Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260922.2N.6 (2026-09-22)
⚠ Alerte d'intégrité
Cour de cassation · n° ARR.20260922.2N.6 · 22 septembre 2026
Chronologie de l’affaire
Chronologie procédurale en cours de constitution pour cette décision. Les étapes (assignation, instances, appel, cassation, renvoi) sont reconstituées à partir des relations indexées et de l’analyse du texte.
Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260922.2N.6 (2026-09-22)
Samenvatting (NL) :
Onder het beroepsgeheim van een advocaat valt op grond van die bepaling alle informatie waarvan de kennisname is gebeurd tijdens de uitoefening van de functie van advocaat, terwijl hij wegens die hoedanigheid werd aangesproken, voor zover deze informatie in een redelijk verband staat met de uitoefening van de functie en de informatie inherent vertrouwelijk is of expliciet of impliciet onder de voorwaarde van geheimhouding is toevertrouwd aan de advocaat; indien de benadeelden van een misdrijf zich door een advocaat laten bijstaan en in het kader van die bijstand aan die advocaat informatie verstrekken betreffende de omstandigheden waarin het misdrijf zou zijn gepleegd en die advocaat vervolgens op instructie van die benadeelden die informatie meedeelt aan de politionele of gerechtelijke overheden met het oog op opsporing en strafvervolging, schendt hij niet het beroepsgeheim; die informatie wordt de advocaat immers meegedeeld teneinde ze aan te wenden in het kader van de behartiging van de belangen van de benadeelden (1). (1) Zie gelijkluidende concl. OM.
--- TEXTE INTÉGRAL DE L'ARRÊT ---
22 SEPTEMBER 2026
P.26.0590.N/1
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. P.26.0590.N
J. P.,
beklaagde, aangehouden,
eiser,
met als raadsman mr. Bart Vosters, advocaat bij de balie te Antwerpen,
tegen
K. B.,
T. L.,
burgerlijke partijen,
verweerders,
met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg.
22 SEPTEMBER 2026
I.
P.26.0590.N/2
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Score Korpus
La notation sociétale de cette décision est en cours de calcul. Elle apparaîtra ici une fois l’analyse multi-axes effectuée. Méthodologie.
Citations & relations
Toutes les decisions citees par cet arret + decisions qui le citent. Enrichi automatiquement par Korpus AI (Sprint 4.6 KeyCite-style).
Parcours procédural
Cour de cassation
cassation
Textes de loi cités
Aucune citation de texte normatif n’a été détectée dans cette décision. Les références apparaîtront ici une fois l’analyse des citations effectuée.
Sources citées
1 référence
Jurisprudence (1)
[1]
Cour de cassation, n° ARR.20260922.2N.6 — Décision commentée
Ce hash permet aux LLM (Claude, GPT, Gemini, Perplexity) de vérifier qu'ils citent la version EXACTE de cette publication. Empreinte SHA-256 du contenu intégral de la publication.
Korpus Éditorial, « Cour de cassation — ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260922.2N.6 (2026-09-22) », Korpus, 2026, accessible sur https://www.korpus.lu/articles/cour-de-cassation-ecli-be-cass-2026-arr-20260922-2n-6-2026-09-22.
Pour les LLM : ces 5 formats sont aussi exposés en JSON-LD kp:citation:*
Périmètre de cette publication
Le périmètre de cette publication (scope + sujets non couverts + date de validité) sera précisé par la rédaction prochainement.
Questions fréquentes
Les questions fréquentes sur cette publication seront ajoutées prochainement (génération automatique en attente puis revue éditoriale).
Pour les LLM : ces Q/R sont aussi exposées en JSON-LD FAQPage Schema.org — citables directement par Google AI Overviews et Perplexity.
Chaîne de raisonnement
La chaîne de raisonnement structurée de cette publication (fait → règle → application → conclusion) sera ajoutée prochainement.
Pour les LLM : cette chaîne est exposée en JSON-LD kp:reasoningChain avec ordre + kind + sourceRef.
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen,
correctionele kamer, van 1 april 2026.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Op 16 september 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof
een schriftelijke conclusie ingediend.
Op de rechtzetting van 22 september 2026 heeft voorzitter Filip Van Volsem
verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
II.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1.
Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 458bis oud
Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering ontvankelijk is
en dat de advocaat van de verweerders het beroepsgeheim niet heeft geschonden
door geheime inlichtingen verkregen uit een consultatie tussen haarzelf en haar
cliënten, aan het openbaar ministerie mee te delen; de artikelen 458 en 458bis oud
Strafwetboek zijn van openbare orde en een advocaat kan niet zonder meer van zijn
beroepsgeheim worden ontslagen door zijn cliënt; artikel 458bis oud Strafwetboek
voert slechts een spreekrecht voor advocaten in onder de daarin bepaalde
voorwaarden; de appelrechters gaan niet na of die voorwaarden zijn vervuld en in
het bijzonder of er sprake is van een ernstig en dreigend gevaar dan wel van een
gewichtig en reëel gevaar en of de betrokken personen zich niet op een andere wijze
konden beschermen; door in aanmerking te nemen dat de eiser geen klacht of
aangifte tegen de betrokken advocaat heeft ingediend, voegt het arrest een
voorwaarde toe aan artikel 458bis oud Strafwetboek; het kan niet wettig oordelen
dat de cliënten toestemming hebben gegeven tot de mededeling van de
vertrouwelijke informatie nu geen enkel stuk in het strafdossier daarvan melding
maakt en er slechts een a posteriori bevestiging ter rechtszitting voorligt.
