstig artikel 267 van het VWEU, tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet het begrip “procedure voor tenuitvoerlegging” van artikel 41.1 Brussel Ibis-Vo aldus worden uitgelegd dat het de verjaring van de vordering tot tenuitvoerlegging van een veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing (de zogenoemde actio judicati) omvat?” (1). (1) Zie concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT ---
C.24.0153.N
Conclusie advocaat generaal S. RAVYSE:
Situering.
Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiseres aan de verweerster een
machine verkocht voor een bedrag van 20.000 euro. Bij de levering zou de verweerster hebben
vastgesteld dat de machine defect was, waardoor de verweerster het betaalde voorschot van
14.000 euro terugvroeg en niet overging tot betaling van het saldo. Met toepassing van het
Hongaarse recht oordeelde de Arrondissementsrechtbank te Györ (Hongarije) op 27 januari
2016 dat de eiseres het voorschot van 14.000 euro diende terug te betalen en verweerster op
haar beurt de geleverde machine diende te restitueren. Op 12 april 2016 oordeelde diezelfde
rechtbank dat het vonnis van 27 januari 2016, op 1 april 2016 in kracht van gewijsde was
getreden. Op 3 mei 2017 werd door de Arrondissementsrechtbank te Györ een eerste
executoriale titel afgeleverd. Op 10 maart 2021 werd een certificaat afgeleverd overeenkomstig
artikel 53 van de zogenaamde Brussel I-bis Verordening (hierna “Brussel I-bis Vo.”)1.
Op 3 mei 2021 liet verweerster het vonnis en het certificaat in België aan de eiseres betekenen
met een bevel tot betalen. Vervolgens werd op 26 oktober 2021 aan de eiseres een exploot
inzake uitvoerend beslag op roerende goederen betekend.
Bij dagvaarding van 8 november 2021 tekende de eiseres bij de beslagrechter van de rechtbank
van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, verzet aan tegen het uitvoerend beslag, waarin
ze de vaststelling van de verjaring vorderde van de actio iudicati. Op 3 november 2022 wees
de eerste rechter de vordering af. Het bestreden arrest van 20 november 2023 verklaarde het
hoger beroep ongegrond.
De eiseres voert tegen dit arrest twee middelen aan.
Bespreking.
In het eerste middel voert de eiseres de schending aan van artikel 41, eerste lid van de
zogenaamde Brussel I-bis verordening aan (hierna “Brussel I-bis Vo.”)2. Volgens de eiseres
voorziet deze bepaling enkel dat het procesrecht toepasselijk is van de aangezochte staat, niet
dat de regels van de aangezochte staat toepasselijk zijn die het procesrecht te buiten gaan, zoals
de verjaring. Volgens eiseres geldt voor het bepalen van de verjaring van de rechtsvordering
tot tenuitvoerlegging van de veroordeling het toegepaste recht van herkomst, zijnde hier het
Hongaars recht.
Volgens het Belgisch recht is de verjaringstermijn van 10 jaar toepasselijk op grond van artikel
2262bis, § 1, eerste lid, oud BW, waardoor concreet de vordering tot tenuitvoerlegging van de
veroordeling in deze zaak nog niet is verjaard. Volgens de eiseres de Hongaarse
Score Korpus
La notation sociétale de cette décision est en cours de calcul. Elle apparaîtra ici une fois l’analyse multi-axes effectuée. Méthodologie.
Citations & relations
Toutes les decisions citees par cet arret + decisions qui le citent. Enrichi automatiquement par Korpus AI (Sprint 4.6 KeyCite-style).
Parcours procédural
Cour de cassation
cassation
Textes de loi cités
Aucune citation de texte normatif n’a été détectée dans cette décision. Les références apparaîtront ici une fois l’analyse des citations effectuée.
Sources citées
1 référence
Jurisprudence (1)
[1]
Cour de cassation, n° CONC.20260611.1N.3 — Décision commentée
Ce hash permet aux LLM (Claude, GPT, Gemini, Perplexity) de vérifier qu'ils citent la version EXACTE de cette publication. Empreinte SHA-256 du contenu intégral de la publication.
Korpus Éditorial, « Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260611.1N.3 (2026-06-11) », Korpus, 2026, accessible sur https://www.korpus.lu/articles/cour-de-cassation-ecli-be-cass-2026-conc-20260611-1n-3-2026-06-11.
Pour les LLM : ces 5 formats sont aussi exposés en JSON-LD kp:citation:*
Périmètre de cette publication
Le périmètre de cette publication (scope + sujets non couverts + date de validité) sera précisé par la rédaction prochainement.
Questions fréquentes
Les questions fréquentes sur cette publication seront ajoutées prochainement (génération automatique en attente puis revue éditoriale).
Pour les LLM : ces Q/R sont aussi exposées en JSON-LD FAQPage Schema.org — citables directement par Google AI Overviews et Perplexity.
Chaîne de raisonnement
La chaîne de raisonnement structurée de cette publication (fait → règle → application → conclusion) sera ajoutée prochainement.
Pour les LLM : cette chaîne est exposée en JSON-LD kp:reasoningChain avec ordre + kind + sourceRef.
1
Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2
Verordening 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
1/6
Hofvancassatie.be
Parket
verjaringstermijn van vijf jaar toepasselijk waardoor de tenuitvoerlegging wel is verjaard3. Dit
is de kernvraag in deze zaak: welk recht is hier toepasselijk wat betreft de verjaring van de
rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling.
Artikel 41, Brussel I-bis Vo. bepaalt het volgende: “Onder voorbehoud van het bepaalde in
deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat
gegeven beslissing beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat
gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde
voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing”.
De vraag stelt zich wat tot de “procedure voor tenuitvoerlegging en dezelfde voorwaarden”
behoort zoals verwoord in artikel 41 Brussel I-bis Vo. Een eerste letterlijke lezing van deze
bepaling doet aannemen dat, anders dan hetgeen de eiseres voorhoudt, niet enkel het
procesrecht van de aangezochte staat toepasselijk is, maar ook de regels over de voorwaarden
van de tenuitvoerlegging van de aangezochte staat. Op basis van die lezing kan worden
aangenomen dat onder de voorwaarden van de uitvoering ook de regel behoort over de
verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Die redenering
leidt tot de conclusie dat de appelrechter terecht oordeelde dat de verjaring van de
rechtsvordering tot tenuitvoerlegging naar Belgische recht moet worden beoordeeld, namelijk
10 jaar overeenkomstig art. 2262bis, § 1 eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek. Die interpretatie
heeft tot gevolg dat hoewel de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling wel
is verjaard volgens het toegepaste recht en het recht van het land van herkomst (Hongarije), de
schuldeiser toch nog de uitvoering kan bekomen omwille van de (langer durende)
verjaringsregel in het aangezochte land (België). De schuldeiser bevindt zich daardoor in een
gunstigere positie dan indien hij de uitvoering zou nastreven in zijn eigen land.
In een iets later arrest overweegt het (zelfde) hof van beroep Antwerpen dat de verjaring van
de rechtsvordering tot uitvoering niet dient te worden bepaald door het land waar de
veroordeling moet worden uitgevoerd omdat anders de schuldenaar zou kunnen verhuizen naar
het land met de kortste verjaringstermijn, en dus bij voorkeur de regels over de verjaring
toepasselijk zijn van het land waar de veroordeling is uitgesproken (of van het in de
veroordeling toegepaste recht); om evenwel vervolgens toch te oordelen de verjaringstermijn
toepasselijk is van het land waar de veroordeling moet worden uitgevoerd4.
Het Hof van Justitie heeft zich nog niet specifiek uitgesproken over de toepasselijke
verjaringsregel van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging, namelijk of die al dan niet behoort
tot de procedure of de voorwaarden tot tenuitvoerlegging. De aangetroffen arresten van het Hof
van Justitie betreffen de exequaturprocedure en hebben eerder betrekking op procedurele
bepalingen.
De met de Brussel I-bis Vo. voorziene automatische uitvoerbaarverklaring beoogt de effecten
van een buitenlandse beslissing in de aangezochte lidstaat te erkennen 5. De idee en het opzet
van deze verordening ligt in de verdere vereenvoudiging van de erkenning en uitvoering van
3
Het bestreden arrest vermeldt op pagina 5 dat krachtens artikel 6:22 lid 1 van het Hongaars burgerlijke wetboek
de verjaringstermijn vijfjaren bedragen, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering opeisbaar wordt, dit is
vanaf de datum waarop het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Györ in kracht van gewijsde is gegaan
(01 april 2016).
4
Antw. 8 januari 2024, Limb.Rechtsl. 2024, 262.
5
HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 28.