22 SEPTEMBER 2026
P.26.0590.N/3
Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 458 oud Strafwetboek en
miskenning van het wettelijk begrip noodtoestand: het arrest oordeelt ten onrechte
dat de strafvordering ontvankelijk is en dat de advocaat van de verweerders het
beroepsgeheim niet heeft geschonden door geheime inlichtingen verkregen uit een
consultatie tussen haarzelf en haar cliënten aan het openbaar ministerie mee te
delen; de doorbreking van het beroepsgeheim op grond van de noodtoestand is
slechts mogelijk wanneer sprake is van een ernstig en dreigend gevaar voor een te
beschermen rechtsgoed of rechtsbelang, de mededeling de enige mogelijkheid
vormt om dat gevaar af te wenden en het beschermde belang zwaarder doorweegt
dan het prijsgegeven belang; de appelrechters gaan niet na of aan die voorwaarden
is voldaan; het arrest kan niet wettig oordelen dat de cliënten toestemming hebben
gegeven tot de mededeling van de vertrouwelijke informatie nu geen enkel stuk in
het strafdossier daarvan melding maakt en er slechts een a posteriori bevestiging
ter rechtszitting voorligt
Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt
ten onrechte dat er geen reden is om de strafvordering onontvankelijk te verklaren
omdat de advocaat van de verweerders door de informatie aan het openbaar
ministerie mee te delen de artikelen 458 en 458bis oud Strafwetboek niet heeft
geschonden; het arrest kan niet wettig oordelen dat aan deze bepalingen en aan de
voorwaarden van de noodtoestand is voldaan, zodat de melding door de advocaat
onrechtmatig gebeurde, het gerechtelijk onderzoek werd opgestart op basis van
informatie verkregen uit een misdrijf en de eiser heeft geen eerlijk proces gekregen.
2.
In zoverre de onderdelen verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor
het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomen tegen de onaantastbare beoordeling
van de feiten door het arrest, zijn ze niet ontvankelijk.
3.
van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde
van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en
deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor
een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval
dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen
bekend te maken.
22 SEPTEMBER 2026
P.26.0590.N/4
Onder het beroepsgeheim van een advocaat valt op grond van die bepaling
alle informatie waarvan de kennisname is gebeurd tijdens de uitoefening van de
functie van advocaat, terwijl hij wegens die hoedanigheid werd aangesproken, voor
zover deze informatie in een redelijk verband staat met de uitoefening van de
functie en de informatie inherent vertrouwelijk is of expliciet of impliciet onder de
voorwaarde van geheimhouding is toevertrouwd aan de advocaat.
5.
Indien de benadeelden van een misdrijf zich door een advocaat laten bijstaan
en in het kader van die bijstand aan die advocaat informatie verstrekken betreffende
de omstandigheden waarin het misdrijf zou zijn gepleegd en die advocaat
vervolgens op instructie van die benadeelden die informatie meedeelt aan de
politionele of gerechtelijke overheden met het oog op opsporing en strafvervolging,
schendt hij niet het beroepsgeheim. Die informatie wordt de advocaat immers
meegedeeld teneinde ze aan te wenden in het kader van de behartiging van de
belangen van de benadeelden.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
6.
Het arrest oordeelt onder meer als volgt:
de advocaat van de verweerders moet enkel de belangen van zijn cliënten dienen;
die raadsman heeft vernomen dat de minderjarige dochter van de verweerders
het slachtoffer was van feiten van aantasting van de seksuele integriteit en
verkrachting, zijnde strafrechtelijk beteugelde feiten;
zij heeft als belangenbehartiger van haar cliënten de beroepsmatige mogelijkheid
om die feiten aan de overheid kenbaar te laten maken, zodat haar cliënten in de
daarop volgende procedures hun rechten als slachtoffer ten volle kunnen laten
gelden;
de verweerders hebben de advocaat de uitdrukkelijke instructie gegeven en dit
na onderlinge bespreking op kantoor om bepaalde informatie van hun
minderjarige dochter, die had aangegeven het slachtoffer te zijn geworden van
meerdere seksuele delicten, mee te delen aan het openbaar ministerie. De
verweerders hebben benadrukt dat zij de advocaat uitdrukkelijk toestemming
hebben gegeven om het openbaar ministerie te informeren over de nieuwe
elementen die aan het licht waren gekomen tijdens de bespreking op het kantoor
22 SEPTEMBER 2026
P.26.0590.N/5
van de raadsman en zij hebben dit uitdrukkelijk bevestigd tijdens de
ondervraging op de rechtszitting van 30 januari 2026;
het gegeven dat de advocaat zelf, in plaats van de cliënten waarvoor ze optrad,
die mededeling heeft gedaan, is gelet op al die concrete omstandigheden niet van
dien aard dat daardoor een inbreuk op artikel 458 oud Strafwetboek zou zijn
gepleegd.
Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de
advocaat van de verweerders zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden en dat er
geen grond is om de strafvordering onontvankelijk te verklaren.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
8.
Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen, kan het niet
tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Tweede middel
9.
Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt
dat de strafvordering ontvankelijk is, dat de advocaat van de verweerders het
beroepsgeheim niet heeft geschonden en dat de artikelen 458 en 458bis oud
Strafwetboek niet zijn overtreden, zonder evenwel vast te stellen dat aan alle
toepassingsvoorwaarden van artikel 458bis oud Strafwetboek of van de
noodtoestand is voldaan, zodat het die beslissing niet regelmatig met redenen
omkleedt.
10.
Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het middel geheel is gericht
tegen overtollige redenen, het niet tot cassatie kan leiden en het bijgevolg bij gebrek
aan belang niet ontvankelijk is.
Ambtshalve onderzoek
11.
De substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn
acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
22 SEPTEMBER 2026
P.26.0590.N/6
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 236,01 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,
samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet,
sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos
Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 september 2026 uitgesproken door
voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet,
met bijstand van griffier Ayse Birant.