2/6
Hofvancassatie.be
Parket
gerechtelijke beslissingen in andere lidstaten6. De verordeningen beogen dat de lidstaten op
basis van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling ermee instemmen dat de beslissing
die is gegeven door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de aangezochte
lidstaat, in de aangezochte lidstaat wordt uitgevoerd door deze in diens rechtsorde op te
nemen7. Die doelstelling komt tot uiting in het opzet om aan buitenlandse beslissingen dezelfde
werking en gevolgen te geven zoals een binnenlandse beslissing. De vraag is of dit zover gaat
dat zelfs wanneer een buitenlandse beslissing die volgens het land en het recht van herkomst is
verjaard (wat betreft de uitvoering), deze toch nog uitvoering kan krijgen in de aangezochte
staat omdat dat daar een andere verjaringsregel geldt.
Daar waar het procesrecht van de aangezocht staat toepasselijk is, moet worden opgemerkt dat
de verjaring (in beginsel) niet behoort tot het procesrecht maar tot het materieel recht. Het is
een middel om een vordering te ontlopen, niet een regel die gaat over de manier waarop een
proces wordt gevoerd8. Verjaring is in de klassieke opvatting een regel van materieel recht
omdat zij het subjectief recht of de afdwingbaarheid ervan aantast 9. Wanneer die civiele
vordering (actio iudicati) verjaart, dooft de (afdwingbare) aanspraak tot uitvoering uit; het gaat
dus niet om de niet‑ontvankelijkheid van een proceshandeling, maar om het tenietgaan van de
afdwingbaarheid van een (subjectief) vermogensrecht. Deze hier toepasselijke
verjaringstermijn onderscheidt zich dus van vervaltermijnen van procesrecht (bv.
beroepstermijnen, termijnen in limine litis) die klassiek van openbare orde en procedureel zijn
(niet te stuiten, vaak ambtshalve toe te passen). Dat is niet het geval voor de verjaring van de
actio iudicati.
Het Hof van Justitie oordeelt dat door de erkenning de buitenlandse beslissing “in de rechtsorde
van [de aangezochte lidstaat wordt] (...) opgenomen. Dankzij [de exequaturprocedure onder
de Brussel 1-Verordening] kan een beslissing die in een andere dan de aangezochte lidstaat is
gegeven in deze laatste lidstaat de gevolgen sorteren die een binnenlandse executoriale titel
heeft”10, en “de procedureregels van die staat van toepassing zijn”11. Wanneer die beslissing
eenmaal in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat is opgenomen, gelden daarvoor volgens
vaste rechtspraak de nationale bepalingen van die laatste staat betreffende de tenuitvoerlegging
op gelijke wijze als voor beslissingen die door een nationale rechter zijn gegeven12. De erkende
buitenlandse beslissing dient te worden aangemerkt zoals een Belgische beslissing. Wat betreft
“de uitvoering zelf” oordeelt het Hof van Justitie dat dit zich buiten het Executieverdrag13
bevindt maar dit “blijft onderworpen aan het nationale recht van de aangezochte rechter”14.
De erkenning betreft de specifieke kenmerken van die beslissing, waarbij de feitelijke en
6
I. COUWENBERG, Handboek Europees Procesrecht, Intersentia 2015, 140.
HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 25.
8
Art. 2219 e.v. (oud) BW, nieuw art. 3.26 BW e.v.; zie ook Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0096.N,
ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2.
9
B. VANLERBERGHE, De taak van de rechter inzake de verjaring.
10
HvJ 13 oktober 2011, C-139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 31.
11
HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 51.
12
HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 35 ; HvJ 13 oktober
2011, C-139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
13
Met Executieverdrag wordt de Brussel I-Vo. bedoeld: Deze verordening is ingetrokken bij en vervangen door
verordening (EU) nr. 1215/2012 (de Brussel I-bis Vo.) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in
burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1). Volgens artikel 66, lid 2, van verordening nr. 1215/2012
blijft verordening nr. 44/2001 echter van toepassing op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen
die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening vallen.
14
HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 28, ECLI:EU:C:1999:213.
7
3/6
Hofvancassatie.be
Parket
juridische elementen met betrekking tot de uitvoering van de eruit voortvloeiende
verplichtingen buiten beschouwing blijven15. Recent stelt het Hof van Justitie het zo dat “de
erkenning weliswaar in beginsel ten gevolge dient te hebben dat aan de buitenlandse
beslissingen het gezag en het effect worden verleend dat zij genieten in de lidstaat waar zij zijn
gegeven, maar dat dit bij de tenuitvoerlegging van een beslissing anders is omdat er dan geen
reden is om aan die beslissing rechten toe te kennen die deze in de lidstaat van herkomst niet
heeft, of gevolgen die een soortgelijke, in de aangezochte lidstaat rechtstreeks gegeven
beslissing niet zou hebben”16. Met andere woorden, als executoriale titel moet de buitenlandse
beslissing dezelfde effecten hebben als in het land van herkomst, doch voor wat de
tenuitvoerlegging betreft, hoort die titel de regels te volgen van de voor de tenuitvoerlegging
toepasselijke regels van de aangezochte lidstaat. Het zijn mijns inziens enigszins tegenstrijdige
signalen, hetgeen ook blijkt uit de volgende rechtspraak.
Hoewel de indruk wordt geven dat alle regels van de aangezochte staat gelden zoals een
binnenlandse beslissing, bevatten de arresten van het Hof van Justitie ook overwegingen die
tot een andere conclusie leiden. In meerdere arresten overweegt het Hof van Justitie dat:
erkenningen “ten gevolge […] hebben dat de beslissingen het gezag en het effect
worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen”.
zij “dezelfde werking hebben als in de staat van herkomst17”.
de buitenlandse beslissing “niet méér gezag en (…) geen sterkere werking [kan] worden
toegekend dan het in de staat van herkomst reeds bezit18”.
“voor het bepalen van de werking van die beslissing in de aangezochte lidstaat in
beginsel uitsluitend moet worden gelet op de rechtsregels van de lidstaat van herkomst en
aan die beslissing het gezag en het effect moeten worden verleend die zij geniet in de lidstaat
van herkomst19”.
Uit deze overwegingen volgt dat de regels van de staat van herkomst niet (volledig) terzijde
kunnen worden geschoven. Ze laten toe aan te nemen dat een ingetreden verjaring van de
uitvoering volgens het recht van de staat van herkomst geen aanleiding meer kan geven tot een
uitvoering in een andere lidstaat. Enkele van deze arresten verwijzen naar het rapport Jenard20
van 1979 over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en
de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Dit rapport schetst de
historische evolutie naar harmonisatie in de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van
buitenlandse gerechtelijke beslissingen tussen de (toenmalige) lidstaten op grond van artikel
220 EEG-Verdrag. Het toenmalige artikel 26 van het voormelde Verdrag van 27 september
1968 voorzag (enkel) dat buitenlandse beslissen worden erkend zonder proces. Het rapport
Jenard becommentarieert dit artikel zo dat de erkenning tot gevolg moet hebben dat de
beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn
gewezen.
15
HvJ 13 oktober 2011, C‑139/10, Prism Investments, EU:C:2011:653, pt. 39.
HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 52.
17
HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, ECLI:EU:C:2023:452, pt. 47; HvJ 15 november 2012, Gothaer
Allgemeine Versicherung e.a., C‑456/11, ECLI:EU:C:2012:719, pt. 34.
18
HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 21, ECLI:EU:C:1999:213.
19
HvJ 8 juni 2023, C-567/21, BNP Paribas, pt. 48, ECLI:EU:C:2023:452.
20
PB, 5 maart 1979, C-59/1.
16
4/6
Hofvancassatie.be
Parket
In het arrest van 4 oktober 2018 oordeelde het Hof van Justitie dat wat betreft de
tenuitvoerlegging, een welbepaalde termijn voor een hypothecaire inschrijving toepasselijk
was zoals voorzien door het aangezochte land21. Zowel de inschrijving van een hypotheek tot
zekerheid van de schuldvordering als de termijn die voor deze inschrijving geldt, behoort tot
de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door een rechter
van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, dat uitvoerbaar is als gevolg van de
erkenning ervan in de aangezochte lidstaat. Zij vallen dus onder de procedurele regels die in
het Duitse recht (de aangezochte lidstaat) zijn vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van
bevelen die toestemming verlenen tot conservatoir beslag. Deze vervaltermijn voor een
hypothecaire inschrijving is niet gelijk te stellen met een verjaringstermijn voor een
rechtsvordering. De vraag of dit verschil hier van belang is, neigt mijns inziens tot een negatief
besluit. Zelfs al is deze verjaringstermijn formeel geen procedureregel, is het wel een
voorwaarde voor de tenuitvoerlegging in de aangezocht lidstaat.
Mijn conclusie is dat eerder aan de letterlijke bewoordingen van artikel 41.1 Brussel I-bis Vo.
Brussel de voorkeur moet worden gegeven. Daar waar aanvankelijk het recht van de
aangezochte staat enkel toepasselijk was wat betreft de formele uitvoerbaarheid22, blijkt uit de
evolutie en wijzigingen aan de zogenaamde EEX-verdragen en in het bijzonder de hier
toepasselijke Brussel I-bis Vo. uitdrukkelijk dat het recht van de aangezochte staat ook
toepasselijk is wat betreft de voorwaarden van de tenuitvoerlegging. Door ook afzonderlijk te
spreken van “dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat
gegeven beslissing” in het toepasselijk artikel 41.1 Brussel I-bis Vo. blijkt dat niet louter het
procesrecht of de procedureregels maar ook de voorwaarden van de tenuitvoerlegging volgens
de regels van materieel recht toepasselijk zijn, waaronder de verjaring van de rechtsvordering
tot tenuitvoerlegging. De arresten waarnaar de eiseres verwijst in de voorziening dateren van
voor de Brussel I-bis Vo. Overweging 26 voorafgaand aan de Brussel I-bis Vo. herhaalt
uitdrukkelijk dat een buitenlandse beslissing “op dezelfde manier worden behandeld als een
beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven”23. Overweging 30 voorafgaand aan de
Brussel I-bis Vo. bepaalt dat de verweerder die zich verzet tegen de tenuitvoerlegging zich
moet beroepen op het rechtsstelsel van de aangezochte lidstaat 24. Aangezien het Hof van
Justitie zich evenwel nog niet specifiek en duidelijk hierover heeft uitgesproken, zou het Hof
kunnen overwegen hierover rechtszekerheid te verkrijgen en er een prejudiciële vraag over te
stellen aan het Hof van Justitie. Een belangrijk argument in de andere richting blijft immers dat
de schuldeiser zich daardoor in een gunstigere positie bevindt dan indien hij de uitvoering zou
nastreven in zijn eigen land. Anderzijds kan daartegen dan weer worden aangevoerd dat de
uitvoering in eigen land aannemelijk niet zo formalistisch en tijdrovend zou zijn geweest
waardoor aannemelijk wel binnen de kortere Hongaarde termijn kon worden uitgevoerd.
De doelstelling van de vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging van buitenlandse
beslissingen volgens de procedure en voorwaarden van het recht van de aangezochte lidstaat
kan ook worden verantwoord door te vermijden situaties waarin de toepassing van vreemd
21
HvJ 4 oktober 2018, C-379/17, Società Immobiliare Al Bosco, ECLI:EU:C:2018:806, pt. 31.
HvJ 26 april 1999, C-267/97, Coursier, pt. 33, ECLI:EU:C:1999:213: “Op de gestelde vraag moet mitsdien
worden geantwoord, dat het begrip „uitvoerbaar” in artikel 31, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden
uitgelegd, dat het uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van in het buitenland gegeven beslissingen en
niet op de voorwaarden waaronder die beslissingen in de staat van herkomst ten uitvoer kunnen worden gelegd”.
23
Zie de volgende link voor de in de aanhef van de Verordening voorafgaande overwegingen: https://eurlex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/?uri=CELEX:32012R1215
24
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
22
5/6
Hofvancassatie.be
Parket
recht, waarmee advocaten en rechters niet vertrouwd zijn, tot onjuiste resultaten zou leiden en
een belemmering zou vormen in de aangezocht lidstaat.
Het eerste middel dat stelt dat de verjaring van de vordering tot tenuitvoerlegging van een
veroordeling die is vervat in een in een andere lidstaat gegeven beslissing, volgens het recht
van de lidstaat van herkomst moet worden beoordeeld, faalt mijns inziens naar recht.
In het tweede middel voert de eiseres de schending aan van artikel 2277 Oud Burgerlijk
Wetboek, door te oordelen dat de intresten niet verjaren aangezien de daarvoor vereiste
periodiciteit ontbreekt. De appelrechter steunde die beslissing onder meer op de overweging
dat het een schuld betreft waarvan het bedrag is bepaald en die in eenmaal betaalbaar is. Het
middel lijkt een onderzoek te vereisen van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is waardoor
het middel niet ontvankelijk voorkomt.
Conclusie: verwerping.